Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ9756

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
200.055.249/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ9795, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Scheepsmakelaar. Bemiddeling bij de verkoop van een schip. Tevens opdracht tot begeleiding van de levering? Uitleg van de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 28 juni 2011

Zaaknummer 200.055.249/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. Rana Shipping C.V.,

gevestigd te Harlingen,

2. Seashore Shipping B.V.,

gevestigd te Harlingen,

hierna gezamenlijk te noemen: Rana Shipping c.s.

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,

voor wie gepleit heeft mr. H. Boonk, advocaat te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.E. van Dam, kantoorhoudende te Rotterdam, die ook gepleit heeft.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 10 september 2008 (incident) en 7 oktober 2009 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 5 januari 2010 is door appellanten hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 2 februari 2010.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

de vonnissen die de rechtbank Leeuwarden op 10 september 2008 en 7 oktober 2009 onder zaak-/rolnummer 89404 / HA ZA 08-435 tussen partijen heeft gewezen, te vernietigen, en, opnieuw rechtdoende,

IN HET INCIDENT:

geïntimeerde bij arrest uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om aan appellanten af te geven binnen twee weken na betekening van het hierna te wijzen arrest, op verbeurte van een dwangsom van EUR 5.000,- voor elke dag dat niet aan de veroordeling is voldaan, kopieën van de volledige door [geïntimeerde] gevoerde correspondentie in verband met de "Rana", althans alle correspondentie die is gevoerd tot en met 31 december 2007 met de verschillende personen die betrokken waren bij de (mogelijke) aan- of verkoop van de "Rana", althans de correspondentie die in genoemde periode met betrekking tot de "Rana" is gevoerd met [X], Topmaris, Inter-Globe Shipping, Global Transport, [Y], [Z], Global Transcontinent Shipping en de door [geïntimeerde] ingeschakelde broker in Litauen;

een en ander met uitzondering van de correspondentie tussen [geïntimeerde] en zijn advocaat;

IN CONVENTIE:

de vordering van [geïntimeerde] af te wijzen;

IN RECONVENTIE:

[geïntimeerde] bij arrest uitvoerbaar bij voorraad

a. te veroordelen tot betaling van EUR 550.000,- alsmede EUR 8.132,- (beide exclusief BTW) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2007, met veroordeling van [geïntimeerde] tevens tot betaling van de schade die Rana Shipping CV en Seashore hebben geleden als gevolg van het beslag en de ter opheffing daartoe afgegeven bankgarantie, welke schade nader zal moeten worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van beslaglegging (18 april 2008);

b. alsmede te veroordelen tot terugbetaling van EUR 141.139,01, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling (27 oktober 2009);

MET VEROORDELING tevens, uitvoerbaar bij voorraad, van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"appellanten niet-ontvankelijk te verklaren althans de te dezen bestreden vonnissen te bekrachtigen, met veroordeling van appellanten in de kosten van het geding, uitvoerbaar bij voorraad."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof een dag bepaald waarop arrest zal worden gewezen.

De grieven

Appellanten hebben veertien grieven opgeworpen.

De beoordeling

Het hoger beroep tegen het vonnis van 10 september 2008

1. Ten pleidooie van 8 december 2010 hebben Rana Shipping c.s. doen mededelen dat [geïntimeerde] inmiddels de door haar verlangde kopieën van enige door hem gevoerde correspondentie heeft overgelegd, zodat hun grief tegen het vonnis van 10 september 2008 in het incident geen behandeling meer behoeft.

Het hof verstaat die mededeling in die zin dat het hoger beroep in zoverre wordt ingetrokken en zal dit daarom daaraan buiten verdere beschouwing laten.

De feiten

2. Rana Shipping c.s hebben geen grieven aangevoerd tegen de weergave van de feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.19) van het vonnis van 7 oktober 2009, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

Deze feiten komen – zeer in het kort – op het volgende neer.

[geïntimeerde] drijft een onderneming ( “DSM Shipbrokers S & P”) die zich onder meer bezighoudt met het adviseren en bemiddelen bij de aan- en verkoop van zeeschepen.

Rana Shipping drijft een scheepvaartbedrijf waarin zij het schip “Rana” (nader: het schip) in economische eigendom exploiteerde. Seashore is beherend vennoot van Rana Shipping en was tevens juridisch eigenaar van het schip. [Q] (nader: [Q]) is indirect beherend vennoot van Rana Shipping en directeur van Seashore.

In een brief van 23 mei 2007 van [geïntimeerde] aan [Q] van Rana Shipping die in deze brief wordt aangeduid als “eigenaar/manager/verkoper” is vastgelegd dat [geïntimeerde] het schip voor een bedrag van (netto) € 5.500.000,-- ter verkoop mocht aanbieden en dat courtage zou zijn verschuldigd als het schip via bemoeiingen van [geïntimeerde] zou worden verkocht.

Volgens een door [geïntimeerde] opgesteld “Memorandum of Agreement” (nader ook: MoA) van 3 oktober 2007 heeft Rana Shipping het schip voor een bedrag van € 5.500.000,-- verkocht aan [Z] Ltd. in Belize (nader: [Z]). Het MoA is aan de zijde van Rana Shipping ondertekend door [Q].

[geïntimeerde] heeft vervolgens tussen hem en Rana Shipping een “International Brokers Commission Contract” (nader ook: I.B.C.) van 22 oktober 2007 voor de verkoop van het schip opgesteld. In dit contract komt onder meer deze bepaling voor: “The Broker has to sell Seller’s vessel on the terms and conditions contained in the corroboration of discussed matter dated 23 May 2007 and the MoA dated 3rd October 2007”. Het I.B.C. is aan de zijde van Rana Shipping ondertekend door [Q]. Op het I.B.C. zijn de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] van toepassing.

Toen ter gelegenheid van de voorgenomen levering van het schip aan alle betrokkenen duidelijk was geworden dat niet Rana Shipping maar Seashore eigenares van het schip was en [Z] het schip niet wilde afnemen, heeft [geïntimeerde] vervolgens tussen hem en Seashore een nieuwe I.B.C. van

6 december 2007 opgesteld. Deze I.B.C. komt overeen met de I.B.C. van 22 oktober 2007, maar daarin vindt geen verwijzing plaats naar de brief van 23 mei 2007.

Het schip is op de in de (nieuwe) IBC voorziene datum niet geleverd aan [Z]. Op instigatie van [geïntimeerde] is de MoA vervolgens ontbonden en hebben/heeft Rana Shipping en/of Seashore aanspraak gemaakt of de in de MoA voorziene verval van de door [Z] betaalde waarborgsom van € 550.000,--. Het schip is uiteindelijk op 17 juni 2008 alsnog – onder verrekening van het bedrag van € 550.000,-- voor een bedrag van € 5.500.000,-- verkocht en geleverd aan [Z].

Het geschil

3. Het gaat bij dit geschil in de kern om het antwoord op de vraag of de door Rana Shipping en/of Seashore met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst tot bemiddeling bij de verkoop van het schip tevens inhield de opdracht aan [geïntimeerde] om naast de totstandbrenging van de verkoopovereenkomst die (uiteindelijk) is gesloten met [Z] de levering van het schip (ook juridisch) te begeleiden en, indien dit het geval is, of hij, [geïntimeerde], al dan is niet tekort geschoten in de nakoming van dit onderdeel van overeenkomst.

Grief 1

4. De grief bestrijdt het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 5.1 van het vonnis van 7 oktober 2009 (nader: het vonnis) dat op grond van artikel 7:426 BW in verbinding met artikel 7 van de op de I.B.C. van toepassing zijnde algemene voorwaarden van [geïntimeerde] Rana Shipping c.s. courtage verschuldigd zijn zodra door bemiddeling van [geïntimeerde] een koopovereenkomst tot stand komt. Rana Shipping c.s. stellen zich op het standpunt dat uit de I.B.C. van 22 oktober 2007 en 6 december 2007 waarin telkens onder meer is bepaald “The Broker has to sell Seller’s vessel” moet worden afgeleid dat [geïntimeerde] op dat moment naast de bemiddeling bij de totstandkoming bij de verkoopovereenkomst nog meer moest doen omdat immers die verkoopovereenkomst reeds bij de MoA van 3 oktober 2007 was gesloten.

5. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

6. Volgens Rana Shipping c.s. brengt een redelijke uitleg van de I.B.C. van 22 oktober en 6 december 2007 met zich dat onder “to sell” moet worden verstaan “het afronden van de koop door incasso van de koopprijs en overdracht van het schip door ondertekening van de Bill of sale (zakelijke overeenkomst waarmee de eigendom wordt overgedragen en het schip dus wordt geleverd), een en ander on the terms and conditions contained in the …MoA dated: 3rd October 2007”. Volgens Rana Shipping c.s. is daarmee in overeenstemming dat de courtage moet worden betaald bij “delivery of the vessel”. Zij wijzen er daarbij op dat ten tijde van het sluiten van het I.B.C. de verkoop reeds (bij MoA van 3 oktober 2007) had plaatsgevonden.

7. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 2 is vermeld, verwijst de IBC van 22 oktober 2007 naar de brief van 23 mei 2007. De I.B.C. van 6 december 2007 verwijst niet naar de bespreking van 23 mei 2007, maar heeft overigens dezelfde inhoud als de eerste I.B.C.. De tweede I.B.C. is niet door [geïntimeerde] maar wel door Seashore ondertekend.

8. Het hof is van oordeel dat Rana Shipping c.s. onvoldoende hebben betwist dat de eerste (en in de kern ook de tweede) I.B.C. een uitwerking vormen van de brief van 23 mei 2007 en het daaraan ten grondslag liggende telefoongesprek tussen partijen, zodat daarvan in rechte moet worden uitgegaan. De bemiddelingsovereenkomst moet dan ook worden geacht op of omstreeks 23 mei 2007 en niet pas op 22 oktober dan wel 6 december 2007 bij de beide IBC’s te zijn tot stand gekomen. Immers, zonder nadere, door Rana Shipping c.s. niet gegeven toelichting, is onverklaarbaar waarom [geïntimeerde] zou hebben bemiddeld bij de totstandkoming van de verkoopovereenkomst (MOA) van 3 oktober 2007 als daaraan niet een eerder (bemiddelings)overeenkomst tussen [geïntimeerde] en Rana Shipping ten grondslag lag.

9. Tussen partijen is niet in geschil dat de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] (prod. 4 bij inleidende dagvaarding) van toepassing zijn op de door partijen gesloten bemiddelingsovereenkomst. Nu partijen het tegendeel niet hebben gesteld, gaat het hof ervan uit deze algemene voorwaarden waarnaar wel in de brief van 23 mei 2007 maar niet in de IBC’s van 22 oktober en 6 december 2007 wordt verwezen, reeds aanstonds op de rechtsverhouding van partijen van toepassing waren.

10. Rana Shipping c.s. stellen in de toelichting op grief 5 nog dat ook uit de omstandigheid dat [geïntimeerde] na het sluiten van de MoA werkzaamheden heeft uitgevoerd in het kader van de overdracht van het schip, moet worden afgeleid dat hijzelf ook van mening was dat die werkzaamheden tot zijn taken behoorden. In die toelichting vragen Rana Shipping c.s. zich nog af als de I.B.C’s. van 22 oktober en 6 december 2007 niet de basis vormden voor het uitvoeren van de werkzaamheden ter voorbereiding op de eigendomsoverdracht, waarop de uitvoering van die werkzaamheden dan op was gebaseerd. Op bladzijde 3 van de pleitnota stellen Rana Shipping dat er geen enkele aanwijzing is dat [geïntimeerde] na 3 oktober 2007 werkzaamheden bij wijze van service en onverplicht zou hebben verricht, zoals door [geïntimeerde] in onderdeel 45 van de memorie van antwoord wordt aangevoerd.

11. Het hof is van oordeel dat Rana Shipping c.s. onvoldoende hebben gesteld om aan te nemen dat de bemiddelingsovereenkomst tussen partijen zoals deze in redelijkheid moet worden verstaan, méér van [geïntimeerde] verlangde dan de totstandbrenging van de verkoopovereenkomst (MoA) zelf. Anders dan Rana Shipping c.s. ingang willen doen vinden, mag er niet van worden uitgegaan dat onder “has to sell” tevens moet worden verstaan de incasso van de koopprijs en de overdracht van het schip. Het hof wijst er in dit verband nog op dat de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden een duidelijk onderscheid maken tussen hetgeen de courtage verschuldigd doet zijn (het sluiten van de overeenkomst) en het moment waarop deze courtage moet worden voldaan (bepaald door het moment van levering van het schip).

12. Het hof is van oordeel dat Rana Shipping c.s. aldus onvoldoende hebben gesteld om uit de werkzaamheden van [geïntimeerde] ná 3 oktober 2007 af te leiden dat begeleiding van Rana Shipping c.s. mede onderwerp vormde van de tussen partijen gesloten bemiddelingsovereenkomst(en). Het hof merkt in dit verband nog op dat Rana Shipping c.s. niet hebben gesteld dat uit deze werkzaamheden afgeleid kan worden dat partijen (stilzwijgend) een nieuwe of een aanvullende overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan [geïntimeerde] tot het verrichten van deze werkzaamheden was gehouden. Wegens het bepaalde in artikel 24 Rv. zal het hof daarom niet onderzoeken of in die eventuele nadere of aanvullende overeenkomst een grondslag kan worden gevonden voor het verweer en de (tegen)vordering van Rana Shipping c.s.

13. De grief faalt.

Grieven 2 en 3

14. De grieven klagen over het oordeel van de rechtbank dat aan de verschuldigdheid van de courtage niet afdoet dat de MoA van 3 oktober 2007 in een later stadium (20 december 2007) door Rana Shipping is ontbonden.

Rana Shipping c.s. stellen dat door de ontbinding van de MoA van 3 oktober 2007 het recht op courtage is komen te vervallen. Zij stellen zich voorts op het standpunt dat, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, de vordering van courtage die door [geïntimeerde] op grond van artikel 9 van de overeenkomst wegens de latere MoA is ingesteld, eveneens geheel of gedeeltelijk had moeten worden afgewezen omdat betaling van courtage volgens hen zou leiden tot unfair consequences als bedoeld in artikel 9 van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde].

15. Bij de beoordeling van de grieven moet worden vooropgesteld dat volgens de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] het sluiten van de latere MoA tussen Rana Shipping c.s. en [Z] de verschuldigheid van courtage doet ontstaan indien deze niet reeds op grond van de MoA van 3 oktober 2007 verschuldigd was. De vraag of de verschuldigdheid van courtage op grond van artikel 9 van de algemene voorwaarden leidt tot unfair consequences en daarom zou moeten leiden tot een vermindering van courtage, dient volgens die bepaling echter plaats te vinden door middel van een “binding opinion”, zodat voor een beroep op deze bepaling in dit geding geen plaats is.

16. De grieven falen.

Grief 4

17. De grief klaagt erover dat de rechtbank het beroep van Rana Shipping c.s. op het dienen van twee heren door [geïntimeerde] heeft afgewezen.

Het hof leest in de grief en de daarop gegeven toelichting geen essentieel andere stellingen of verweren dan de welke reeds in eerste aanleg zijn aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Daarbij komt dat, gelijk hiervoor is overwogen, de verschuldigdheid van de commissie is ontstaan bij het sluiten van de MoA van 3 oktober 2007en dat op [geïntimeerde] geen verdere verplichtingen rustten. Zonder nadere, niet gegeven toelichting valt niet in te zien hoe door [geïntimeerde]s adviezen aan [Z] over de doorverkoop door [Z] van het schip op een tijdstip waarop [geïntimeerde] geen verplichtingen meer had jegens Rana Shipping c.s., de belangen van Rana Shipping c.s. kon worden geschaad.

18. De grief faalt.

Grief 5

19. De grief klaagt erover dat de rechtbank het beroep van Rana Shipping c.s. op ontbinding van de I.B.C.’s heeft afgewezen.

20. Bij de beoordeling van de grief moet worden vooropgesteld dat, zoals hiervoor onder 8 is overwogen, die IBC’s slechts uitwerkingen vormen van de in de brief van 23 mei 2007 neergelegde bemiddelingsovereenkomst.

21. Voor zover [geïntimeerde] bij de uitvoering van de bemiddelingsovereenkomst, te weten de totstandbrenging van de verkoopovereenkomst (MoA) tussen Rana Shipping c.s. en [Z] tekort is geschoten doordat in die verkoopovereenkomst onjuiste gegevens zijn opgenomen omtrent de eigendom van het schip, leidt dit niet tot een rechtens in aanmerking te nemen en tot toewijzing van schadevergoeding aanleiding gevend verzuim nu Rana Shipping c.s. niet hebben weersproken dat zij [geïntimeerde] ter zake niet in gebreke hebben gesteld. Niet is gesteld of gebleken dat die tekortkoming zich niet leende voor herstel.

22. Voor zover Rana Shipping c.s. stellen dat [geïntimeerde] na de totstandkoming van de MoA fouten heeft gemaakt die jegens haar wanprestatie opleveren, gaat het hof daaraan voorbij. Immers, er moet van worden uitgegaan dat er na de totstandkoming van de MoA op [geïntimeerde] geen verdere verplichtingen rustten, zodat die eventuele fouten niet hebben plaatsgevonden in de uitvoering van de bemiddelingsovereenkomst.

23. Rana Shipping c.s. stellen dat de fouten van [geïntimeerde] niet alleen een wanprestatie maar ook een onrechtmatige daad jegens haar opleveren.

Het hof gaat evenwel aan deze stelling voorbij omdat Rana Shipping c.s. niet duidelijk maken waarom, de contractuele relatie tussen partijen weggedacht, het handelen van [geïntimeerde] jegens Rana Shipping c.s. onrechtmatig was.

24. De grief faalt.

Grief 6

25. De grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen bespreking.

Grief 7

26. De grief klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het overeengekomen courtagepercentage twee is en blijft.

Volgens Rana Shipping c.s is een courtagevordering van twee procent naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als juist is hun stelling dat [geïntimeerde] twee in plaats van één procent courtage heeft bedongen op grond van het argument dat hij aan een locale broker één procent moest betalen en dat niet heeft gedaan.

27. Daargelaten dat [geïntimeerde] ten pleidooie onweersproken heeft gesteld dat hij overeenkomstig plaatselijk gebruik één procent courtage heeft doorbetaald aan de makelaar van de kopende partij ([Z]) en dat deze makelaar daarnaast zelf geen courtage aan [Z] in rekening heeft gebracht, valt niet in te zien dat de enkele mededeling van [geïntimeerde] dat hij één procent courtage zou moeten betalen aan een locale makelaar, indien gedaan, terwijl die mededeling onjuist was, maakt dat een courtage van twee procent naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof stelt hierbij vast dat Rana Shipping c.s. niet stellen dat die courtage op zichzelf onaanvaardbaar is maar dat die volgens hen onjuiste mededeling dat [geïntimeerde] één procent van de premie aan een locale makelaar zou moeten betalen, maakt dat een courtage van twee procent onaanvaardbaar is.

28. De grief faalt.

Grief 8

29. De grief klaagt erover dat de rechtbank het beroep van Rana Shipping c.s. op verrekening en opschorting heeft verworpen

Uit hetgeen hierna nog zal worden overwogen, blijkt dat Rana Shipping c.s. geen vordering op [geïntimeerde] hebben, zodat hun geen beroep op opschorting of verrekening toekomt.

30. De grief faalt.

Grief 9

31. De grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen behandeling

Grief 10

32. De grief klaagt erover dat de rechtbank de vordering van Rana Shipping c.s. wegens kosten van door haar verzekeraar betaalde rechtsbijstand niet heeft toegewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat Rana Shipping c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat zij door de verzekeraar die hun kosten van juridische bijstand heeft betaald, zijn gemachtigd om op eigen naam deze vordering te incasseren.

33. Zoals onder meer blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 15 januari 2010, LJN BK0874, is een eiser die optreedt ter behartiging van de belangen van een ander niet gehouden om te vermelden dat hij optreedt voor die ander indien de wederpartij geen verweer voert dat daartoe aanleiding geeft.

34. Daargelaten of [geïntimeerde] in eerste aanleg of thans in hoger beroep een dergelijk verweer heeft gevoerd of voert, kan de grief niet tot toewijzing van de vordering leiden.

Immers nu, zoals hierna nog zal blijken, de vorderingen van [geïntimeerde] moeten worden toegewezen en de vorderingen van Rana Shipping (ook overigens) moeten worden afgewezen, moet de vordering tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand eveneens worden afgewezen.

35. De grief treft (uiteindelijk) geen doel.

Grief 11

36. De grief klaagt erover dat de rechtbank de vordering van € 550.000,-- van Rana Shipping c.s. hebben afgewezen.

Het gaat hier om de waarborgsom van € 550.000,-- die door [Z] was betaald en die volgens de MoA aan Rana Shipping c.s. zou vervallen indien [Z] niet tijdig de volledige koopsom zou voldoen en Rana Shipping c.s. in verband daarmee gebruik zouden maken van hun bevoegdheid de MoA te ontbinden. Weliswaar hebben Rana Shipping c.s. aanvankelijk van die (gestelde) mogelijkheid tot ontbinding gebruik gemaakt, maar konden zij als gevolg van de gestelde wanprestatie van [geïntimeerde] bij de totstandkoming van de MoA niet vasthouden aan deze ontbinding. Daardoor is volgens Rana Shipping c.s. hun aanspraak op het bedrag van € 550.000,-- verloren gegaan, zodat zij als gevolg van die wanprestatie van [geïntimeerde] schade hebben geleden. Zij stellen daarbij nog dat zij het schip als gevolg van gewijzigde marktomstandigheden alsnog voor een aanzienlijk hoger bedrag dan € 550.000,-- zouden hebben kunnen verkopen.

37. Zoals hiervoor onder 36 is overwogen, heeft [geïntimeerde]s tekortkoming bij de nakoming van de bemiddelingsovereenkomst niet geleid tot een rechtens relevant verzuim, zodat reeds daarom te dezen geen sprake kan zijn van enig recht op vergoeding van de door Rana Shipping c.s. in dit verband gestelde schade.

38. De grief faalt.

Grieven 12, 13 en 14

39. De grieven bouwen voort op de overige falende grieven en falen daarmee eveneens.

De slotsom

40. De grieven treffen geen doel. Het beroepen vonnis moet worden bekrachtigd. Rana Shipping c.s. zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (te liquideren kosten aan de zijde van [geïntimeerde]: 3 punten in tariefgroep VII)

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 7 oktober 2009 waarvan beroep;

veroordeelt Rana Shippingc.s. in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze tot nu aan de zijde van [geïntimeerde] op € 1.188,-- wegens verschotten en op € 11.685,-- wegens salaris van de advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. F.J. Streppel, voorzitter, K.M. Makkinga en L.C.A. Verstappen, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 28 juni 2011 in bijzijn van de griffier.