Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ9085

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
23-06-2011
Zaaknummer
24-002752-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte maakte deel uit van een groep jongeren, die na een uitgaansavond een rondgang door de dorpsstraten heeft gemaakt, waarbij - ook in strafrechtelijke zin - grenzen zijn overschreden. Wat door de groep, en ook door verdachte, werd ervaren als "een lolletje", heeft bij bewoners geleid tot overlast, schade en vrees. Verdachte, destijds bijna 24 jaar oud, was de oudste van de groep en had beter moeten weten. Veroordeling voor diefstal in vereniging en openlijke geweldpleging tot een maand gevangenisstraf voorwaardelijk en een werkstraf van

60 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002752-09

Uitspraak d.d.: 23 juni 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 26 oktober 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof

van 9 juni 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot oplegging aan verdachte van een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en daarnaast van een werkstraf van

60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 128,-, in hoofdelijkheid met zijn mededader en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. M.C. Braak, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij, op of omstreeks 14 december 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een brandblusapparaat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2.

hij, op of omstreeks 14 december 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een aan die [straat] gelegen woonhuis en/of een aan of nabij die [straat] stilstaande auto, welk geweld er uit bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s) vanaf die openbare weg, door de brievenbus van die woning, een brandblusapparaat hebben leeggespoten in die woning en/of het motorcompartiment van die auto hebben volgespoten met dat brandblusapparaat;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij, op of omstreeks 14 december 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een aan de [straat] gelegen woonhuis en/of een aan of nabij die [straat] stilstaande auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s), door de brievenbus van die woning, een brandblusapparaat leeggespoten in die woning en/of het motorcompartiment van die auto volgespoten met dat brandblusapparaat.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen omtrent het bewijs van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde

Namens verdachte is in de 'opgave van bezwaren' vermeld dat het instellen van hoger beroep niet is ingegeven door bezwaren tegen de door de politierechter uitgesproken bewezenverklaring, maar louter is gericht tegen de hoogte van de in eerste aanleg opgelegde straf, met name in vergelijking tot hetgeen aan de medeverdachten is opgelegd.

Uit de door verdachte ter terechtzitting van 11 juni 2011 afgelegde verklaringen valt evenwel af te leiden dat ook de bewezenverklaring bij hem op bezwaren stuit. Zo heeft verdachte betoogd dat de brandblusser "zo uit de houder kon worden genomen", daarmee suggererend dat van diefstal in feite geen sprake was. Voorts zou niet hij degene zijn geweest die de brandblusser uit de houder had gehaald, maar een van zijn medeverdachten. Verdachte had het apparaat slechts - als ieder ander van de groep - in handen gehad. Verdachte heeft tevens verklaard de brandblusser in de nabijheid van de brievenbus slechts te hebben vastgehouden. Het was zijn medeverdachte, en dus niet verdachte zelf, die vervolgens de knop van het apparaat indrukte, als gevolg waarvan de inhoud zich in de woning van de aangever van feit 2 kon verspreiden.

Het hof stelt allereerst vast dat uit door anderen afgelegde verklaringen blijkt dat het aandeel van verdachte in het onder 1 en 2 ten laste gelegde groter is geweest dan hijzelf doet voorkomen. Voorts is het uit de houder nemen van een brandblusapparaat, eigendom van

het betreffende tankstation, en het apparaat vervolgens meenemen en (oneigenlijk) gebruiken zonder meer aan te merken als diefstal.

Het hof overweegt daarnaast dat in het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde het bestanddeel "in vereniging" is opgenomen. Dat impliceert dat er sprake moet zijn van een in (nauwe) samenwerking met een ander gepleegd strafbaar feit. Daarbij is van ondergeschikt belang wie welke uitvoeringshandeling heeft verricht. Uit de door medeverdachten afgelegde verklaringen over het aandeel van verdachte in het hem ten laste gelegde ontleent het hof het wettig en overtuigend bewijs dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van hetgeen hem onder 1 en 2 (primair) ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij, op 14 december 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een brandblusapparaat, toebehorende aan [bedrijf];

2 primair

hij, op 14 december 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], met een ander, aan de openbare weg, de [straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een aan die [straat] gelegen woonhuis en een aan die [straat] stilstaande auto, welk geweld eruit bestond dat verdachte en zijn mededader vanaf die openbare weg, door de brievenbus van die woning, een brandblusapparaat hebben leeggespoten in die woning en het motorcompartiment van die auto hebben volgespoten met dat brandblusapparaat.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte maakte deel uit van een groep jongeren, die na een uitgaansavond in het dorpshuis/-café van [plaats] in de vroege ochtenduren van 14 december 2008 een rondgang door de dorpsstraten heeft gemaakt, waarbij - ook in strafrechtelijke zin - grenzen zijn overschreden. Wat door de groep, en ook door verdachte, werd ervaren als "een lolletje", heeft bij diverse bewoners tot overlast, schade en vrees geleid.

Het hem verweten en bewezen verklaarde aandeel van verdachte bestond daarin dat hij zich, tezamen met een ander, schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een brandblusapparaat dat - om veiligheidsredenen in voor een ieder gebruiksklare toestand - bij de plaatselijke benzinepomphouder hing. Vervolgens heeft verdachte dit apparaat, eveneens tezamen met een ander, leeggespoten in het motorcompartiment van een geparkeerde auto en in de brievenbus van een woonhuis, waarin een gezin met drie kinderen woonde. Omdat het brandalarm afging en zich witte nevel in de woning verspreidde, verkeerden de bewoners in de gerechtvaardige veronderstelling dat er sprake was van brand. De zoon des huizes sprong vanaf de eerste verdieping naar beneden en het gezin belandde in nachtkleding in de vrieskou op straat. In verband met noodzakelijke schoonmaakwerkzaamheden kon het gezin pas vele uren later weer in de woning terugkeren. Uit de aangifte blijkt dat de bewoners zich zijn "doodgeschrokken".

Het hof rekent het verdachte aan dat hij doet voorkomen alsof hij niet, althans slechts in beperkte mate, verantwoordelijk kan worden gehouden voor de hem verweten gedragingen. Het hof rekent het verdachte voorts aan dat hij nadien met geen van beide aangevers contact heeft opgenomen en dat hij evenmin zijn deel van de door [benadeelde], eigenaar van het brandblusapparaat, gevorderde materiële schade eigener beweging heeft voldaan.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 april 2011, waaruit blijkt dat er tweemaal eerder sprake is geweest van justitiecontacten, zij het geruime tijd geleden. Dit heeft eenmaal geleid tot een OM-transactie en eenmaal tot een veroordeling. In beide gevallen betrof het strafbare feiten met een geweldsaspect.

Door en namens verdachte is betoogd dat de in eerste aanleg opgelegde straf niet in proportie is met de aan zijn medeverdachten opgelegde straffen.

Het hof stelt vast dat de vergelijking met zijn medeverdachten maar zeer ten dele opgaat. Verdachte, destijds bijna 24 jaar oud, was de oudste van de groep en had beter moeten weten. Hij had bovendien (enige) documentatie op zijn naam. De door verdachte bedoelde medeverdachten waren aanzienlijk jonger, beschikten over een blanco strafblad en hadden bovendien hun deel van de schadevergoeding voldaan. Door dit samenstel van factoren kwamen zij in aanmerking voor een afdoening door het openbaar ministerie. Hun aandeel is derhalve niet aan een rechter voorgelegd.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde afdoening recht doet aan de ernst van de feiten, de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, en de persoon van de verdachte. Aan verdachte zal daarom een gevangenisstraf worden opgelegd van eenzelfde modaliteit en duur en een werkstraf van gelijke omvang.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf], dhr. [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 128,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen. De vordering van de benadeelde partij behoort derhalve te worden toegewezen tot voormeld bedrag van € 128,-, met dien verstande dat, indien dit bedrag door de mededader geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Het hof veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 141, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [bedrijf] te [vestigingsplaats], waarvoor [benadeelde] optreedt als gemachtigde, terzake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 128,- (honderdachtentwintig euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf] te [vestigingsplaats], een bedrag te betalen van € 128,- (honderdachtentwintig euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. J.J. Beswerda, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. G.J. Niezink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel, griffier,

en op 23 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G.J. Niezink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.