Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ8969

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
24-000064-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolging wegens (medeplegen) van vernieling van drie boompjes.

Verdachte ontkent medeplegen en stelt dat hij en twee vrienden ieder een boompje hebben vernield.

Volgt veroordeling wegens medeplegen omdat hof bewusten en nauwe samenwerking bewezen acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000064-11

Uitspraak d.d.: 22 juni 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Leeuwarden van 6 januari 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 juni 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte wegens het medeplegen van vernieling, zonder oplegging van straf of maatregel, en met (hoofdelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van honderdtwee euro en vijftig cent. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. B.P.M. Canoy, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 8 mei 2010, te of bij [plaats], (in elk geval) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer (jonge) bo(o)m(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen. Verdachte erkent dat hij een boompje heeft vernield. De omstandigheid dat hij met een groep anderen is meegelopen, dat hij erbij aanwezig was dat twee anderen uit die groep ieder ook een boompje vernielden, dat hij zich daarvan niet heeft gedistantieerd en dat hij met die vernielingen heeft ingestemd, maakt niet dat hij wegens medeplegen van die vernielingen kan worden veroordeeld. Temeer nu inmiddels is vastgesteld dat verdachte een laag IQ heeft, kan het gedrag van die anderen niet aan hem worden toegerekend.

Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat verdachte op 8 mei 2010 deel uitmaakte van een groep jongeren die zich door [plaats] verplaatste, waarbij enkele jongeren uit die groep zich bezighielden met verschillende baldadigheden. Op enig moment ziet verdachte dat een van de jongens uit de groep een boompje vernielt. In plaats van dat verdachte op dat moment de groep verlaat, loopt hij zelf naar een ander boompje en vernielt hij dat. Vervolgens vernielt ook nog een andere jongen uit de groep een derde boompje. Tegen het vernielen van de boompjes door de beide andere jongens heeft verdachte niet geprotesteerd. Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande kan worden afgeleid dat gezamenlijk is opgetrokken in groepsverband, ook in de aanloop naar het ten laste gelegde feit, waarbij verdachte met betrekking tot het ten laste gelegde zelf uitvoeringshandelingen heeft verricht. Daarmee heeft verdachte bewust en nauw samengewerkt met anderen toen hij het ten laste gelegde feit pleegde. Dat de vernieling van de drie boompjes plaatsvond in de context van het groepsgebeuren vindt bovendien steun in de verklaring van verdachte zelf. In zijn verklaring tegenover de politie1 zegt verdachte dat hij bij het zien van de vernieling van het eerste boompje dacht "Dat kan ik ook", waarop hij zelf het tweede boompje vernielde.

Het hof verwerpt daarom het gevoerde verweer.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 8 mei 2010, te [plaats], in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk drie jonge bomen, toebehorende aan [benadeelde], heeft vernield.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Oplegging van straf en of maatregel

Het hof heeft gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Het hof heeft daarnaast acht geslagen op een verdachte betreffend rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 27 april 2011. Uit dit rapport vloeit voort dat het dagelijks functioneren van verdachte volledig wordt belemmerd door zijn angsten, waarvoor verdachte op korte termijn behandeld dient te worden. Een eventueel op te leggen straf zou in de weg staan aan een spoedige behandeling. De Raad voor de Kinderbescherming is van mening dat hulpverlening voorrang verdient boven een straf, zodat oplegging van een straf of maatregel niet is geïndiceerd.

Het hof acht het, gelet op het voorgaande, raadzaam te bepalen dat - zoals door de

advocaat-generaal gevorderd - in verband met de persoonlijkheid van de dader geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 307,50. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte en zijn mededaders rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 307,50. De benadeelde partij heeft haar vordering voldoende onderbouwd.

Namens verdachte is aangevoerd dat weliswaar uit de overgelegde specificatie blijkt dat de schade voor één vernield boompje EUR 102,50 bedraagt, maar dat dit niet tot de conclusie kan leiden dat de schade voor drie vernielde boompjes EUR 307,50 bedraagt. Het bedrag van EUR 37,50 dat voor "plaatsen en leveren" van één boompje in rekening is gebracht zou bij het plaatsen en leveren van drie boompjes lager uit moeten vallen. Het hof passeert dit verweer nu het onvoldoende nader is onderbouwd.

Het hof acht aannemelijk geworden dat van de totale schade inmiddels tweemaal een bedrag van EUR 102,50 is betaald. Verdachte is, evenals zijn mededaders, hoofdelijk tot vergoeding van het restant van de schade (EUR 102,50) gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor zover de gevorderde schade reeds is vergoed, zal het hof de vordering afwijzen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9a, 24c, 36f, 47 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde] terzake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 102,50 (honderdtwee euro en vijftig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af nu dat gedeelte van de schade al is vergoed.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 102,50 (honderdtwee euro en vijftig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. P.J.M. van den Bergh, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. M.F.H.M. van Haastert, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,

en op 22 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.F.H.M. van Haastert is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal met nummer [nummer], d.d. 23 juni 2010 in de wettelijke vorm opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant]