Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ8747

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
200.070.798/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Goederenrecht. Verkrijging te goeder trouw? Art. 3:86 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 21 juni 2011

Zaaknummer 200.070.798/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[naam bedrijf appellant] B.V.,

gevestigd te Groningen,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.J. Oudman, kantoorhoudende te Joure, die ook heeft gepleit,

tegen

[naam geïntimeerde],

handelende onder de naam 'Platenbaas Rijplatenverhuur',

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.M. Wolfs, kantoorhoudende te Maastricht, die ook heeft gepleit.

Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 23 juni 2010 door de rechtbank Leeuwarden, hierna te noemen de rechtbank.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 16 juli 2010 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het genoemde vonnis van 23 juni 2010, hierna te noemen het beroepen vonnis, met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 17 augustus 2010.

Bij arrest van 7 september 2010 heeft het hof een comparitie van partijen gelast op een nader door de raadsheer-commissaris te bepalen dag en uur. De comparitie-zitting heeft evenwel geen doorgang gevonden.

[appellant] heeft vervolgens een akte houdende overlegging producties genomen.

Daarna heeft [appellant] onder overlegging van producties van grieven gediend. De conclusie van de memorie van grieven luidt:

'het door de rechtbank Leeuwarden d.d. 23 juni 2010 tussen partijen gewezen vonnis (zaak-/rolnummer 92878/Ha ZA 08-925) in conventie en in reconventie te vernietigen, en opnieuw rechtdoende:

In conventie:

1. te verklaren voor recht dat appellante eigenaar is van de rijplaten die geïntimeerde meent van Stichting IJsselmeerziekenhuizen te hebben verworven;

2. geïntimeerde te veroordelen tot afgifte van alle 127 in eerste aanleg bedoelde rijplaten, de 98 rijplaten waarvan geïntimeerde erkend dat hij deze van het ziekenhuis gekocht zou hebben, of althans de 98 rijplaten waarvan geïntimeerde erkend dat hij deze van het ziekenhuis gekocht zou hebben, of althans de 60 rijplaten waarvan geïntimeerde erkend dat hij deze heeft opgehaald bij het ziekenhuis, of althans de 38 rijplaten waar in eerste aanleg conservatoir beslag tot afgifte is gelegd, binnen acht dagen na betekening van het arrest, met veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor iedere dag dat geïntimeerde na betekening van arrest in gebreke zal zijn aan deze veroordeling tot afgifte te voldoen;

3. geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellante van € 26,-- per af te geven rijplaat.

In reconventie:

4. geïntimeerde in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vordering van geïntimeerde te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of onbewezen;

In conventie en in reconventie

5. geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellante van de kosten van de procedure in conventie en reconventie, in beide instanties, waaronder die van het conservatoir afgifte beslag zijn begrepen en geïntimeerden te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de proceskostenvergoeding, en voorts geïntimeerden te veroordelen tot betaling van de nakosten.'

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] onder overlegging van producties verweer gevoerd met als conclusie:

'bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, appellante niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering althans haar vordering af te wijzen en het vonnis van de rechtbank te Leeuwarden van 23 juni onder rolnummer 92878 / HA ZA 08-925 te bekrachtigen, onder veroordeling van appellante in de kosten van beide instanties, zowel in conventie als in reconventie.'

Partijen hebben de zaak door hun advocaten aan de hand van de overgelegde pleitnota's doen bepleiten.

Ter gelegenheid van de pleidooien heeft het hof het nemen van een akte houdende overlegging producties zijdens [appellant] niet toegestaan, nu deze akte niet tijdig op de voet van art. 4.2 jo. 2.17 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven was ingediend.

Tenslotte hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof een dag bepaald voor het wijzen van arrest. Met instemming van partijen zal recht worden gedaan op het door [appellant] ingezonden pleitdossier.

De grieven

[appellant] heeft tien grieven opgeworpen.

De beoordeling

De naam van [appellant]

1. Het hof constateert dat de naam van [appellant] op alle processtukken, waaronder het beroepen vonnis, is aangeduid als '[naam bedrijf appellant] B.V.' met uitzondering van het appelexploot, dat is uitgegaan van '[naam bedrijf appellant] B.V.' Nu geen van partijen zich omtrent dit punt verder heeft uitgelaten, houdt het hof het ervoor dat het bij de omschrijving '[naam bedrijf appellant] B.V.' gaat om een verkorte aanduiding van [appellant].

De omschrijving van de eis van [appellant] als oorspronkelijk eiseres.

2. Het hof gaat uit van de omschrijving van de eis van [appellant] als oorspronkelijk eiseres in conventie, zoals die te vinden is de conclusie van de memorie van grieven, welke hiervoor onder het kopje 'Het geding in hoger beroep' is weergegeven, nu van bezwaren zijdens [geïntimeerde] niet is gebleken en de eisen van een goede procesorde zich er ook niet tegen verzetten.

De beslissing in eerste aanleg

3. De vordering van [appellant], zoals die de rechtbank in eerste aanleg in conventie ter beoordeling heeft voorgelegen, is afgewezen. [appellant] is in reconventie op vordering van [geïntimeerde] veroordeeld tot opheffing van alle door haar gelegde conservatore beslagen uiterlijk binnen vijf dagen na 23 juni 2010, op straffe van een dwangsom van € 2.500,-- per dag dat [appellant] hieraan niet voldoet, tot een maximum van € 25.000,--.

De vaststaande feiten

4. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.3) van het beroepen vonnis is, behoudens ten aanzien van de vaststelling waartegen grief IV blijkens haar strekking mede is gericht, geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, zulks met inachtneming van hetgeen hierna met betrekking tot grief IV zal worden overwogen, en voorts onder aanvulling van enkele feiten die in hoger beroep tussen partijen zijn komen vast te staan.

5. Grief IV is blijkens haar strekking mede gericht tegen de vaststelling door de rechtbank dat de rijplaten van [appellant] in geval van verkoop zijn voorzien van een logo met het opschrift 'vM'. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [appellant], zal het hof, anders dan de rechtbank, daarvan niet als vaststaand feit uitgaan. Grief IV is derhalve terecht opgeworpen. Of [appellant] dit zal baten, zal hierna moeten blijken.

6. Het hof gaat mitsdien uit van de volgende vaststaande feiten:

(i) [appellant] verhuurt en verkoopt stalen rijplaten voor de bouw. Rijplaten van haar die zij verhuurt, voorziet zij van een logo met het opschrift 'vM'.

(ii) [geïntimeerde] houdt zich bezig met de verhuur van rijplaten aan ondernemingen in de bouw en de weg- en waterbouw.

(iii) [appellant] heeft vanaf maart 2006 rijplaten verhuurd aan Bouwbedrijf [naam bedrijf] B.V., hierna te noemen [betrokkene 1]. [betrokkene 1] heeft in opdracht van de stichting 'Stichting IJsselmeerziekenhuizen', hierna te noemen het ziekenhuis, rijplaten gebruikt voor de aanleg van een parkeerplaats.

(iv) Tot dusverre zijn er 98 rijplaten, hierna ook te noemen de litigieuze rijplaten, namens het ziekenhuis aan [geïntimeerde] vervreemd.

(v) Er is door [appellant] op 38 rijplaten onder huurders van [geïntimeerde] beslag gelegd. Op deze rijplaten was over het logo 'vM' het logo 'P' doorgebrand.

(vi) Een door [naam voorzitter], destijds voorzitter van de Raad van bestuur van het ziekenhuis, aan [betrokkene 1] gerichte brief d.d. 12 oktober 2007 vermeldt onder meer:

'Bij deze bevestig ik per brief de afspraken die gemaakt zijn voor het afvoeren van de rijplaten.

Op verzoek van de gemeente, en de aannemer [naam aannemer] worden de rijplaten groepsgewijs afgevoerd.

Vanuit de firma [naam aannemer] is de heer [naam] aanspreekpunt.

Er worden 100 rijplaten kosteloos beschikbaar gesteld aan het IJsselmeer Ziekenhuizen, Dit i.v.m. lange en hoge huurprijzen met weinig korting.

Per afvoeractie de datum en aantallen van de platen doorgeven aan het IJsselmeer Ziekenhuizen.

De overeenkomst/opdracht voor het leveren en aanbrengen rijplaten van de heer [naam ] vervalt per 1-12-2007.'

7. Voorts overweegt het hof omtrent de vaststaande feiten nog het volgende. [appellant] heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat het bij de litigieuze rijplaten gaat om door haar aan [betrokkene 1] verhuurde rijplaten, die [betrokkene 1] op haar beurt aan het ziekenhuis heeft (onder)verhuurd. [geïntimeerde] heeft zulks weliswaar betwist, maar het hof acht die betwisting onvoldoende, te meer nu [geïntimeerde] niets heeft gesteld waaruit zou voortvloeien dat de bij het ziekenhuis aanwezige, met het logo 'vM' gemerkte platen van elders afkomstig zouden zijn, zodat het hof ook zal uitgaan van de juistheid van die stelling.

8. Met grief I komt [appellant] tegen de vaststelling door de rechtbank van de vaststaande feiten door te betogen dat de rechtbank, kort gezegd, bij de feitenvaststelling in rechtsoverweging 2 van het beroepen vonnis onvolledig is geweest.

9. Het hof overweegt daaromtrent het volgende. Er is geen rechtsregel die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de aldus tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt.

De kern van het geschil

10. Het geschil tussen partijen spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of ten aanzien van de verkrijging van de litigieuze platen door [geïntimeerde] van het ziekenhuis sprake is van een verkrijging te goeder trouw, als bedoeld in art. 3:86 lid 1 BW, op welke bepaling door [geïntimeerde] een beroep is gedaan.

Met betrekking tot de grieven II tot en met VII:

11. Nu de grieven alle betrekking op die vraag, zal het hof deze gezamenlijk behandelen.

12. Het hof stelt voorop dat een verkrijger van een roerende zaak, niet registergoed, de bescherming van art. 3:86 lid1 BW tegen de beschikkingsonbevoegdheid slechts kan inroepen, indien voldaan is aan de volgende vereisten. Er moet sprake zijn van een geldige levering krachtens een geldige titel. Bovendien moet de verkrijger te goeder trouw zijn geweest op het tijdstip waarop het bezit over de zaak werd verschaft. Voorts moet de verkrijging anders dan om niet zijn geschied. Tenslotte moet de verkrijger, desgevraagd binnen een termijn van drie jaar, onverwijld de gegevens verschaffen die nodig zijn om degene van wie hij verkreeg terug te vinden, dan wel die hij daartoe ten tijde van zijn verkrijging voldoende mocht achten.

13. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is geweest van goede trouw van [geïntimeerde]. Bij dit oordeel heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

14. In de eerste plaats heeft [appellant] niet voldoende weersproken gesteld dat het in de branche, om welke het hier gaat, de verhuur van rijplaten, gebruikelijk is dat de verhuurder de aan hem in eigendom toebehorende rijplaten middels een eigen logo kenmerkt en dat in de branche de verschillende logo's van de bedrijven onderling bekend zijn. Bovendien heeft [appellant] onvoldoende weersproken gesteld dat sprake is van een landelijk strafrechtelijk onderzoek naar de diefstal van grote hoeveelheden rijplaten op meerdere plaatsen in Nederland. Voorts gaat het om een aanzienlijke hoeveelheid rijplaten die - al dan niet bevoegdelijk door [naam betrokkene] - namens het ziekenhuis aan [geïntimeerde] zijn vervreemd.

15. Onder die in rechtsoverweging 14 genoemde omstandigheden behoorde [geïntimeerde] een onderzoek in te stellen naar de bevoegdheid van het ziekenhuis. [geïntimeerde] heeft weliswaar niet voldoende weersproken gesteld dat hij een onderzoek heeft ingesteld naar de bevoegdheid van het ziekenhuis, maar dat onderzoek voldoet naar het oordeel van het hof niet aan de daaraan te stellen eisen. [geïntimeerde] heeft gesteld bedoeld onderzoek te hebben gedaan door raadpleging van bescheiden waaruit van de beschikkingsbevoegdheid van het ziekenhuis zou blijken, en doet te dezen een beroep op de in rechtsoverweging 6 onder (vi) vermelde brief.

16. Het hof constateert dat het bij die brief gaat om een van het ziekenhuis zelf in de persoon van de voorzitter van haar Raad van Bestuur aan [betrokkene 1] gerichte brief en niet om een brief van [betrokkene 1] - laat staan: van [appellant] - aan het ziekenhuis. Bovendien valt uit de brief niet zonder meer af te leiden dat [betrokkene 1] zou hebben beoogd het ziekenhuis de eigendom van de rijplaten te verschaffen. Evenzeer geeft de zin 'Er worden 100 rijplaten kosteloos beschikbaar gesteld aan het IJsselmeer Ziekenhuizen.' in verbinding met de zin 'Dit i.v.m. lange en hoge huurprijzen met weinig korting.' aanleiding tot de conclusie dat [betrokkene 1] de rijplaten voor een zekere tijd het ziekenhuis om niet ten gebruike laat in aansluiting op een lange periode waarin aan het ziekenhuis hoge huurprijzen in rekening zijn gebracht.

17. Nu niet aan het vereiste van de goede trouw van [geïntimeerde] is voldaan, moet het door [geïntimeerde] gedane beroep op art. 3:86 lid 1 BW worden verworpen. Het hof acht zich daarom ontslagen van de verplichting te onderzoeken of aan de overige vereisten van deze bepaling is voldaan.

18. De grieven zijn derhalve terecht opgeworpen, zodat het hof in verband met de devolutieve werking van het appel nog heeft te onderzoeken de juistheid van de door [geïntimeerde] bij wijze van verweer opgeworpen stelling dat hij eigenaar is geworden van de rijplaten omdat reeds het ziekenhuis de rijplaten op grond van art. 3:86 lid 1 BW in eigendom heeft verkregen.

19. Daargelaten dat een beroep door het ziekenhuis op art. 3:86 lid 1 BW zijdens [geïntimeerde] niet voldoende gemotiveerd is gesteld of anderszins is gebleken - integendeel: uit de brief d.d. 30 oktober 2009 van mr. N. van der Burg aan [geïntimeerde] (prod. 4 bij memorie van grieven) volgt veeleer dat het ziekenhuis een dergelijk beroep niet heeft gedaan of wenst te doen - kan dit verweer ook daarom niet slagen omdat [geïntimeerde] onvoldoende heeft gesteld om het oordeel te kunnen schragen dat ten aanzien van het ziekenhuis aan de voorwaarden voor toepassing van die bepaling is voldaan, te weten dat het ziekenhuis het bezit van de litigieuze rijplaten verschaft heeft gekregen krachtens een geldige titel die strekt tot overdracht, welke overdracht anders dan om niet is geschied en waarbij het ziekenhuis ten tijde van de bezitsverschaffing te goeder trouw was. Het beroep op de hiervoor in rechtsoverweging 6 onder (vi) genoemde, ook in dit opzicht dubbelzinnige brief van 12 oktober 2007 is daartoe onvoldoende.

20. De vordering van [appellant] als oorspronkelijk eiseres in conventie, als vermeld onder 2 in de hierboven onder het kopje 'Het geding in hoger beroep' weergegeven conclusie van de memorie van grieven acht het hof toewijsbaar voor wat de litigieuze rijplaten betreft. Bij toewijzing van de aldaar onder 1 vemelde vordering heeft [appellant] geen, althans onvoldoende belang wegens ontbreken van zelfstandige betekenis. De eveneens aldaar onder 3 vermelde vordering van [appellant] tot betaling van een schadevergoeding door [geïntimeerde] per af te geven plaat is naar het oordeel van het hof als onvoldoende weersproken toewijsbaar.

21. De grieven slagen derhalve grotendeels.

Met betrekking tot grief VIII:

22. De grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen verdere behandeling.

Met betrekking tot grief IX:

23. Deze grief is gericht tegen de toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] als oorspronkelijk eiser in reconventie.

24. Uit het hiervoor overwogene volgt dat deze vordering, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet toewijsbaar is.

25. Grief IX treft derhalve doel.

Met betrekking tot grief X:

26. De grief heeft betrekking op de in eerste aanleg zowel in conventie als in reconventie ten aanzien van de proceskosten uitgesproken compensatie. Het hof zal daaromtrent hierna onder het kopje 'De slotsom' beslissen.

De slotsom

27. Het beroepen vonnis dient te worden vernietigd, voor zover zowel in conventie als in reconventie gewezen. Opnieuw rechtdoende moeten de vorderingen van [appellant] als oorspronkelijk eiseres in conventie worden toegewezen in voege als in het dictum van dit arrest zal worden omschreven en de vordering van [geïntimeerde] als oorspronkelijk eiser in reconventie worden afgewezen.

28. [geïntimeerde] moet als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zowel in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie, waaronder die van het beslag, en in reconventie, als in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld. De kosten van het geding zullen voor wat het salaris voor de advocaat betreft worden berekend naar het liquidatietarief voor de rechtbanken respectievelijk de hoven (in eerste aanleg in conventie: tarief II, 3 pt. à € 452,-- in reconventie: tarief II: ½ x 1 pt. à € 452,--; in hoger beroep: tarief II, 3 pt. à € 894,--).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het beroepen vonnis, voor zover in de hoofdzaak zowel in conventie als in reconventie gewezen

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot afgifte van de litigieuze rijplaten binnen dertig dagen na betekening van het arrest, met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een dwangsom van € 500,-- per dag voor iedere dag dat hij na betekening van het arrest in gebreke zal zijn aan deze veroordeling tot afgifte te voldoen, tot een maximum van € 50.000,--;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 26,-- per af te geven rijplaat;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:

in eerste aanleg in conventie, waaronder de kosten van beslag, op € 1.648,48 aan verschotten en € 1.356,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat,

in eerste aanleg in reconventie op nihil aan verschotten en € 226,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat,

in hoger beroep op € 387,89 aan verschotten en € 2.682,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart de bovenstaande veroordelingen met uitzondering van de veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het beroepen vonnis voor het overige;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. W. Breemhaar, voorzitter, R.Ch. Verschuur en

F.M.J. Verstijlen, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 21 juni 2011 in bijzijn van de griffier.