Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ8726

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
200.070.764/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling vermogen bij samenleven zonder samenlevingsovereenkomst. Peildatum. Vergoedingsrecht in verband met door één van beiden in de gezamenlijke woning gedane investeringen. Gebruiksvergoeding woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2011/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 21 juni 2011

Zaaknummer 200.070.764/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[naam appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E. Leentjes, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[naam geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.B. Rietberg, kantoorhoudende te Groningen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 13 mei 2009 en 21 april 2010 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 19 juli 2010 is door de man hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 21 april 2010 met dagvaarding van de vrouw tegen de zitting van 27 juli 2010

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

"I. de vorderingen van geïntimeerde in conventie alsnog af te wijzen;

II. de vorderingen van appellant in reconventie toe te wijzen;

III. geïntimeerde te veroordelen om al hetgeen appellant ter uitvoering van het bestreden vonnis aan geïntimeerde heeft voldaan, aan appellant terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling.

IV geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten volgens het liquidatietarief, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen arrest, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening. "

De conclusie van de memorie van grieven tevens wijziging van eis luidt:

"Dat het uw Gerechtshof behage het vonnis van de rechtbank Groningen d.d. 21 april 2010 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. De (wijze van) verdeling vast te stellen aldus dat aan de man wordt toegedeeld: de woning aan de [adres] te [woonplaats], de beursspaarrekening, de effectenrekening en de Universal Life polis onder de verplichting de hypotheekschuld voor zijn rekening te nemen en onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld, alsmede de gezamenlijke bankrekening met nummer [rekeningnummer];

2. Te bepalen dat de man wegens overbedeling verschuldigd is aan de vrouw een bedrag van € 29.824,75;

3. Te bepalen dat partijen de kosten, die verband houden met de verdeling ieder voor de helft dienen te dragen;

4. De overige vorderingen in conventie en in reconventie af te wijzen."

Bij memorie van antwoord is door de vrouw verweer gevoerd met als conclusie:

"verzoekt het Gerechtshof te Leeuwarden het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen - zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden daarvan- en de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen dan wel deze af te wijzen, één en ander uitvoerbaar bij

voorraad. "

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten. De man heeft bij gelegenheid van het pleidooi de producties genummerd 13 tot en met 18b in het geding gebracht.

Ten slotte heeft de man de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

De man heeft zes grieven opgeworpen.

Ten pleidooie heeft de man grief IV ingetrokken, zodat deze grief geen behandeling meer behoeft.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van genoemd vonnis bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, aangevuld met enkele andere feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan.

1.1. Op 26 november 1999 hebben partijen, ieder voor de helft, een perceel bouwgrond aan de [adres] te [woonplaats] in eigendom gekregen voor een koopsom van ƒ 101.745,00 (met bijkomende kosten ƒ 105.248,08).

1.2. Partijen hebben op dit perceel ten behoeve van hun voorgenomen samenwoning een woning gebouwd, hierna te noemen: de woning.

1.3. Zij hebben acht jaar met elkaar - in deze woning - samengewoond zonder een samenlevingscontract te hebben gesloten en zijn medio november 2008 uit elkaar gegaan.

1.4. Tot de gemeenschappelijke vermogensbestanddelen van partijen behoorden verder een beursspaarrekening, een effectenrekening en een Universal Life polis.

1.5. Vanaf het moment dat partijen uit elkaar zijn gegaan, is de woning in gebruik bij de man met uitsluiting van de vrouw.

1.6. De woning is op 27 oktober 2008 getaxeerd op € 320.000,00. De WOZ-waarde van de woning bedroeg destijds € 331.000,00. De hypothecaire schuld bedraagt € 179.234,19.

1.7. Makelaardij [naam makelaar] heeft de waarde van de woning op 24 augustus 2010 getaxeerd op € 296.500,00.

1.8. Op 24 september 2010 is een akte verleden voor notaris [naam notaris] te Roden, waarbij partijen hebben verklaard ter uitvoering van de toedeling in het beroepen vonnis aan de man te hebben geleverd de woning, de bankrekening met nummer [rekeningnummer], de effectenrekening met nummer [rekeningnummer], de beursspaarrekening met nummer [rekeningnummer] en alle rechten voortvloeiende uit de Universal Life polis, onder de verplichting van de man om de hypotheekschuld voor zijn rekening te nemen alsmede:

"b. wegens overbedeling te vergoeden aan de deelgenote [betrokkene1] een bedrag van acht en zeventig duizend acht honderd vijftien euro (€ 78.815,00), in welk bedrag is begrepen de waarde van gemelde onroerende zaak (dat wil zeggen de getaxeerde waarde ad drie honderd twintig duizend euro (€ 320.000,00) verminderd met de (restant)hypotheekschuld van een honderd tachtig duizend (€ 180.000,00)) haar aandeel in de hiervoor onder B. tot en met E. gemelde rekeningen en polis alsmede een gebruiksvergoeding voor de woning berekend over de periode van vijftien november tweeduizend acht tot heden, een en ander conform het in gemeld vonnis onder 5.5 bepaalde.

(…)

Kwitantie

De betaling van gemelde vergoeding wegens overbedeling ten laste van de deelgenoot [betrokkene 2] en ten behoeve van de deelgenote [betrokkene1] heeft plaats gevonden door storting op een rekening ten name van Derdengelden Notarispraktijk [naam notaris].

(…)

Uitbetaling zal dan als volgt plaats vinden:

- een gedeelte groot dertig duizend euro (€ 30.000,00) zal worden overgemaakt naar een derdenrekening ten name van mevrouw mr. P.B. Rietberg te Groningen, advocaat van de deelgenote [betrokkene1];

- het restant groot acht en veertig duizend achthonderd vijftien euro

(€ 48.815,00), zal in depot worden gestort op een derdenrekening van mij, notaris; hieruit zal binnen zeven (7) dagen na de uitspraak in verband met een hoger beroepzaak aanhangig voor het Gerechtshof te Leeuwarden onder nummer 200.070.764/01 door mij, notaris, een ten behoeve van de deelgenote [betrokkene1] door de deelgenoot [betrokkene 2] te betalen bedrag worden voldaan, inclusief de over dat bedrag in depot vergoede rente. Indien er op grond van de uitspraak van het Gerechtshof een restant bedrag overblijft dan zal dat bedrag worden overgemaakt op een rekening van de deelgenoot [betrokkene 2] inclusief de daarover in depot vergoede rente, een en ander conform en onder de voorwaarden zoals opgenomen in een aan deze akte gehecht en ondertekend schrijven van de advocaten van de deelgenoten."

Het geschil en de procedure in eerste aanleg

2. De vrouw heeft de man gedagvaard voor de rechtbank en heeft gevorderd - zakelijk weergegeven - de vermogensbestanddelen te verdelen onder vaststelling van een aan de vrouw uit te keren bedrag wegens overbedeling c.q. verrekening van besparingen, alsmede de man te veroordelen tot het voldoen aan haar van een door de rechtbank te bepalen woonvergoeding, zijnde van 4 % van de overwaarde van de woning met ingang van 10 november 2008.

3. De man heeft in reconventie primair - zakelijk weergegeven - gevorderd de verdeling vast te stellen met een verklaring voor recht dat hij recht heeft op vergoeding groot € 68.875,39 wegens door hem in gemeenschappelijke zaken gedane investeringen en subsidiair gevorderd te bepalen dat de woning verkocht dient te worden.

4. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank - samengevat weergegeven - de verdeling tussen partijen aldus vastgesteld dat de woning wordt toegedeeld aan de man, tezamen met de daarbij behorende hypotheekschuld, de beursspaarrekening, de effectenrekening en de Universal Life polis en de man veroordeeld aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 73.653,39 wegens overbedeling en een gebruiksvergoeding van 4 % per jaar over een bedrag van € 70.378,40 over de periode vanaf 15 november 2008 tot aan de dag waarop het aandeel van de vrouw in de woning aan de man wordt geleverd. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat partijen elk gehouden zijn om de helft van de kosten, verbonden aan de uitvoering van deze verdeling, te voldoen.

De grieven

Afwijkend petitum

5. Het hof zal bij de beoordeling van het geschil uitgaan van het petitum zoals geformuleerd in de memorie van grieven, dat moet worden geacht een nadere precisering in te houden van het petitum in de appeldagvaarding.

Wijziging van eis

6. Het hof merkt op dat de man aan hem toegedeeld wil zien wat reeds bij het beroepen vonnis aan hem is toegedeeld, zodat het hof hierin geen grief leest.

7. Voor zover de man in hoger beroep heeft gevorderd te bepalen dat hij een bedrag van € 29.824,75 wegens overbedeling aan de vrouw verschuldigd is, is sprake van een vermindering van eis. Op grond van artikel 353 Rv in samenhang met artikel 129 Rv zal het hof op de aldus verminderde eis recht doen.

Nieuwe grief

8. Het hof leest, anders dan door de vrouw is betoogd, in de door de raadsvrouwe van de man ten tijde van het pleidooi in hoger beroep voorgedragen pleitaantekeningen geen nieuwe grieven. Het met jurisprudentie onderbouwen van een al ingenomen standpunt - de grieven II en III - wordt niet als een nieuwe feitelijke of juridische grondslag beschouwd die noopt tot een nieuwe beoordeling.

De grieven

9. Grief I richt zich tegen de waarde van de woning die de rechtbank heeft gehanteerd in verband met de verdeling. Blijkens de toelichting op deze grief klaagt de man erover dat de rechtbank voor de verdeling van de woning ten onrechte niet is uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling, maar van de waarde ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen. Volgens de man dient te worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de levering op 24 september 2010 aan hem, welke waarde is getaxeerd op € 296.500,00.

10. Over de in de verdeling te betrekken waarde van de woning oordeelt het hof als volgt.

11. Als peildatum voor de waardering van een tot een gemeenschap behorend goed geldt als hoofdregel de waarde ten tijde van de verdeling, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet gelden (onder meer HR 12 februari 1999, LJN: ZC2851).

12. De rechtbank heeft bij het beroepen vonnis de verdeling van de woning vastgesteld. Partijen hebben in hoger beroep deze toedeling van de woning aan de man niet aan de orde gesteld. In dat geval komt als peildatum de datum van het vonnis het meest in aanmerking, nu op die dag wordt vastgesteld wat aan een ieder toekomt (HR 22 september 2000, LJNL AA7205 en HR 23 november 2007, LJN:BB6176). De peildatum is aldus 21 april 2010. Dat de waarde van de woning door de economische crisis is gedaald, is onvoldoende reden om uit te gaan van een andere datum.

13. Het hof is van oordeel dat in dit geval de waarde van de woning op de datum van het vonnis - 21 april 2010 - in de verdeling dient te worden betrokken. De grief, die uitgaat van een andere peildatum, faalt.

14. Grief II klaagt erover dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de investeringen van de man in de woning niet voor vergoeding in aanmerking komen. Uit de toelichting op deze grief volgt dat de man aanspraak maakt op terugbetaling aan hem van de helft van het bedrag van de investeringen die hij heeft gedaan in de woning in de periode voordat partijen gingen samenwonen. Hij legt aan deze vordering ten grondslag dat hij een vergoedingsrecht heeft voor zover hij meer dan zijn aandeel (de helft) in de woning heeft geïnvesteerd. Daarnaast baseert hij zijn vordering op ongerechtvaardigde verrijking.

15. De vrouw heeft daartegen ingebracht dat sprake was van verstrengeling van vermogen en inkomen en dat om die reden de gemeenschappelijke goederen bij helfte dienen te worden verdeeld, zonder dat plaats is voor de door de man gestelde vergoeding aan hem. In haar conclusie van antwoord in reconventie heeft zij tevens betoogd dat partijen met elkaar leefden alsof er sprake was van gemeenschap van goederen, zodat de betalingen over en weer tegen elkaar kunnen worden weggestreept.

16. Het hof overweegt als volgt. Partijen hebben de woning gezamenlijk in eigendom verkregen. Deze woning vormde een eenvoudige gemeenschap in de zin van titel 7 van boek 3 BW. Op grond van artikel 3:166 lid 2 BW waren partijen ieder voor een gelijk aandeel in de woning gerechtigd, nu niet is gesteld of gebleken dat hun rechtsverhouding anders heeft meegebracht. De rechtsbetrekkingen tussen partijen - als deelgenoten - worden beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 lid 3 BW in samenhang met artikel 6:2 BW).

17. Hier is sprake van partijen die gedurende een periode van acht jaar ongehuwd, zonder samenlevingscontract, met elkaar hebben samengeleefd. Zij hebben een perceel grond in gezamenlijke eigendom verkregen en daarop een woning gebouwd, waarin zij voor het eerst zijn gaan samenwonen.

18. Geen grief is opgeworpen tegen het oordeel in rechtsoverweging 4.10 van het beroepen vonnis dat partijen voor wat betreft de betaling van de kosten van de gezamenlijke huishouding, waaronder de hypothecaire lasten, afspraken hebben gemaakt en dat achteraf niet gezegd kan worden dat dergelijke kosten door de één aan de ander moeten worden vergoed. Uit rechtsoverweging 4.9 van dit vonnis volgt dat deze overeenkomst tevens betrekking heeft gehad op de door de vrouw gestelde, door haar gedane betalingen van de roerende zaken, welke zaken reeds voorafgaand aan deze procedure in onderling overleg zijn verdeeld.

19. Uit de stellingen van beide partijen is het hof gebleken dat zij, naast deze aangenomen afspraken, hun beider vermogens tijdens de samenwoning in beginsel gescheiden hebben gehouden. Dit geldt ook voor de periode voorafgaand aan deze samenwoning, toen de woning werd gebouwd.

20. Ieder van partijen heeft zijn of haar eigen bankrekening(en) gehouden. Daarnaast hadden zij gezamenlijk de bankrekening met nummer [rekeningnummer], de effectenrekening met nummer [rekeningnummer], de beursspaarrekening met nummer [rekeningnummer] en de Universal Life polis, alle in het kader van de financiering van de woning.

21. Beide partijen weten precies aan te geven wie van hen welke - niet onder de genoemde afspraak vallende - betalingen heeft gedaan, alsmede welk bedrag zij uit hun vermogen aan de woning hebben besteed. Voor de man zijn dat de hier in het geding zijnde investeringen in de woning en voor de vrouw de door haar aangedragen betalingen aan de woning (schuur, zonnewering, schutting), het in 1997 en 1998 naar de bankrekening van de man overgemaakte totaalbedrag van ƒ 16.605,00, het eenmalig op 27 juli 2000 aan de hypotheekrente - op de genoemde gezamenlijke bankrekening - bijgedragen bedrag van ƒ 1.300,00, alsmede de op de bankrekening van de man binnengekomen belastingteruggaven voor de vrouw over 2005, 2006 en 2007.

22. Dat partijen met elkaar leefden als waren zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd, dan wel dat hun vermogens en inkomens verstrengeld zijn geraakt, is gezien het vorenstaande onvoldoende gesteld of gebleken.

23. Het hof acht het in dit geval dan ook redelijk en billijk dat indien één van partijen een bedrag heeft geïnvesteerd in de gemeenschappelijke goederen waarop deze procedure betrekking heeft, voor hem of haar in beginsel een vergoedingsrecht bestaat tot een gelijk bedrag als destijds is geïnvesteerd, zonder bijberekening van rente. Het hof heeft hierbij aanknoping gezocht bij de arresten van de Hoge Raad van 12 juni 1987 (LJN: AC2558) en van 10 januari 1992 (LJN: ZC0469).

24. De man heeft gesteld een bedrag van in totaal € 49.741,25 uit zijn eigen vermogen te hebben bijgedragen aan de bouw van de woning en heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van de helft van dit bedrag, ofwel € 24.870,63. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de posten waaruit dit bedrag is samengesteld, welke het hof één voor één zal behandelen.

25. Het hof constateert dat de vrouw in haar memorie van antwoord voor alle door de man gestelde betalingen van zijn de bankrekening heeft aangevoerd dat de rekening mede werd gevoed door de en/of rekening van partijen en/of de extra hypotheek en rente uit het depot en dat de bankrekeningen van partijen verstrengeld zijn geraakt.

26. Het hof verwijst ter zake van de door de vrouw gestelde verstrengeling naar hetgeen hiervoor is overwogen.

27. De stelling van de vrouw dat partijen ƒ 21,751,75 extra te besteden hadden in 2000 voor de verbouwing, in verband met de extra hypotheek van ƒ 15.000,00, het minderwerk groot ƒ 444,50 en de rente op het bouwdepot groot ƒ 6.307,50 volgt het hof niet.

28. Gebleken is dat de totale hypothecaire schuld van ƒ 395.000,00 is aangewend voor de aanneemsom van [betrokkene 3] groot ƒ 284.555,50 en de aankoop van de grond voor ƒ 105.249,08, samen groot ƒ389.804,58. Uit productie 5 bij de memorie van grieven volgt dat zowel de hypotheekrentebetaling als de door de vrouw bedoelde rentevergoeding via het bouwdepot liep. Uit niets blijkt dat partijen het door de vrouw gestelde extra bedrag van ƒ 6.307,25 te besteden hadden.

29. Het hof constateert dat de man de volgende betalingen van zijn privérekening met nummer [rekeningnummer], heeft aangetoond, middels de daarop betrekking hebbende facturen en bankafschriften, waaruit blijkt dat de factuurbedragen naar de verzender van de factuur zijn overgemaakt:

1. Keukenkompas ƒ 12.484,00

Keukenkompas ƒ 3.800,00

Keukenkompas ƒ 1.000,00

3. [naam bedrijf] ƒ 1.050,45

4. [naam bedrijf] ƒ 2.043,00

5. De Wrotters ƒ 5.811,25

De Wrotters ƒ 2.800,00

9. Arob Antennebouw ƒ 2.561,00

10. Mebatherm ƒ 7.219,03

14. [naam bedrijf] Hout B.V. ƒ 9.700,00

16. Installatietechnisch Handelsburo [naam bedrijf] ƒ 4.450,00

Installatietechnisch Handelsburo [naam bedrijf] ƒ 860,04

17. Essent Energie Noord N.V. ƒ 2.708,38

18. N.V. Waterbedrijf Groningen ƒ 954,00

19. KPN Telecom (entreegeld) ƒ 85,11

20. Gemeente [gemeente] (leges bouwvergunning) ƒ 1.876,55

21. de premie verzekering tijdens de bouw ƒ 1.178,25 en de posten 23 tot en met 28 (bestedingen bij [naam bedrijf]

Bouwmarkt, Bouwmarkt Surhuisterveen en Provak Drachten)

voor een totaalbedrag van ƒ 2.186,42

30. De man heeft ten aanzien van de factuur van [naam bedrijf] aan [naam bedrijf] van 20 oktober 2000 voor een bedrag van ƒ 3.678,22 inclusief BTW en ƒ 3.130,40 exclusief BTW (post 2) - waarop is vermeld dat het afleveradres was bij de man - een rekeningafschrift van zijn bankrekening overgelegd, waaruit een kasopname volgt van ƒ 4.000,00 op 18 augustus 2000. De man heeft gesteld deze bestelling via zijn werkgever - [naam bedrijf] - te hebben gedaan in verband met het BTW-voordeel en dat hij het bedrag reeds voor de factuur had opgenomen, omdat hij had verwacht dat hij meteen bij het geven van de opdracht contant moest betalen. Het opgenomen bedrag van ƒ 4.000,00 zou tevens zijn benut voor de betaling van de factuur van [naam bedrijf] aan [naam bedrijf] van 7 september 2000 groot ƒ 213,50 inclusief BTW, ƒ 181,70 exclusief BTW (post 6).

31. De vrouw heeft betwist dat deze opname iets van doen heeft gehad met de facturen, die van latere datum zijn.

32. Het hof concludeert dat de vrouw daarmee niet heeft betwist dat de door [naam bedrijf] en [naam bedrijf] gefactureerde materialen ten behoeve van de woning zijn geleverd. Aangenomen mag worden dat [naam bedrijf] en [naam bedrijf] daarvoor een factuur hebben gezonden. De vrouw heeft niet betoogd dat de man deze facturen in het geheel niet heeft betaald, maar heeft betwist dat dit met deze opname zou zijn gedaan. Onvoldoende gesteld of gebleken is ook dat deze betaling van de bankrekening van de vrouw, dan wel van de genoemde gezamenlijke bankrekening afkomstig is geweest. Het hof zal daarom bij gebrek aan een deugdelijke betwisting in aanmerking nemen dat de man deze betalingen van de bedragen exclusief BTW, zijnde ƒ 3.130,40 en ƒ 181,70, heeft verricht.

33. Post 3 heeft deels betrekking op zwart uitgevoerde (graaf)werkzaamheden voor een bedrag van ƒ 1.496,00. De man heeft een handgeschreven, ongedateerde, rekening overgelegd, waarop niet is vermeld van wie deze afkomstig is. Volgens de man heeft hij dit bedrag, kennelijk aan het loonbedrijf [naam bedrijf], voldaan met het door hem op 1 november 2000 van zijn bankrekening opgenomen bedrag groot ƒ 1.600,00.

34. De vrouw heeft betwist dat sprake zou zijn van een werkelijk bestaande vordering.

35. Het hof overweegt dat de vrouw niet heeft betwist dat deze graafwerkzaamheden zijn verricht. Volgens de overgelegde handgeschreven rekening zijn deze werkzaamheden in de periode direct voorafgaand aan de kasopname op 1 november 2000 verricht. In die rekening is vermeld dat voor 4 uren een factuur zal volgen. Daarvan blijkt uit de onder post 3 overgelegde factuur van loonbedrijf [naam bedrijf] van 25 november 2000 groot ƒ 1.050,45. Al met al acht het hof de betaling door de man van dit bedrag daarmee voorshands voldoende aangetoond.

36. Ten aanzien van de facturen van Casalux (groot ƒ 15.000,00 en ƒ 7.500,00 (post 7) en van de Groninger Mortelcentrale groot ƒ 979,95 (post 8) overweegt het hof dat uit de gang van zaken, namelijk opname van (nagenoeg) hetzelfde bedrag op de dag van de factuur, waarbij op de eerste factuur van Casalux overigens ook is vermeld dat deze op de factuurdatum is voldaan, die verrichte betalingen door de man voorshands genoegzaam zijn gebleken.

37. De (contante) betaling van het door de man aangevoerde bedrag groot ƒ 900,00 (post 9) aan een kennis, werkzaam bij Arob Antennebouw, voor het installeren van de schotel, door middel van de door hem van zijn bankrekening opgenomen bedragen, te weten tweemaal een bedrag van ƒ 500,00 op 26 maart 2001 respectievelijk 27 maart 2001, is niet door de vrouw betwist, zodat het hof daarvan zal uitgaan.

38. De man heeft een factuur van zijn vader, J. [betrokkene 2], voor een bedrag van ƒ 8.775,00 (post 11) overgelegd. Tevens heeft de man twee urenoverzichten overgelegd die betrekking hebben op de bouw van de woning en de aanleg van de tuin in de periode vanaf 10 juli 2000 tot en met 26 april 2001. Uit de bankafschriften van de man blijkt van de betaling aan J. [betrokkene 2] van dit bedrag op 18 mei 2001 onder vermelding van "kosten bouw huis". Daarmee acht het hof voorshands voldoende aangetoond dat de man dit bedrag in het kader van de bouw van de woning aan zijn vader heeft betaald.

39. Ten aanzien van de factuur van [naam bedrijf] van januari 2000 van in totaal ƒ 1.000,00 (post 12), die volgens de man is betaald met het door hem op 29 december 2000 opgenomen bedrag van ƒ 1.000,00, heeft de vrouw in haar conclusie van antwoord in reconventie aangevoerd dat deze factuur geen briefhoofd en geen KvK-nummer vermeldt en dat deze voor de procedure is gemaakt.

40. Het hof overweegt dat de vrouw niet heeft betwist dat de schelpen zijn geleverd en dat aangenomen mag worden dat [naam bedrijf] dit in rekening heeft gebracht. Verder heeft de vrouw niet betwist dat de man het opgenomen bedrag benut heeft voor betaling van de geleverde schelpen. Het hof zal bij gebrek aan deugdelijke betwisting in aanmerking nemen dat de man deze betaling van zijn bankrekening heeft gedaan.

41. De man heeft gesteld dat hij met het op 18 augustus 2000 opgenomen bedrag van ƒ 4.000,00 tevens een deel van de factuur van zijn familielid [familielid] van augustus 2000 groot ƒ 1.925,00 (post 13) heeft voldaan. Deze factuur heeft hij gesteld voor het overige te hebben betaald met de opname van zijn bankrekening van een bedrag van ƒ 500,00 op 21 juli 2000, van ƒ 400,00 op 11 augustus 2000 en van ƒ 500,00 op 14 augustus 2000.

42. De vrouw heeft aangevoerd dat geen officiële rekening voorhanden is, dat zij deze factuur niet eerder heeft gezien en dat deze door de man zelf is bedacht.

43. Daarop heeft de man tijdens het pleidooi in hoger beroep verklaard dat deze werkzaamheden zwart zijn uitgevoerd.

44. Het hof overweegt dat de vrouw niet heeft betwist dat de neef werkzaamheden in het kader van de bouw van de woning heeft verricht. Gezien de door de man geleverde stukken acht het hof voorshands bewezen dat de man het door hem gestelde bedrag groot ƒ 1.925,00 aan zijn neef heeft voldaan.

45. De man heeft gesteld dat zijn vader verf heeft gehaald bij Verfgroothandel Olijslager Groningen (post 15) en dat hij het bedrag van deze rekening groot ƒ 959,75 heeft voorgeschoten, waarna de man dit bedrag van het op 28 juli 2000 opgenomen bedrag groot ƒ 16.000,00 aan de vader heeft terugbetaald.

46. De vrouw heeft betwist dat de vader van de man verf heeft gehaald. Tevens heeft zij aangevoerd dat deze factuur geen briefhoofd en geen KvK-nummer vermeldt en dat deze voor de procedure is gemaakt.

47. De betaling door de man van het bedrag van deze factuur van Verfgroothandel Olijslager Groningen aan zijn vader is, aangezien op die factuur een logo van deze verfhandel ontbreekt, en de gestelde contante betaling uit het opgenomen bedrag van ƒ 16.000,00, nog onvoldoende komen vast te staan. De betaling van deze factuur door de vader aan de Verfgroothandel is evenmin aangetoond. Op de man rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast van de gestelde betaling aan zijn vader. Het door de man aangeboden bewijs van de werkzaamheden van zijn vader in de woning ziet naar het hof begrijpt op voornoemde factuur van de vader van de man groot ƒ 8.775,00 en niet op de door de vader van de man voor de zoon gehaalde, en voorgeschoten verf. Daarmee is deze betaling niet komen vast te staan, en evenmin vatbaar voor nadere bewijsvoering.

48. De man heeft tot slot een bedrag van ƒ 5.000,00 gevorderd wegens door hem in en rond het huis verrichte werkzaamheden. Volgens de man is de vrouw verrijkt doordat zij kosten heeft bespaard, nu deze werkzaamheden niet door een aannemer zijn uitgevoerd en is hij verarmd doordat hij zijn tijd niet anders heeft kunnen besteden en zijn fysieke investering voor de helft ten goede komt aan de vrouw.

49. Voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) is vereist dat sprake is van enerzijds verarming en anderzijds verrijking. De vordering van de man ziet op het alsnog belonen van de door hemzelf verrichte werkzaamheden. Niet gesteld of gebleken is dat de man werkelijk door zijn werkzaamheden is verarmd, doordat hij inkomen heeft gederfd of doordat hij bij inzet van zijn werkzaamheden elders (meer) inkomsten had kunnen genereren. Dat de man zijn tijd niet anders heeft kunnen invullen is daarvoor onvoldoende. Reeds om die reden acht het hof geen plaats voor het toekennen van de door de man gevorderde vergoeding.

50. Het hof overweegt dat voor zover de vrouw de door de man gestelde betalingen heeft betwist en het hof deze betalingen in het voorgaande aannemelijk heeft geacht, er geen ruimte is voor tegenbewijs, nu de vrouw geen tegenbewijs heeft aangeboden en er onvoldoende grond is om de vrouw daartoe ambtshalve in de gelegenheid te stellen. Het hof zal al die betalingen bij de vaststelling van de gelden die de man ten behoeve van het huis heeft uitgegeven meenemen.

51. Per saldo is daarmee komen vast te staan dat de man een bedrag van ƒ 103.655,53 ofwel € 47.036,83 heeft geïnvesteerd in de woning.

52. Voor wat betreft de door de vrouw - volgens de man tijdens de samenwoning - gedane investeringen in de woning heeft de man erkend dat het daarbij gaat om een bedrag van € 4.835,00 (Memorie van Grieven onder 15 en 16), zodat het hof daarvan uit zal gaan.

53. Per saldo resteert daarmee een vordering voor de man van de helft van € 47.036,83 -/- € 4.835,00, ofwel € 42.201,83, maakt € 21.100,92.

54. De grief slaagt in zoverre.

55. Grief III richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de inleg van de man in de beursspaarrekening en de Universal Life Polis niet voor verrekening in aanmerking komt.

56. Het hof oordeelt dat ook hier geldt dat partijen in beginsel een vordering hebben voor het nominale bedrag van hun inleg in de op beider naam staande beursspaarrekening en Universal Life Polis, voor zover die inleg groter is dan hun aandeel daarin (de helft).

57. Geen grief is opgeworpen tegen de overweging in rechtsoverweging 4.4. van het beroepen vonnis dat dient te worden uitgegaan van de door de vrouw genoemde waarde van de aan de hypotheek gekoppelde beursspaarrekening en van de Universal Life Polis, van € 2.059,48 respectievelijk € 1.561,69.

58. De man heeft aangevoerd dat hij op de aan de hypotheek gekoppelde beursspaarrekening een bedrag van € 14.168,55 heeft ingelegd. De vrouw heeft daar tegenin gebracht dat het in de jaren 1997 en 1998 door haar op de rekening van de man overgeboekte totaalbedrag van ƒ 16.605,00 voor die inleg is gebruikt.

59. Met de als productie 12 bij memorie van grieven overgelegde afschriften acht het hof aangetoond dat de man een bedrag aan effecten uit zijn eigen depot heeft gelicht en heeft overgebracht naar het gezamenlijke effectendepot. Het hof constateert dat op de - als productie 12 bij memorie van grieven overgelegde - waardestaat van dit effectendepot van 1 januari 2000, dat is verstrekt door de Spaar en Voorschotbank, met pen is aangegeven dat het gaat om een bedrag van 14.168,55 in euro's. Dit terwijl deze waardestaat stamt uit de periode voor de invoering op 1 januari 2002 van de euro. Op de tevens overgelegde bankafschriften is niet vermeld of de bedragen in euro's of in guldens zijn. Op de jaaropgave lening 2000 van 11 januari 2001 van dezelfde bank zijn de bedragen echter in guldens opgenomen. Het hof acht op grond van het vorenstaande aannemelijk dat de waardestaat in guldens is geweest en neemt aan dat de man een bedrag van ƒ 14.168,55 in het effectendepot heeft ingelegd.

60. Tussen partijen is niet in discussie dat de vrouw in 1997 en in 1998 in totaal een bedrag van ƒ 16.605,00 heeft overgemaakt naar de rekening van de man. Dit bedrag is volgens de man niet benut voor de inleg in het effectendepot, maar is door partijen besteed aan een op naam van de man geregistreerde auto, Citroën Xsara, die in 2002 is ingeruild voor een andere auto.

61. Nu voor beide partijen vast staat dat zij de door hen gestelde bedragen vooruitlopend op de samenwoning hebben besteed, ziet het hof geen aanleiding om afhankelijk van de vraag of het bedrag is ingelegd in het effectendepot, dan wel in de genoemde auto, uitsluitend aan één van beiden het door hem of haar gestelde vergoedingsrecht toe te kennen.

62. Het hof is van oordeel dat de tussen partijen geldende eisen van redelijkheid en billijkheid dan ook met zich brengen dat de waarde van de aan de hypotheek gekoppelde beurspaarrekening zonder enige verrekening, bij helfte tussen partijen wordt verdeeld.

63. De grief is ten aanzien van de beursspaarrekening daarmee tevergeefs opgeworpen.

64. Voor wat betreft de Universal Life Polis is niet in discussie dat de man gedurende de samenwoning de premies, in totaal 112 maanden x € 45,38 ofwel € 5.082,56, heeft betaald. De vrouw heeft gesteld dat dit was op basis van een stilzwijgende afspraak, naar het hof begrijpt zoals deze is aangenomen in rechtsoverweging 4.10 van het beroepen vonnis. Deze premies zijn echter bedoeld om te komen tot vermogensopbouw, en vormen geen kosten van de huishouding, waarop deze afspraak betrekking heeft. Gezien de omstandigheid dat de door de man betaalde premies uiteindelijk hebben geresulteerd in een polis met een waarde van

€ 1.561,69 acht het hof het redelijk dat de vordering van de man wordt beperkt tot dit bedrag. Met de toedeling van deze polis aan de man heeft de man ter zake geen bedrag meer van de vrouw te vorderen.

65. De grief treft daarmee ten aanzien van de Universal Life Polis doel.

66. Grief V richt zich tegen het bedrag van de overbedeling zoals de rechtbank dat heeft berekend. Het bedrag van de overbedeling vloeit voort uit de beoordeling van de grieven I, II en III en behoeft in zoverre geen afzonderlijke bespreking.

67. Het hof oordeelt dat op grond van het vorenstaande de aan de vrouw in het kader van de verdeling te betalen bedrag aldus is opgebouwd:

Waarde van de woning € 320.000,00

Saldo beursspaarrekening € 2.059,90

Saldo effectenrekening € 2.928,90

Universal Life Polis p.m.

Hypotheekschuld -/- € 179.243,19

€ 145.745,61

Waartoe partijen ieder voor de helft,

gerechtigd zijn, ofwel € 72.872,81

68. Op dit bedrag van € 72.872,81 komt in mindering de genoemde vordering (per saldo) voor de helft van de door de man in de woning gedane investeringen van € 21.100,92. De man dient in het kader van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen en ter zake het door de man voor zijn rekening nemen van de hypotheekschuld daarmee een bedrag van € 51.771,89 aan de vrouw te voldoen.

69. Grief VI klaagt over de toekenning van een gebruiksvergoeding van 4 % van de overwaarde van de woning wegens het alleengebruik door de man. Uit de toelichting op deze grief blijkt dat het feit dat de man zowel tijdens als na de samenwoning alle hypothecaire lasten en eigenaarslasten van de woning voor zijn rekening heeft genomen, en dat de vrouw na de verbreking van de samenwoning geen woonlasten heeft gehad omdat zij bij haar ouders woonde, er volgens de man toe dient te leiden dat in dit geval de gebruikersvergoeding op nihil wordt gesteld. Daarnaast heeft de man aangevoerd te hebben getracht in onderling overleg met de vrouw tot verdeling te komen, totdat hij tegen zijn wil werd gedagvaard en dat de procedure ten overstaan van de rechtbank vervolgens erg lang heeft geduurd. Hij vindt het niet redelijk de gevolgen daarvan op hem te wentelen. Voor zover er een gebruiksvergoeding verschuldigd is geweest, is dit geweest tot de datum van levering op 24 september 2010 en dient de waarde op dat moment, € 296.500,00, als uitgangspunt te gelden, aldus nog steeds de man.

70. De vrouw heeft betwist dat het geheel en al aan haar te wijten is geweest dat de verdeling niet in een eerder stadium (in onderling overleg) tot stand is gekomen. Zij houdt vast aan een gebruiksvergoeding van 4 % over de helft van de overwaarde tot aan de dag dat de man de overwaarde aan de vrouw heeft doen toekomen. Daarbij dient volgens haar te worden uitgegaan van de uit de akte van verdeling volgende waarde van € 320.000,00.

71. Het hof stelt voorop dat art. 3:169 BW mede tot strekking heeft de deelgenoot die een tot een gemeenschap behorend goed met uitsluiting van andere deelgenoten gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus niet het gebruik en genot heeft waarop hij uit hoofde van zijn hoedanigheid van deelgenoot recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding (HR 22 december 2000, LJN: AA9143, NJ 2001, 59). Bij het vorenstaande dienen de redelijkheid en billijkheid, die de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten in de gemeenschap in gevolge art. 3:166 lid 3 BW beheersen, tot maatstaf (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 587). Hierin ligt besloten dat rekening dient te worden gehouden met de omstandigheden van het geval.

72. Aangezien de vrouw vanaf de dag van het verbreken van de samenwoning, anders dan de man, niet het genot en het gebruik van de gemeenschappelijke woning heeft gehad, acht het hof plaats voor een gebruiksvergoeding door de man aan de vrouw.

73. De man heeft geen grief opgeworpen tegen de overweging dat deze gebruiksvergoeding bij wijze van beginsel wordt bepaald op 4 % van het aandeel van de vrouw in de overwaarde. Het hof zal dit dan ook als uitgangspunt nemen.

74. Voor wat betreft de gebruiksvergoeding dient, overeenkomstig hetgeen is overwogen over grief I, te worden uitgegaan van de waarde ten tijde van het beroepen vonnis, zijnde € 320.000,00. Deze vergoeding komt daarmee op 4 % van de helft van € 320.000,00 -/- de hypotheekschuld € 179.234,19, ofwel € 2.815,32 per jaar, zijnde € 234,61 per maand.

75. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat het slechts aan haar zou zijn te wijten dat de woning niet eerder aan de man is toegedeeld, hetgeen tot gevolg heeft dat de man over een langere periode aan haar een gebruiksvergoeding heeft te voldoen. Het hof acht dit, gezien de in eerste aanleg en in appel naar voren gekomen geschilpunten, ook niet aannemelijk.

76. Dat de vrouw sinds de verbreking van de samenwoning geen woonlasten heeft gehad, heeft zij betwist. Ook indien dit zou komen vast te staan betekent dit niet dat de vrouw geen aanspraak zou kunnen maken op de genoemde gebruiksvergoeding.

77. De man heeft de (netto) hypothecaire lasten en overige lasten en kosten die hij sinds de verbreking van de samenwoning voor zijn rekening heeft genomen, niet gespecificeerd. Daarmee heeft hij onvoldoende onderbouwd dat deze lasten zodanig hoog zijn dat het niet redelijk zou zijn dat de hiervoor berekende gebruiksvergoeding aan de vrouw wordt toegekend.

78. De grief faalt.

De slotsom

79. Het vonnis waarvan beroep zal voor wat betreft de onder 5.4 van het dictum genomen beslissing worden vernietigd en zal voor het overige worden bekrachtigd. Opnieuw rechtdoende zal het hof de man veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 51.771,89, uiterlijk te voldoen op 21 juli 2010.

80. Omdat partijen gewezen echtelieden zijn en de onderhavige procedure daaruit voortvloeit, ziet het hof aanleiding om de kosten van het geding ook in hoger beroep te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor wat betreft het dictum onder 5.4,

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man wegens overbedeling tot betaling aan de vrouw van € 51.771,89, uiterlijk te voldoen op 21 juli 2010,

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige,

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep zal dragen,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, voorzitter, R.E. Weening en

P. Roorda en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 21 juni 2011 in bijzijn van de griffier.