Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ8036

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
24-003002-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van rijden onder invloed - 1075 mg/l uitgeademde lucht - veroordeeld tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegd voor de duur van achtttien maanden. Daarnaast is verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 dagen, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis. Het hof heeft is zijn oordeel meegenomen dat verdachte voor zijn werk afhankelijk is van zijn rijbewijs en first offender is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-003002-10

Uitspraak d.d.: 15 juni 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 15 december 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 juni 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het aan hem ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. W. Boonstra, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 20 september 2009 te [plaats] als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 1075 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 september 2009 te [plaats] als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 1075 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij - als beginnend bestuurder - een auto heeft bestuurd terwijl hij verkeerde onder invloed van alcohol. Het alcoholgehalte in zijn adem bedroeg maar liefst 1075 microgram per liter uitgeademde lucht, hetgeen wijst op inname van grote hoeveelheden alcoholhoudende drank. Verdachte heeft door zich aldus te gedragen de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.

Gelet op deze omstandigheden zou blijkens de daarvoor geldende richtlijnen aan verdachte, naast een taakstraf, een onvoorwaardelijke ontzegging voor de duur van 12 maanden dienen te worden opgelegd.

Verdachte heeft aangegeven dat het door hem ingestelde hoger beroep is gericht tegen de opgelegde onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Verdachte heeft aangevoerd dat een onvoorwaardelijke ontzegging hem te zwaar zou treffen gelet op het feit dat een rijbewijs noodzakelijk is voor zijn werk als installateur in de storingsdienst. Verdachtes baas heeft laten weten, aldus verdachte, dat verdachte zijn baan kwijtraakt indien de ontzegging onvoorwaardelijk zal worden opgelegd.

Gelet op het feit dat verdachte kan worden beschouwd als first offender en gelet op het feit dat verdachte zijn baan zal verliezen indien de ontzegging onvoorwaardelijk zal worden opgelegd is het hof van oordeel dat met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur in combinatie met een hogere werkstraf dan volgens de geldende richtlijn bij het gemeten ademalcoholgehalte gebruikelijk is, kan worden volstaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte terzake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. S. Zwerwer, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. G.M. Meijer-Campfens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Schulte, griffier,

en op 15 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.