Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ8022

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
24-002812-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

diefstal door twee of meer verenigde personen.

De ernst van de bewezen verklaarde delicten, met name van de bewezen verklaarde brandstichting, maken dat hier naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met de door de raadsman bepleite oplegging van een combinatie van onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf, nu die combinatie van straffen onvoldoende recht zou doen aan deze strafzaak.

Het hof is uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van de door de verdachte begane strafbare feiten van oordeel dat de strafsoort die door de rechtbank is opgelegd en die eveneens is gevorderd door de advocaat-generaal, passend en noodzakelijk is. Het hof zal een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte opleggen. Het voorwaardelijke strafdeel dient als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat de verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002812-10

Uitspraak d.d.: 14 juni 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Assen van

16 november 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1978],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 mei 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 3 aan hem ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. H.W. Knottenbelt, is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hof zal het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 22 juni 2010 tot en met 23 juni 2010, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit vanaf het terrein van [bedrijf] aan [straat] weg te nemen een personenauto, merk Opel, type Vectra, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die personenauto te verschaffen en/of die/dat weg te nemen personenauto onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, een of meer slot/sloten van die personenauto heeft geforceerd/vernield en/of een sleepoog aan die auto heeft bevestigd en/of een auto ter plaatse heeft gebracht, die de weg te nemen auto zou (weg)slepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 24 juni 2010, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een personenauto (merk: Opel), staande in een garagebedrijf aan [straat], immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een brandbare vloeistof in (de kofferbak van) die personenauto gegoten/gesprenkeld en/of vervolgens aangestoken, in elk geval (open) vuur in aanraking gebracht met die personenauto, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die personenauto geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het pand, waarin die auto zich bevond en de inventaris van dat pand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

[medeverdachte] op of omstreeks 24 juni 2010, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een personenauto (merk: Opel), staande in een garagebedrijf aan [straat], immers heeft genoemde [medeverdachte] toen aldaar opzettelijk een brandbare vloeistof in (de kofferbak van) die personenauto gegoten/gesprenkeld en/of vervolgens (die vloeistof) aangestoken, in elk geval (open) vuur in aanraking gebracht met die personenauto, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die personenauto geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het pand, waarin die auto zich bevond en de inventaris van dat pand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was, bij het plegen van welk feit hij, verdachte op of omstreeks 24 juni 2010, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], opzettelijk behulpzaam is geweest door het vervoeren van die [medeverdachte] naar het garagebedrijf aan [straat] en/of het openbreken/openmaken van het pand van genoemd garagebedrijf en/of door het openen van de kofferbak van die personenauto;

3.

hij in of omstreeks de periode van 21 juni 2010 tot en met 24 juni 2010, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een personenauto (merk: BMW), staande/geparkeerd op het terrein van [bedrijf], heeft weggenomen een rijbewijs en/of een paspoort en/of een tankpas en/of een accuboormachine, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die auto heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 primair aan hem ten laste gelegde (medeplegen van brandstichting) en dat slechts sprake is van medeplichtigheid van de verdachte aan die brandstichting (hetgeen onder 2 subsidiair is ten laste gelegd).

De raadsman heeft in dit kader aangevoerd dat de verdachte uitsluitend voorbereidingshandelingen, als opgenomen in het onder 2 subsidiair ten laste gelegde, heeft verricht en geen feitelijke handelingen, als opgenomen in het onder 2 primair ten laste gelegde. Voorts is aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit angst voor de medeverdachte [medeverdachte] en dat die medeverdachte [medeverdachte] een zodanig leidende en prominente rol in het geheel heeft gehad, dat in het geheel geen sprake is geweest van een gelijk-waardige rol van beiden in het geheel.

Het hof overweegt hierover het volgende.

De verdachte heeft zowel tegenover de politie als ter terechtzitting van het hof het volgende erkend. Hij heeft, voorafgaande aan de brandstichting, overleg gehad met de mededader [medeverdachte]. De inhoud van dat overleg betrof het plan om de Opel Vectra in de brand te steken, zodat vingerafdrukken of andere sporen, die eerder door de mededader van de verdachte en eventueel door hem zelf waren achtergelaten op die auto, zouden verdwijnen.

Bij de verdachte thuis is hiertoe vervolgens een jerrycan gepakt en gevuld met benzine en andere brandbare stoffen, waarna de verdachte en de mededader [medeverdachte] in een auto naar de plaats van het delict zijn gereden. Aangekomen bij het garagebedrijf in [plaats] heeft de verdachte vervolgens een aantal handelingen verricht. Hij heeft met een steen een ruit ingegooid, is door die opening naar binnen geklommen, heeft van binnenuit de roldeur van het garagebedrijf geopend en heeft de kofferbak van de bewuste auto geopend.

De verdachte heeft hiermee zowel deel genomen aan de voorbereiding van de brandstichting als bijdragen geleverd aan de uitvoering daarvan, waaronder het binnendringen van het garagebedrijf, hetgeen een wezenlijk onderdeel vormde van het voorgenomen plan tot brandstichting.

De hiervoor omschreven betrokkenheid van de verdachte bij het maken van het plan en bij de uitvoering daarvan is van zodanige aard, dat er naar het oordeel van het hof sprake is geweest van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen de verdachte en de mededader [medeverdachte].

Het moge zo zijn dat de verdachte, als gevolg van de kennelijk dominante houding van de medeverdachte [medeverdachte] naar hem toe, zich niet geheel vrij heeft gevoeld om al dan niet zijn aandeel te leveren in de brandstichting. Niet gebleken of aannemelijk geworden is echter dat de verdachte in het geheel geen gedragsalternatieven ter beschikking stonden.

Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de onder 2 ten laste gelegde brandstichting.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 primair en

3 aan hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 22 juni 2010 tot en met 23 juni 2010 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf het terrein van [bedrijf] aan [straat] weg te nemen een personenauto, merk Opel, type Vectra, toebehorende aan [slachtoffer 1], en daarbij die weg te nemen personenauto onder hun bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededader een slot van die personenauto heeft geforceerd en een sleepoog aan die auto heeft bevestigd en een auto ter plaatse heeft gebracht, die de weg te nemen auto zou wegslepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair:

hij op 24 juni 2010 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in een personenauto (merk: Opel), staande in een garagebedrijf aan [straat], immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk een brandbare vloeistof in de kofferbak van die personenauto gegoten/gesprenkeld en vervolgens aangestoken, ten gevolge waarvan die personenauto gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het pand, waarin die auto zich bevond en de inventaris van dat pand te duchten was;

3.

hij in de periode van 21 juni 2010 tot en met 24 juni 2010 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto (merk: BMW), geparkeerd op het terrein van [bedrijf], heeft weggenomen een rijbewijs en een paspoort en een tankpas en een accuboormachine, toebehorende aan [slachtoffer 2].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Over de persoon van de verdachte is op 4 oktober 2010 gerapporteerd door

[deskundige], GZ-psycholoog. [deskundige] heeft, zakelijk weergegeven, geconcludeerd dat er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens ten tijde van het aan hem ten laste gelegde, zij het dat de anti-sociale trekken in de persoonlijkheid van de verdachte evenwel niet voldoen aan de criteria van een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis. [deskundige] heeft voorts geconcludeerd dat de verdachte dientengevolge licht verminderd toerekeningsvatbaar is te achten voor het aan hem ten laste gelegde.

Het hof is op grond van de inhoud van dat rapport van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde delict de verdachte in licht verminderde mate kan worden toegerekend.

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten en de omstandigheden waaronder die delicten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich, samen met zijn mededader, schuldig gemaakt aan het plegen van diefstal en een poging daartoe. Dergelijke vermogenscriminaliteit is ergerlijk omdat dat hinder, schade en ergernis veroorzaakt voor de gedupeerden. De verdachte heeft enkel en alleen gehandeld vanuit het oogpunt van financieel gewin en zich van deze mogelijke gevolgen geen rekenschap gegeven. De verdachte heeft door zijn handelen er blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander.

Daarnaast heeft de verdachte zich, samen met zijn mededader, schuldig gemaakt aan brandstichting van een in een garagebedrijf geparkeerd staande auto. Door deze brandstichting is niet alleen materiële schade ontstaan, maar is er ook direct gevaar geweest voor dat garagebedrijf en de zich in dat bedrijf bevindende inventaris. De verdachte heeft aldus met deze brandstichting een gevaarlijke situatie gecreëerd, waarbij ergere gevolgen - voor goederen - slechts voorkomen zijn door het optreden van anderen. De verdachte heeft zich geen enkele rekenschap gegeven van deze gevaren, nu hij na het plegen van het delict is weggegaan en geen enkele maatregel heeft genomen om de gevolgen van zijn daad te beperken.

Het hof houdt bij de strafoplegging voorts rekening met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 april 2011, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van een poging tot diefstal, zij het niet recent (in 1993). Daarnaast is de verdachte veroordeeld ter zake van twee andersoortige delicten.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport van de Reclassering Nederland te Assen van

21 oktober 2010 en uit het rapport van [deskundige] voornoemd van 4 oktober 2010 is gebleken, en zoals daarvan overigens ter terechtzitting is gebleken. Hieruit blijkt dat er geen bijzondere zorgen zijn ten aanzien van de verdachte, zij het dat een uitzondering lijkt te worden gemaakt op het punt van zijn persoonlijkheid, welke maakt dat hij af en toe op de grens van het maatschappelijk geaccepteerde zal functioneren.

Voorts heeft het hof bij de strafoplegging in aanmerking genomen de hiervoor genoemde conclusie van de gedragsdeskundige dat de ten laste gelegde delicten aan de verdachte slechts in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De ernst van de bewezen verklaarde delicten, met name van de onder 2 bewezen verklaarde brandstichting, maken dat hier naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met de door de raadsman bepleite oplegging van een combinatie van onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf, nu die combinatie van straffen onvoldoende recht zou doen aan deze strafzaak.

Het hof is op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van de door de verdachte begane strafbare feiten van oordeel dat de strafsoort die door de rechtbank is opgelegd en die eveneens is gevorderd door de advocaat-generaal, passend en noodzakelijk is. Het hof zal een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte opleggen. Het voorwaardelijke strafdeel dient als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat de verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 57, 157, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en

3 aan hem ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. A. Dijkstra, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. J. Dolfing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 14 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.