Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ7883

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
24-002835-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verwerpt het verweer dat de verbalisante niet zou optreden in de rechtmatige uitoefening van haar bediening.

Verdachte wordt ter zake van mishandeling van een ambtenaar veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij toe met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002835-10

Uitspraak d.d.: 10 juni 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 29 november 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1981],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 mei 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het hem ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij geheel zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een zelfde bedrag. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. K.E. Wielenga, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 20 juni 2010, te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [benadeelde], surveillant van politie, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, (met kracht) in een vinger heeft gebeten, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 juni 2010, te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [benadeelde], surveillant van politie, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, met kracht in een vinger heeft gebeten, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsverweer

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verbalisante niet werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van haar bediening en dat daarom deze strafverzwarende omstandigheid niet bewezen kan worden.

Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juni 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door [benadeelde] en [verbalisant].

Daarin wordt, onder meer, het volgende gerelateerd -zakelijk weergegeven-:

Op 20 juni 2010, omstreeks 04.40u, waren wij in politie-uniform gekleed en met noodhulp belast. Wij kregen het verzoek te gaan naar [plaats] in verband met een mogelijke onwelwording.

Bij de onwel geworden persoon waren meerdere personen aanwezig. Een persoon gaf aan dat hij de neef was van het slachtoffer en hij wilde samen met zijn vriendin mee met de ambulance. De medewerkers van de ambulance hebben meerdere keren te kennen gegeven dat er een persoon mee mocht. Hierop gaven beide personen te kennen dat zij dan met hun eigen auto achter de ambulance aan zouden gaan. Wij hoorden de manspersoon (het hof begrijpt: de latere verdachte [verdachte]) zeggen: "Als er iets fout gaat, dan is het jullie schuld".

Wij zagen dat beide personen van ons af liepen richting een parkeerterrein.

Terwijl wij met bovengenoemde manspersoon spraken, zagen wij dat deze onder invloed was en wij hadden het vermoeden dat de man niet meer in staat was een motorrijtuig te besturen.

Dit werd bevestigd door een onbekend gebleven vrouw die riep: "Jullie moeten niet gaan rijden, jullie hebben gedronken".

Om te voorkomen dat de man toch zou gaan rijden, heb ik, [verbalisant], de man bij zijn arm gepakt.

Wij hoorden dat hij zei: "Dan moet je me maar aanhouden, want jullie kunnen me toch niet tegenhouden". Ik, [benadeelde], pakte de man bij de andere arm beet.

Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat beide verbalisanten terecht de verdenking koesterden dat verdachte van plan was een auto te gaan besturen terwijl hij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank. Zij hebben vervolgens kennelijk gehandeld ter voorkoming van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 door verdachte tegen te houden. Daarmee waren beide verbalisanten -derhalve ook verbalisante [benadeelde]- op dat moment in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte wilde op 20 juni 2010 achter een ambulance aan rijden, die zijn neef vervoerde, omdat deze neef onwel was geworden. Toen een verbalisante dat wilde verhinderen, beet verdachte de verbalisante in een vinger. Hij heeft pijn bij het slachtoffer veroorzaakt en haar lichamelijke integriteit aangetast. Nu het een mishandeling van een politiefunctionaris betreft, heeft verdachte ook blijk gegeven van een gebrek aan respect jegens de politieambtenaar en heeft hij het gezag van de politie ondermijnd en verbalisante belemmerd in de rechtmatige uitoefening van haar bediening.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.

Ten voordele van verdachte houdt het hof rekening met het verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 maart 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 250,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde] terzake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 250,00 (tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 250,00 (tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. H. Heins en mr. W.F. van Zant, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. D.J. de Vos, griffier,

en op 10 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. W.F. van Zant is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.