Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ7606

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
24-002937-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tenlastelegging: primair openlijke geweldpleging, subsidiair mishandeling.

Verdediging voert verweer dat openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De officier van justitie heeft bij de beoordeling van de zaak besloten om te dagvaarden. Volgens richtlijnen van het openbaar ministerie zou de officier echter gebonden zijn een transactievoorstel te doen.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daaromtrent dat sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de officier van justitie mocht afwijken van de richtlijnen. Dat de officier van justitie ter zitting in eerste aanleg alsmede de advocaat-generaal ter zitting van het hof vrijspraak hebben gevorderd van de openlijke geweldpleging, alsmede van het bestanddeel 'in vereniging' zoals dat is opgenomen in het subsidiair tenlastegelegde, doet daaraan niet af.

Vrijspraak van openlijke geweldpleging. Veroordeling voor mishandeling tot een werkstraf van 40 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002937-10

Uitspraak d.d.: 9 juni 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 24 november 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1987],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 mei 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van verdachte van het primair tenlastegelegde en veroordeling van verdachte voor het subsidiair tenlastegelegde tot een werkstraf van 20 uren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. V.L. van Wieringen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter zitting heeft de raadsman bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van verdachte. Bij de tenlastegelegde feiten zou het openbaar ministerie op grond van zijn richtlijnen doorgaans een transactie aanbieden. Een transactie die is voldaan zou een verklaring omtrent het gedrag van verdachte niet in de weg staan. Omdat verdachte is gedagvaard, heeft een eventuele veroordeling mogelijk gevolgen voor een dergelijke verklaring, aldus de raadsman. Nu het een zaak betreft waarin het openbaar ministerie door zijn richtlijnen gebonden was een transactie aan te bieden aan verdachte, heeft het openbaar ministerie door te dagvaarden niet conform de richtlijnen gehandeld zodat het niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging omdat de officier van justitie bij zijn beslissing redelijkerwijs kon uitgaan van openlijke geweldpleging. Dat het openbaar ministerie later ter zitting requireert tot bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde mishandeling, doet daaraan niet af. De officier van justitie heeft gezien de ernst en aard van de geweldpleging besloten dat deze zaak zich niet leende voor het aanbieden van een transactie, maar dat verdachte diende te worden gedagvaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat het gaat om de toepassing van de Bos/Polaris Richtlijnen voor Strafvordering 5.17.02 (openlijke geweldpleging). Deze Richtlijnen vinden toepassing in samenhang met de Aanwijzing kader voor strafvordering, Stcrt. 2008, 19.

Op grond van deze richtlijn komt aan de verdenking van het primair tenlastegelegde feit een aantal van 15 basispunten toe, terwijl sprake was van licht letsel (3 punten) zodat aan het primair tenlastegelegde 18 punten toekwam.

Het hof stelt vast dat gelet op de Richtlijnen voor Strafvordering de onderhavige zaak zich in beginsel leende voor afdoening bij door het openbaar ministerie aan te bieden transactie.

De Aanwijzing kader voor strafvordering, Stcrt. 2008, 19, houdt het volgende in:

"Voor iedere strafvorderingsrichtlijn gelden in principe de uitgangspunten en rekenmethoden, zoals die in dit kader beschreven staan. (...)

De beoordeling van een strafzaak geschiedt in twee fasen. Tijdens de eerste fase bepaalt de beoordelaar aan de hand van de richtlijnen welke sanctie passend zou zijn in soortgelijke strafzaken, gezien de gepleegde feiten en de geobjectiveerde beoordelingscriteria. De tweede fase van de beoordeling vergt het inzicht en de ervaring van de beoordelaar om te bepalen of het gevonden uitgangspunt van denken passend is in de specifieke strafzaak die ter beoordeling voorligt. Dat hierbij in voorkomende gevallen gemotiveerd van de richtlijnen kan worden afgeweken spreekt voor zich."

Gelet op de aanwijzing kader voor strafvordering, Stcrt. 2008, 19, kan in voorkomende gevallen gemotiveerd afgeweken worden van de richtlijnen. De richtlijnen van het openbaar ministerie beogen derhalve slechts een uitgangspunt te zijn en een gemotiveerde afwijking hiervan is mogelijk op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval.

Het hof is van oordeel dat door de advocaat-generaal afdoende is geconcretiseerd waarin de bijzondere omstandigheden van dit geval zijn gelegen. Uit het requisitoir van de advocaat-generaal is afdoende naar voren gekomen dat behalve de verdenking dat verdachte het slachtoffer in een druk café een kopstoot zou hebben gegeven, bovendien de verdenking bestond dat verdachte betrokken was bij het geweld dat het slachtoffer na de kopstoot is aangedaan. Het slachtoffer werd toen, terwijl hij in het café op de grond lag, door een aantal vrienden van verdachte tegen diens hoofd en lichaam geschopt. Deze verdenking is ook in de tenlastelegging tot uitdrukking gekomen. De ernst van de verdenking acht het hof een voldoende bijzondere omstandigheid om de beslissing van het openbaar ministerie om verdachte rauwelijks te dagvaarden, te rechtvaardigen. Dat de officier van justitie ter zitting in eerste aanleg alsmede de advocaat-generaal ter zitting van het hof vrijspraak hebben gevorderd van de openlijke geweldpleging, alsmede van het bestanddeel 'in vereniging' zoals dat is opgenomen in het subsidiair tenlastegelegde, doet daaraan niet af.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Feit 1 primair:

hij op of omstreeks 26 november 2009, in de gemeente [gemeente], met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten horecagelegenheid [bedrijf], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het geven van een kopstoot tegen het gezicht van die [slachtoffer] en/of het slaan, stompen, schoppen en/of trappen van die [slachtoffer];

Feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 26 november 2009, in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) een kopstoot tegen diens gezicht heeft gegeven en/of heeft geslagen, gestompt, geschopt en/of getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Nu verdachte heeft aangegeven slechts uit te zijn geweest op wraak vanwege de klap die hij eerder had gehad en mede bij gebreke van een andersluidende verklaring, is onvoldoende vast komen te staan dat verdachte opzet had op het in vereniging plegen van geweld. Dat vrienden van verdachte zich na zijn handelen ook schuldig hebben gemaakt aan het plegen van geweld jegens aangever, brengt niet mee dat verdachte de gewelddadige handelingen in vereniging heeft verricht, nu verdachte aan dát geweld geen deel heeft gehad.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 november 2009, in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer] een kopstoot tegen diens gezicht heeft gegeven waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof houdt bij de straftoemeting rekening met het de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 18 april 2011 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van een strafbaar feit.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot een werkstraf van 20 uren, geen recht doet aan de ernst van de handeling van verdachte. In de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten straftoemeting wordt ter zake van mishandeling door middel van een kopstoot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken passend geacht. Het hof is van oordeel dat een dergelijke sanctie in het onderhavige geval niet aangewezen is. Verdachte heeft vanaf het moment van zijn aanhouding openheid van zaken gegeven. Bovendien heeft verdachte verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van de hierna aan te geven duur, passend is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. P. Koolschijn en mr. R.E.A. Toeter, raadsheren,

in tegenwoordigheid van R. Jansen, griffier,

en op 9 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mrs. T.H. Bosma en R.E.A. Toeter zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.