Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ7305

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
07-06-2011
Zaaknummer
24-001122-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte wegens het als ongewenst vreemdeling verblijven in Nederland (feit 1) en het bezit van een vals paspoort (feit 2) tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en beslist op de in beslag genomen voorwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001122-10

Uitspraak d.d.: 7 juni 2011

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 7 januari 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1971],

Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 mei 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en onttrekking aan het verkeer van de onder verdachte in beslag genomen goederen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw,

mr. J.W.J. van den Broek, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 15 januari 2008 tot en met 21 januari 2008, in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

feit 2:

hij op of omstreeks 21 januari 2008, te [plaats], in ieder geval in de gemeente [gemeente], in het bezit was van een reisdocument, te weten een Nationaal Tjechisch paspoort - welke origineel was afgegeven op 16 juli 1998 en origineel ten name was gesteld van [naam], geboren op [1963] te [geboorteplaats] -, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was, bestaande de valsheid of vervalsing hieruit dat

- het geboortejaar van de houder van dit document, zoals vermeld op de personaliabladzijde, was veranderd van het jaar 1963 naar het jaar 1973, en/of

- de persoon afgebeeld op de pasfoto in dit document geen gelijkenis vertoond met de persoon aan wie dit document origineel is afgegeven.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen ter zake van het onder 2 ten laste gelegde

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte voorafgaand aan het politieoptreden al als verdachte was aangemerkt en dat hem om die reden ten tijde van het eerste politiecontact de cautie gegeven had moeten worden. Het hof begrijpt het verweer van de raadsvrouw als een verweer dat strekt tot bewijsuitsluiting van het aangetroffen paspoort.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Mocht het zo zijn, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, dat verdachte, op het moment dat de politie ter plaatse kwam, reeds als verdachte kon worden aangemerkt, dan stelt de raadsvrouw terecht dat de verbalisanten verdachte de cautie hadden moeten geven. Uit het dossier blijkt niet dat de cautie daadwerkelijk is gegeven. Echter, niet valt in te zien hoe verdachte daardoor in zijn belangen is geschaad. Hij heeft voorafgaand aan de politieverhoren ter zake van de thans ten laste gelegde feiten immers geen verklaringen omtrent die feiten afgelegd. Derhalve wordt dit verweer van de raadsvrouw verworpen.

Voorts heeft de raadsvrouw ter terechtzitting aangevoerd dat de processen-verbaal van verhoor van verdachte tegenstrijdig zijn, omdat verdachte tijdens het eerste verhoor niet is geconfronteerd met het in zijn jas aangetroffen paspoort, en tijdens het tweede verhoor wel. Daarbij heeft de raadsvrouw betoogd dat niet duidelijk is waar het paspoort in zijn jas is aangetroffen, namelijk bij hem thuis of op het politiebureau. Het hof begrijpt ook dit verweer als gericht op bewijsuitsluiting van het aangetroffen paspoort.

Anders dan de raadsvrouw veronderstelt, maakt het enkele feit dat een verdachte pas tijdens zijn tweede verhoor wordt geconfronteerd met het paspoort niet dat er sprake is van tegenstrijdige processen-verbaal. Het staat de verbalisanten vrij de verdachte op een door hen gewenst tijdstip te confronteren met het aangetroffen bewijsmateriaal. Ten aanzien van het aantreffen van het paspoort blijkt uit de in het dossier opgetekende verklaringen van verbalisanten dat de verdachte op het politiebureau is gefouilleerd en dat het paspoort aldaar in zijn jas is aangetroffen. Dit geeft geen aanleiding tot nadere strafvorderlijke consequenties. Derhalve wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen en komt het hof tot een bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1:

hij in de periode van 15 januari 2008 tot en met 21 januari 2008, in de gemeente [gemeente], als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

feit 2:

hij op 21 januari 2008, te [plaats], gemeente [gemeente], in het bezit was van een reisdocument, te weten een Nationaal Tjechisch paspoort - welke origineel was afgegeven op 16 juli 1998 en origineel ten name was gesteld van [naam], geboren op [1963] te [geboorteplaats] -, waarvan hij wist dat het reisdocument vervalst was, bestaande de vervalsing hieruit dat het geboortejaar van de houder van dit document, zoals vermeld op de personaliabladzijde, was veranderd van het jaar 1963 naar het jaar 1973.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet, dat het vals of vervalst is.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte verbleef in de periode van 15 januari 2008 tot en met 21 januari 2008 als vreemdeling in Nederland, terwijl hij wist dat hij ongewenst was verklaard. Het opzettelijk handelen in strijd met de bepalingen van de vreemdelingenwetgeving en met de daarop gegronde beslissingen van de autoriteiten hier te lande is een voor de Nederlandse samenleving bezwarend delict. Voorts had verdachte een vals paspoort in zijn bezit. Door dit bezit heeft verdachte inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer mag worden gesteld in de echtheid van dergelijke documenten.

Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van

24 maart 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk wegens strafbare feiten is veroordeeld. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden de thans bewezen verklaarde feiten te begaan.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden een passende en noodzakelijke bestraffing is. Een lichtere strafmodaliteit komt - gelet op de aard en de ernst van de feiten - thans niet meer in aanmerking.

Onttrekking aan het verkeer

Het onder verdachte in beslag genomen paspoort op naam van [naam] zal worden onttrokken aan het verkeer, nu met dit paspoort het onder 2 bewezen verklaarde feit is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Voorts zal het onder verdachte in beslag genomen rijbewijs op naam van [naam] worden onttrokken aan het verkeer, nu dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het voorwerp kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten als het onder 2 bewezen verklaarde feit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 57, 63, 197 en 231 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

In beslag genomen voorwerpen

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1.00 STK: paspoort op naam van [naam];

- 1.00 STK: rijbewijs op naam van [naam].

Aldus gewezen door

mr. O. Anjewierden, voorzitter,

mr. P.W.J. Sekeris en mr. J.A.A.M. van Veen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van S. van Krugten, griffier,

en op 7 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. P.W.J. Sekeris is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.