Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ6911

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
24-002572-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt waarbij twee personen lichamelijk letsel hebben opgelopen. Als gevolg van dit ongeval heeft het ene slachtoffer letsel opgelopen aan haar linkerschouder en linkerbeen en heeft het andere slachtoffer letsel opgelopen in de vorm van een gekneusde voet en een gekneusde wijsvinger.

Gelet op alle omstandigheden van de zaak, in relatie tot de mate van schuld die het hof bewezen acht en de gevolgen van de aanrijding, is het hof uit het oogpunt van normhandhaving van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete passend en geboden is.

Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen geldboete zal het hof uitgaan van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting ter zake van overtredingen van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Daarnaast is het hof van oordeel dat - als waarschuwing aan de verdachte en om de ernst van het verkeersdelict te benadrukken - aan de verdachte een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid dient te worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002572-09

Uitspraak d.d.: 1 juni 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Assen van

29 september 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1970],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 mei 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het primair aan haar ten laste gelegde tot een geldboete van € 1.000,-, subsidiair twintig dagen vervangende hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en haar raadsman,

mr. W.M. Bierens, is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

Het hof zal het vonnis waartegen het beroep is gericht vernietigen omdat het hof tot een andere bewijsbeslissing komt dan de rechtbank en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 06 januari 2009 te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de [straat] zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat zij roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, is geweest aangezien zij (onder meer) met dat door haar bestuurde motorrijtuig een in die weg gelegen voetgangersoversteekplaats is opgereden op een moment dat zich daarop een of meer voetganger(s) bevond(en), waarbij/waarna verdachte met dat motorrijtuig is gebotst of aangereden tegen die voetganger(s), waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

zij op of omstreeks 06 januari 2009 te [plaats] als bestuurder van een voertuig (motorrijtuig (auto)), daarmee rijdende op de weg, de [straat], een in die weg gelegen voetgangersoversteekplaats is opgereden op een moment dat zich daarop een of meer voetganger(s) bevond(en), waarbij/waarna verdachte met dat motorrijtuig is gebotst of aangereden tegen die voetganger(s), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door de raadsman van de verdachte gevoerde verweer, strekkende tot vrijspraak van het aan de verdachte ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat zij tijdens het autorijden, bij het naderen van de in de tenlastelegging bedoelde voetgangersoversteekplaats, plotseling werd verblind door de zon, waardoor zij het overzicht over de verkeerssituatie ter plaatse even volledig kwijt is geraakt. De verdachte heeft voorts ter terechtzitting van het hof verklaard dat zij wist dat zich ter plaatse een voetgangersoversteekplaats bevond en dat zij, op het moment dat zij werd verblind door het zonlicht, vaart heeft geminderd en heeft geprobeerd het zonlicht uit haar gezicht te weren en de zonneklep naar beneden te doen.

Niettegenstaande deze laatstgenoemde handelingen van de verdachte, welke handelingen er, blijkens hetgeen de verdachte ter terechtzitting van het hof hierover heeft verklaard, op waren gericht dat zij het overzicht op de verkeerssituatie terug zou krijgen, heeft de verdachte hiermee naar het oordeel van het hof een verkeerde gedragskeuze gemaakt.

Naar het oordeel van het hof had de verdachte de door haar bestuurde auto vóór het bereiken van de in de tenlastelegging bedoelde voetgangersoversteekplaats geheel tot stilstand behoren te brengen. Gelet op de handelingen die de verdachte, nadat zij door het zonlicht werd verblind, nog heeft verricht om het zonlicht af te weren, heeft voor de verdachte tijd en gelegenheid bestaan om de door haar bestuurde auto vóór de in de tenlastelegging bedoelde voetgangersoversteekplaats geheel tot stilstand behoren te brengen. Door dit laatste na te laten, is de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend geweest.

Op grond van het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair aan haar ten laste gelegde heeft begaan, zoals hieronder nader aangegeven.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat de verdachte het primair aan haar ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 6 januari 2009 te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de [straat], zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat zij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, is geweest, aangezien zij met dat door haar bestuurde motorrijtuig een in die weg gelegen voetgangersoversteekplaats is opgereden op een moment dat zich daarop voetgangers bevonden, waarbij/waarna verdachte met dat motorrijtuig is gebotst of aangereden tegen die voetgangers, waardoor anderen, genaamd

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging en motivering van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt waarbij twee personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], lichamelijk letsel hebben opgelopen. Als gevolg van dit ongeval heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] letsel opgelopen aan haar linkerschouder en linkerbeen en heeft het slachtoffer [slachtoffer 2] letsel opgelopen in de vorm van een gekneusde voet en een gekneusde wijsvinger.

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 februari 2011 blijkt dat de verdachte zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan het plegen van enig strafbaar feit. Dit pleit in het voordeel van de verdachte.

Het hof heeft voorts gelet op hetgeen de verdachte en haar raadsman ter terechtzitting van het hof hebben aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met hetgeen daaromtrent overigens uit het strafdossier, waaronder de rapportage van de Reclassering Nederland te Assen van 25 augustus 2009, is gebleken.

Hieruit is gebleken dat er geen bijzondere zorgen met betrekking tot de verdachte zijn.

Gelet op alle omstandigheden van de zaak, in relatie tot de mate van schuld die het hof bewezen acht en de gevolgen van de aanrijding, is het hof uit het oogpunt van normhandhaving van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete passend en geboden is.

Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen geldboete zal het hof uitgaan van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting ter zake van overtredingen van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Naar het oordeel van het hof zijn er in deze zaak geen bijzondere omstandigheden, die zouden moeten leiden tot een van deze oriëntatiepunten afwijkende strafmodaliteit of -omvang.

De norm dat iedere verkeersdeelnemer mag uitgaan van de verwachting dat andere verkeersdeelnemers zich houden aan de elementaire veiligheidsregels is door de verdachte geschonden.

Daarnaast is het hof van oordeel dat - als waarschuwing aan de verdachte en om de ernst van het verkeersdelict te benadrukken - aan de verdachte een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van hierna te melden duur dient te worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waartegen het beroep is gericht en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair aan haar ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. E. Pennink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 1 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mrs Van Veen en Pennink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.