Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ6909

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
24-001684-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is:

- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Alhoewel de bewezen verklaarde delicten in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van de duur zoals opgelegd in eerste aanleg zouden rechtvaardigen, zal het hof een dergelijke straf niet opleggen.

Dit enerzijds om de huidige stabiele lijn in de persoonlijke situatie van de verdachte niet te belemmeren of te doorbreken en anderzijds op grond van compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof is op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van de door de verdachte begane strafbare feiten van oordeel dat de werkstraf die is gevorderd door de advocaat-generaal, waarbij de advocaat-generaal rekening heeft gehouden met de ouderdom van de zaak en de overschrijding van de redelijke termijn, passend en geboden is en zal deze werkstraf opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-001684-08

Uitspraak d.d.: 1 juni 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 16 juni 2008 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-650107-08 en 18-630056-06, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1975],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 mei 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van de verdachte ter zake van het onder het parketnummer

18-650107-08 aan hem ten laste gelegde, alsmede strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder het parketnummer 18-630056-06 onder A en onder B primair aan hem ten laste gelegde tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede strekking tot verbeurdverklaring van de onder de verdachte in beslag genomen dvd's. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. M.C. van Linde, is aangevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte heeft op 25 juni 2008 hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Op 25 januari 2011 is het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aangevangen middels uitroeping van de zaak ter terechtzitting, waarna het onderzoek ter terechtzitting is aangehouden tot 19 mei 2011.

Hierna heeft de raadsman van de verdachte bij akte rechtsmiddel van 19 mei 2011, voorafgaande aan de behandeling van de zaak ter terechtzitting, het op 25 juni 2008 ingestelde hoger beroep ingetrokken, voor zover het betreft het onder het parketnummer

18-650107-08 aan de verdachte ten laste gelegde. Gelet hierop heeft de verdachte in zoverre geen rechtens te respecteren belang meer bij het hoger beroep en zal het hof de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

Het hof zal het vonnis waartegen het beroep is gericht, voor zover dat onderworpen is aan hoger beroep, vernietigen, omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover hier van belang, ten laste gelegd dat:

A)

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2004 tot en met 1 september 2004, in de gemeente [gemeente] en/of (elders) in Nederland en/of in Australië, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (naar Australië), als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, hoeveelheden en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde (telkens) MDMA een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

EN/OF

B)

hij in of omstreeks 1 mei 2004 tot en met 1 september 2004 in de gemeente [gemeente] en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, hoeveelheden en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2004 tot en met 1 september 2004 in

de gemeente [gemeente] en/of/althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10.000 pillen, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-630056-06 onder A en onder B primair aan hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

A)

hij in de periode van 1 mei 2004 tot en met 1 september 2004, in de gemeente [gemeente] en elders in Nederland en in Australië, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, naar Australië, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde telkens MDMA een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

en

B)

hij in de periode van 1 mei 2004 tot en met 1 september 2004 in de gemeente [gemeente] en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met het parketnummer 18-630056-06 onder A bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met het parketnummer 18-630056-06 onder B primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich, tezamen met de beide mededaders, schuldig gemaakt aan het verkopen, afleveren en vervoeren van een grote hoeveelheid MDMA-pillen, alsmede aan de export van die pillen, verdeeld over een aantal partijen, naar Australië. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan overtredingen van de Opiumwet. De strafwaardigheid van deze delicten is in zijn algemeenheid gelegen in de ernstige bedreiging die het gebruik van MDMA voor de volksgezondheid vormt en de met dit gebruik gepaard gaande criminaliteit.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende de verdachte van 25 februari 2011 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van overtreding van soortgelijke delicten van de Opiumwet, zij het dat hij wel eerder is veroordeeld ter zake van andersoortige delicten, maar niet recent (in 1993 en in 1998).

Het hof heeft voorts gelet op hetgeen de verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting van het hof hebben aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met hetgeen daaromtrent overigens uit het strafdossier is gebleken. Daaruit blijkt dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte thans aanzienlijk verbeterd zijn, in die zin dat de verdachte een gezin heeft gevormd, waarmee hij een woning heeft betrokken, dat hij sinds het begin van het jaar 2011 een baan heeft, met uitzicht op een vaste aanstelling, en dat hij bezig is met het aflossen van zijn financiële schulden. De verdachte lijkt gemotiveerd te zijn om niet opnieuw in aanraking komen met de politie en met justitie. Eén en ander wordt geïllustreerd door bovengenoemd uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen drie jaren niet meer in aanraking is geweest met de politie en justitie.

Het hof heeft tevens rekening gehouden met het tijdsverloop, in die zin dat het al geruime tijd geleden is dat de strafbare feiten zich hebben voorgedaan en dat deze zaak de verdachte in die tijd voortdurend boven het hoofd heeft gehangen.

Evenals de raadsman van de verdachte, is het hof van oordeel dat in meerdere opzichten sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Hierover overweegt het hof het volgende.

Het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn neemt een aanvang vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

De redelijkheid van de duur van een strafzaak is afhankelijk van - onder meer - de ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, en de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop, waartoe kan worden gerekend het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.

De redelijke termijn is in dit geval naar het oordeel van het hof aangevangen op

7 februari 2006, zijnde de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld ter zake van de aan hem ten laste gelegde feiten.

Vervolgens heeft behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg eerst plaatsgevonden op

2 juni 2008, waarna de rechtbank vonnis heeft gewezen op 16 juni 2008. Het hof stelt vast dat de zaak in eerste aanleg in het algemeen behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar na de aanvang van de redelijke termijn, hetgeen in dit geval inhoudt dat de zaak op 7 februari 2008 behoorde te zijn afgerond. Nu dit niet het geval is, is er gerekend vanaf die datum dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim vier maanden. Van enige reden die deze vertraging zou verklaren en rechtvaardigen, is niet gebleken.

Tegen het vonnis in eerste aanleg is vervolgens op 25 juni 2008 hoger beroep ingesteld, waarna het strafdossier eerst op 20 maart 2009 is binnengekomen bij het ressortsparket.

Ook in deze fase is sprake van overschrijding van de redelijke termijn, nu het inzenden van de strafzaak door de rechtbank naar het hof in het algemeen behoort te zijn afgerond binnen acht maanden na het instellen van het hoger beroep, hetgeen in dit geval inhoudt dat de strafzaak op 25 februari 2009 behoorde te zijn ingezonden. Nu dit niet het geval is, is er gerekend vanaf die datum dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van 23 dagen.

Van enige reden die deze vertraging zou verklaren en rechtvaardigen, is niet gebleken.

Het hof stelt daarnaast vast dat de zaak in hoger beroep in het algemeen behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, hetgeen in dit geval inhoudt dat de zaak op 25 juni 2010 behoorde te zijn afgerond. Van deze overschrijding is een gedeelte van ruim veertien weken echter toe te schrijven aan een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting door de verdediging, ingediend ter gelegenheid van de appointering van de strafzaak ter terechtzitting van het hof op 25 januari 2011. In de fase van de behandeling van de zaak in hoger beroep is aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van zeveneneenhalve maand.

Van enige reden die deze vertraging zou verklaren en rechtvaardigen, is niet gebleken.

Het hof is van oordeel dat het tijdsverloop vanaf de aanvang van de redelijke termijn zodanig lang is, dat dit als onredelijk in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moet worden aangemerkt. Immers, met de berechting in eerste aanleg en in hoger beroep dient in totaal in de regel niet meer dan vier jaar gemoeid te zijn en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die bovenbedoeld tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen.

Alhoewel de bewezen verklaarde delicten in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van de duur zoals opgelegd in eerste aanleg zouden rechtvaardigen, zal het hof een dergelijke straf niet opleggen.

Dit enerzijds om de huidige stabiele lijn in de persoonlijke situatie van de verdachte niet te belemmeren of te doorbreken en anderzijds op grond van compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof is op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van de door de verdachte begane strafbare feiten van oordeel dat de werkstraf die is gevorderd door de advocaat-generaal, waarbij de advocaat-generaal rekening heeft gehouden met de ouderdom van de zaak en de overschrijding van de redelijke termijn, passend en geboden is en zal deze werkstraf opleggen.

Beslag

Nu zich in het strafdossier niet een beslaglijst bevindt, zal het hof - conform het met betrekking tot een dergelijke situatie gevoerde en met het ressortsparket afgestemde interne beleid van het hof - geen beslissing nemen met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen het in de zaak met het parketnummer 18-650107-08 aan hem ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht, voor zover dat aan hoger beroep onderworpen is, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-630056-06 onder A en onder B primair aan hem ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met het parketnummer 18-630056-06 onder A en onder B primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter,

mr. O. Anjewierden en mr. E. Pennink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 1 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Pennink is buiten staat dit arrest te ondertekenen.