Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ6899

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
24-002973-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van afpersing op de openbare weg en een poging tot afpersing op de openbare weg veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Aan verdachte wordt tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd. Het hof heeft tevens een beslissing genomen ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen, een vordering van een benadeelde partij en een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-002973-10

Uitspraak d.d.: 1 juni 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 6 december 2010 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-670432-07, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1981],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 21 februari 2011 en 19 mei 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het hem onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerligging zal worden afgewezen en dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de in beslag genomen goederen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het stuk glas verbeurd zal worden verklaard en dat de 15 euro zal worden teruggegeven aan de rechthebbende. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. H.P. Eckert, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het - op onderdelen - tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

feit 1 primair:

hij, op of omstreeks 18 november 2009, te [plaats], op of aan de openbare weg ([straat 1]) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en/of een mobiele telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte - op die [benadeelde] is af/toe-gelopen en/of (vervolgens) voor haar is gaan staan (terwijl zij met haar rug tegen/voor een pilaar stond), en/of

- (daarna) tegen die [benadeelde] heeft gezegd: "Ik heb iets scherps in mijn hand, een stuk glas" en/of "Ik snij hiermee in je gezicht als je mij niet alles geeft wat je hebt", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- (daarbij) die [benadeelde] een hals van een afgebroken fles, althans een stuk glas, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, heeft getoond, en/of

- (vervolgens) aan die [benadeelde] heeft gevraagd of zij een telefoon had en/of tegen haar gezegd dat zij die telefoon ook moest geven, en/of

- (vervolgens) tegen die [benadeelde] heeft gezegd: "kun je pinnen en pas op, ik snij je in je mooie gezicht" en/of "Er zit een Rabobank hier om de hoek, dan gaan we daar samen nu heen", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- (aldus) een voor die [benadeelde] bedreigende situatie heeft geschapen;

feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 18 november 2009 te [plaats] op of aan de openbare weg ([straat 1]) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- op die [benadeelde] is af/toe-gelopen en/of (vervolgens) voor haar is gaan staan (terwijl zij met haar rug tegen/voor een pilaar stond), en/of

- (daarna) tegen die [benadeelde] heeft gezegd: "Ik heb iets scherps in mijn hand, een stuk glas" en/of "Ik snij hiermee in je gezicht als je mij niet alles geeft wat je hebt", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- (daarbij) die [benadeelde] een hals van een afgebroken fles, althans een stuk glas, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, heeft getoond, en/of

- (vervolgens) aan die [benadeelde] heeft gevraagd of zij een telefoon had en/of gezegd dat zij die telefoon ook moest geven, en/of

- (vervolgens) tegen die [benadeelde] heeft gezegd: "kun je pinnen en pas op, ik snij je in je mooie gezicht" en/of "Er zit een Rabobank hier om de hoek, dan gaan we daar samen nu heen", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- (aldus) een voor die [benadeelde] bedreigende situatie heeft geschapen;

feit 2 primair:

hij op of omstreeks 18 november 2009 te [plaats] op/aan de openbare weg ([straat 2] en/of [straat 3]), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een mobiele telefoon en/of geld, in elk geval van enig goed van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met voormeld oogmerk

- (de hand van) die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of die [slachtoffer] heeft geduwd en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "kijk hier, kijk hier", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- (daarbij) een stuk glas/metaal, in elk geval een scherp en puntig voorwerp, aan die [slachtoffer] heeft getoond en/of

- (daarbij) dreigend/dwingend tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "laat me nu je telefoon zien", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- (aldus) een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie heeft geschapen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

feit 2 subsidiair:

hij op of omstreeks 18 november 2009 te [plaats] op/aan de openbare weg ([straat 2] en/of [straat 3]), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of enig goed van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met voormeld oogmerk

- (de hand van) die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of die [slachtoffer] heeft geduwd en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "kijk hier, kijk hier", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- (daarbij) een stuk glas/metaal, in elk geval een scherp en puntig voorwerp, aan die [slachtoffer] heeft getoond en/of

- (daarbij) dreigend/dwingend tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "laat me nu je telefoon zien", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- (aldus) een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie heeft geschapen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

feit 2 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 18 november 2009 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- (de hand van) die [slachtoffer] vastgepakt en/of die [slachtoffer] geduwd, en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer] gezegd "kijk hier, kijk hier", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- (daarbij) een stuk glas/metaal, in elk geval een scherp en puntig voorwerp, aan die [slachtoffer] getoond, en/of

- (daarbij) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "laat me nu je telefoon zien", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1 primair:

hij, op 18 november 2009, te [plaats], op de openbare weg ([straat 1]) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en een mobiele telefoon, toebehorende aan die [benadeelde], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

- op die [benadeelde] is af/toe-gelopen en vervolgens voor haar is gaan staan terwijl zij met haar rug tegen/voor een pilaar stond, en

- daarna tegen die [benadeelde] heeft gezegd: "Ik heb iets scherps in mijn hand, een stuk glas" en "Ik snij hiermee in je gezicht als je mij niet alles geeft wat je hebt", en

- daarbij die [benadeelde] een hals van een afgebroken fles heeft getoond, en

- vervolgens aan die [benadeelde] heeft gevraagd of zij een telefoon had en tegen haar gezegd dat zij die telefoon ook moest geven, en

- aldus een voor die [benadeelde] bedreigende situatie heeft geschapen;

feit 2 primair:

hij op 18 november 2009 te [plaats] op de openbare weg ([straat 2] en/of [straat 3]), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een mobiele telefoon, toebehorende aan die [slachtoffer], met voormeld oogmerk

- de hand van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en die [slachtoffer] heeft geduwd en

- vervolgens tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "kijk hier, kijk hier", en

- daarbij een stuk metaal aan die [slachtoffer] heeft getoond en

- daarbij dreigend/dwingend tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "laat me nu je telefoon zien", en

- aldus een voor die [slachtoffer] bedreigende situatie heeft geschapen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.

het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is omtrent verdachte door [deskundige 1], psychiater, en [deskundige 2], psycholoog, d.d. 9 juli 2010 naar aanleiding van een observatie in het PBC een Pro Justitia rapport uitgebracht.

In dit rapport wordt - zakelijk weergegeven - geconcludeerd dat bij verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, bestaande uit schizofrenie en problematisch cocaïnegebruik. Het rapport houdt hieromtrent het volgende in:

"Betrokkene is een 28-jarige, benedengemiddeld intelligente man die afkomstig is uit Santo Domingo en slecht geïntegreerd is in de Nederlandse samenleving. Er is bij betrokkene sprake van schizofrenie en - tot zijn huidige detentie - van problematisch cocaïnegebruik. Uit de uitgebreide medische informatie is duidelijk geworden dat betrokkene in ieder geval vanaf 2007 psychotische verschijnselen heeft gehad. Er wordt sindsdien onder andere melding gemaakt van een beïnvloedingswaan, akoestische hallucinaties, onsamenhangende spraak, gedesorganiseerd gedrag, achterdocht, agitatie en agressie. Deze symptomatologie was minimaal zes maanden aaneengesloten aanwezig, en daarmee voldoet betrokkene aan de DSM-IV-TR-criteria voor schizofrenie. Wat verder pleit voor de diagnose schizofrenie is het gegeven dat betrokkene tijdens opname in het PBC, ondanks gebruik van antipsychotica, nog steeds licht psychotische verschijnselen had, welke verminderden toen de dosering van de medicatie werd verhoogd. Ook trok betrokkene zich veel terug in zijn cel en maakte hij een wat vlakke en apathische indruk, hetgeen kan passen bij de negatieve symptomatologie van schizofrenie. (...)

Betrokkenes cocaïnegebruik is problematisch. Er waren periodes dat betrokkene één gram per dag gebruikte. Zelf noemt hij zich verslaafd en wijt hij zijn maatschappelijk afglijden aan zijn cocaïnegebruik. Uit de beschikbare informatie kan worden gedestilleerd dat er zucht was om cocaïne te gebruiken. Zo zou hij gedurende een eerdere detentie erg gefixeerd geweest zijn op het roken van shag om zo minder aan cocaïne te hoeven denken. Toen hij vrijkwam uit detentie begon hij naar zijn zeggen meteen weer te gebruiken. Het bovenstaande doet sterk vermoeden dat er sprake was van afhankelijkheid van cocaïne, maar daar geen duidelijk beeld is ontstaan over de aard en de omvang van het gebruik, kan niet met zekerheid worden gesteld of er sprake is geweest van afhankelijkheid dan wel misbruik van cocaïne. Het is zeer wel denkbaar dat betrokkene cocaïne gebruikte bij wijze van 'automedicatie'. Echter, omdat betrokkene niet heeft willen ingaan op zijn drijfveer om cocaïne te gebruiken en zijn beleving daarbij is niet vast te stellen of zijn cocaïnegebruik gerelateerd is geweest aan de schizofrenie."

Mede op grond van vorenstaande dient verdachte volgens de deskundigen als (tenminste) enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

Het hof verenigt zich met de conclusies van de deskundigen en neemt deze over.

Nu niet is gebleken dat verdachte het hem ten laste gelegde in het geheel niet valt toe te rekenen en er ook anderszins geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende één dag schuldig gemaakt aan afpersing en poging tot afpersing, beide keren op de openbare weg gepleegd. Verdachte heeft willekeurig gekozen personen op straat aangesproken en onder bedreiging met een (scherp) voorwerp, zijnde een stuk afgebroken flessenhals respectievelijk een metalen (base)pijpje, aan hen een geldbedrag en/of een mobiele telefoon gevraagd. Door de dreigende situatie die verdachte aldus heeft doen ontstaan, heeft verdachte [benadeelde] een telefoon en een geldbedrag afhandig gemaakt.

Verdachte heeft slechts gehandeld uit eigen financieel gewin en heeft zich gedurende het plegen van deze feiten nimmer bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Verdachte heeft met name [benadeelde] grote vrees aangejaagd, zoals ook blijkt uit het door haar ingevulde voegingsfomulier benadeelde partij. Het plegen van dergelijke gewelddadige feiten op de openbare weg draagt daarenboven bij aan de versterking van de in de maatschappij bestaande gevoelens van onrust, angst en onveiligheid.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 15 april 2011. Daaruit is gebleken dat verdachte kort voor het begaan van onderhavige feiten een langdurige (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf heeft ondergaan ter zake van soortgelijke feiten. Gedurende de bij die gevangenisstraf bepaalde proeftijd heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan onderhavige bewezen verklaarde feiten.

Het hof heeft tevens rekening gehouden met het feit dat verdachte ter zake van de hem bewezen verklaarde feiten als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Met name gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten - mede in het licht gezien van verdachtes justitiële geschiedenis - acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden. Het hof zal deze vrijheidsbenemende straf dan ook aan verdachte opleggen.

De advocaat-generaal heeft - overeenkomstig het vonnis van de rechtbank - gevorderd dat het hof naast voornoemde onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal opleggen. Het door verdachte tegen het bestreden vonnis ingestelde appel is gericht tegen deze aan hem opgelegde maatregel. In het kader hiervan is er op 13 mei 2011 naar aanleiding van vragen van de verdediging opnieuw door [deskundige 1] en [deskundige 2] gerapporteerd. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn zowel voornoemde deskundigen, als de psycholoog van verdachte in gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen, [deskundige 3], gehoord.

In hun rapport van 9 juli 2010 onthouden [deskundige 1] en [deskundige 2] zich van een interventieadvies. In hun aanvullende rapport van 13 mei 2011 antwoorden deze deskundigen op de - door de verdediging opgeworpen - vraag welke behandeling zij op grond van de stoornis zouden aanbevelen: "[Er kan] - op basis van het geringe verband tussen stoornis en delict, en het daarom ontbreken van een adequate recidive-inschatting vanuit de stoornis - geen behandeladvies worden gegeven binnen een strafrechtelijk kader. Puur vanuit zorgperspectief echter zou (psychiatrische) behandeling zijn aangewezen gericht op medicatie, psycho-educatie, structuur en zinvolle dagbesteding en abstinentie van middelen".

Hoewel [deskundige 3] op basis van zijn ervaringen met verdachte in de penitentiaire inrichting als oorzaak van het gedrag van verdachte andere feiten en omstandigheden aanwijst dan voornoemde deskundigen, onderstreept hij de conclusie dat vanuit zorgperspectief een behandeling van verdachte noodzakelijk is.

Het hof concludeert - mede op grond van vorenstaande - dat een (klinische) behandeling van verdachtes problematiek noodzakelijk is. Het hof ziet zich echter voor de vraag gesteld binnen welke modaliteit deze behandeling dient plaats te vinden: een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, of de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Het hof is van oordeel dat het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf een gepasseerd station is. Op grond van hetgeen is opgemerkt omtrent verdachtes justitiële geschiedenis moet worden geconcludeerd dat verdachte het vermogen ontbeert om zich aan gestelde afspraken te houden. Binnen twee maanden nadat hij op vrije voeten is gesteld nadat hij een langdurige detentie heeft ondergaan, pleegt hij onderhavige ernstige en voor andere personen gevaarlijke strafbare feiten.

In de afweging of aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden of met verpleging van overheidswege dient te worden opgelegd, heeft het hof (voorts) het volgende betrokken.

Gebleken is dat bij verdachte ten tijde van het plegen van onderhavige feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens op grond waarvan hem deze feiten enigszins verminderd kunnen worden toegerekend. Deze bewezen verklaarde feiten betreffen overigens misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren of meer is gesteld.

Het procesdossier bevat ook een reclasseringsadvies van de VNN, d.d. 19 oktober 2010 opgemaakt door [deskundige 4], inhoudende een indicatieadvies over een mogelijk op te leggen maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Voornoemd reclasseringsadvies houdt ten aanzien van het recidiverisico bij verdachte het volgende in: "Vanuit RISc komen de volgende criminogene factoren - factoren die recidiveverhogend zijn - naar voren: Huisvesting en wonen, opleiding, werk en leren, relaties met partner, gezin en familie, drugs- en alcoholgebruik, denkpatronen, gedrag en vaardigheden, houding, emotioneel welzijn, inkomen en omgaan met geld. Hiermee wordt het recidiverisico en de kans op herhaling van agressieve delicten onbehandeld als hoog ingeschat, op een schaal van laag-midden-hoog. Betrokkene lijkt in het geheel niet geïntegreerd binnen de Nederlandse samenleving en heeft problemen op tal van gebieden. Men kan de criminogene factoren niet los van elkaar zien, zij lijken eerder nauw verband met elkaar te houden."

Op grond van al het vorenstaande concludeert het hof dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. Het hof acht - mede gelet op het feit dat er bij verdachte een (solide) basis in de Nederlandse samenleving ontbreekt, dat er bij verdachte sprake is van onvermogen om zich aan de gestelde afspraken te houden en verdachtes reeds aangehaalde justitiële geschiedenis - de conclusie gerechtvaardigd dat dit gevaar voor ernstige (voor andere personen gevaarlijke) recidive dusdanig groot is dat de veiligheid van anderen eist dat verdachte van overheidswege zal worden gepleegd. Het hof heeft in dit oordeel mede voornoemd reclasseringsadvies betrokken, voor zover dit verwijst naar een aan dat advies gehechte brief d.d. 12 oktober 2010 van de Indicatiestelling Forensische Zorg waarin het volgende staat vermeld: "Gelet op de complexe problematiek, zijn zwakbegaafdheid, de verslaving en de ernstige recidive is een klinische behandeling met een hoge zorgintensiteit en een hoog beveiligingsniveau geïndiceerd. (...) Een eventueel op te leggen TBS met voorwaarden is een te vrijblijvende maatregel voor betrokkene. Hij kon zich eerder niet aan afspraken houden."

Het hof zal - evenals de rechtbank - naast voornoemde onvoorwaardelijke gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege aan verdachte opleggen.

Beslag

Het onder 1 primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een stuk glas. Het zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het een voorwerp is met behulp waarvan feit 1 is begaan, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Onder verdachte is tevens een geldbedrag van € 15,- in beslag genomen. Het hof zal hiervan de teruggave aan de rechthebbende, te weten [benadeelde], gelasten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 515,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens immateriële schade als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schade wordt door de benadeelde partij gewaardeerd op € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit.

De vordering van de benadeelde partij is van de zijde van de verdediging niet weersproken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Nu het hof de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, is verdachte tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Meervoudige kamer te Groningen van 14 februari 2008, parketnummer 18-670432-07, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Gelet op het feit dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

In beslag genomen voorwerpen

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een stuk glas.

Gelast de teruggave aan [benadeelde] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een geldbedrag van 15 euro.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde] terzake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 500,00 (vijfhonderd euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 november 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 500,00 (vijfhonderd euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 november 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Tenuitvoerlegging

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Groningen van 20 januari 2010, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer te Groningen van 14 februari 2008, parketnummer 18-670432-07, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra, griffier,

en op 1 juni 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Rietveld voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.