Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ6892

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
WAHV 200.075.581
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De stelling dat administratiefrechtelijke handhaving van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 op grond van de bedoeling van de wetgever uitgesloten zou zijn, is niet juist. Sanctie ter zake van “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd” terecht opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2012/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.075.581

21 maart 2011

CJIB 133232783

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 23 juli 2010

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde], wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd” (feitcode R395), welke gedraging zou zijn verricht op 12 juli 2009 om 16.18 uur op de Boreelstraat te Rotterdam.

2. Namens de betrokkene wordt aangevoerd dat aan de betrokkene geen sanctie kan worden opgelegd op grond van de WAHV. Hiertoe voert de gemachtigde aan dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever in formele zin is geweest dat overtredingen van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) uitsluitend langs strafrechtelijke weg worden gehandhaafd en derhalve niet onder het bereik van de WAHV mogen worden gebracht. Feitcode R395, die een overtreding van artikel 5 WVW 1994 betreft, mag daarom niet in de bijlage bij de WAHV worden opgenomen en dient dan ook buiten toepassing te blijven. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst de gemachtigde onder meer naar de Memorie van Toelichting bij artikel 5 WVW 1994 (Kamerstukken II 1990-1991, 22 030,

nr. 3, p. 65-67). Voorts voert de gemachtigde aan dat de WVW 1994 van latere datum is dan de WAHV, daarmee geldt als lex posterior ten opzichte van de WAHV, zodat daaraan doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. Dat feitcode R395 nadien is opgenomen in de bijlage bij de WAHV doet hier volgens de gemachtigde niet aan af, aangezien die bijlage een lagere wettelijke regeling is dan de WVW 1994.

3. Artikel 5 WVW 1994 houdt het volgende in:

“Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”

4. De Memorie van Toelichting bij artikel 5 van de WVW 1994 (Kamerstukken II 1990-1991, 22 030, nr. 3, p. 65 e.v.) houdt het volgende in, voor zover van belang:

“Dit artikel bevat de grondnorm voor een veilig en ordelijk verloop van het verkeer op de weg. (…) Ten slotte is er sprake van een min of meer gewijzigde opvatting ten aanzien van de functie die een algemene bepaling als bedoeld, in de wegenverkeerswetgeving heeft. (…)

De gewijzigde opvatting waarover hiervoor werd gesproken, is met name gelegen in het feit dat thans niet alleen wordt erkend dat niet voor elke situatie een concrete norm kan worden gegeven, doch ook dat een daarop gericht streven tot ongewenste regelverdichting kan leiden. Dit laatste is een ontwikkeling waarmee, zo is hiervoor reeds betoogd, bij dit wetsvoorstel wordt gebroken. In dit verband kan tevens worden verwezen naar het nieuwe Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) waar in het kader van de deregulering bewust is gekozen voor het beperken van de verkeersvoorschriften tot de basisregels die voor een veilig en ordelijk verloop van het verkeer noodzakelijk zijn. (…) Daar waar de eigen verantwoordelijkheid van de weggebruiker te kort schiet, zal de algemene bepaling als vangnet voor ongewenst gedrag uitkomst moeten bieden. Dit in aanvulling op de concrete normen, de basisregels voor het gedrag van de verkeersdeelnemer, zoals die in met name het RVV 1990 zijn vervat. (…)

Overigens zal in de praktijk een overtreding van een concrete norm veelal een gedraging opleveren waartegen kan worden opgetreden op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Bij overtredingen van het onderhavige artikel is dat niet mogelijk, omdat deze gedragingen zich moeilijk vooraf in concreto laten omschrijven. Daartegen zal in voorkomende gevallen dan ook steeds langs strafrechtelijke weg moeten worden opgetreden.”

5. De gedraging als bedoeld in feitcode R395 van de in de in artikel 2, eerste lid, WAHV bedoelde bijlage, betreft een overtreding van artikel 5 WVW 1994.

Bij besluit van 23 september 1997 (Stb. 1997, 462) is voornoemde feitcode in vorenbedoelde bijlage opgenomen.

6. Artikel 2, eerste en tweede lid, WAHV houdt in, voor zover van belang:

“1. Ter zake van de in de bijlage bij deze wet omschreven gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Provinciewet of de Gemeentewet (Stb. 1992, 96), kunnen op de wijze bij deze wet bepaald administratieve sancties worden opgelegd. Ingeval een administratiefrechtelijke sanctie wordt opgelegd zijn voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard uitgesloten.

2. Als gedragingen in de zin van het eerste lid worden niet beschouwd die gedragingen waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.”

7. Het hof stelt voorop dat de WAHV noch de op deze wet gebaseerde regelgeving noopt tot de conclusie dat een overtreding van artikel 5 WVW 1994, waarbij geen sprake is van letstel aan personen of schade aan goederen, niet onder het bereik van de WAHV kan vallen. Uit de tekst van artikel 5 WVW 1994 vloeit dit evenmin voort. De tekst van deze bepaling is in dit opzicht helder en niet voor verschillende uitleg vatbaar. Het hof heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat hier een andere wijze van interpretatie dan de grammaticale aangewezen is.

8. Het hof zal derhalve aan de door de gemachtigde gereleveerde onderdelen van de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 5 WVW 1994 niet de betekenis toekennen die de gemachtigde daaraan toegekend wil zien. Daartoe acht het hof mede van belang dat de wijze waarop overtreding van artikel 5 WVW 1994 wordt gesanctioneerd, de WAHV regardeert; de passage uit de Memorie van Toelichting waaraan de gemachtigde refereert maakt, evenmin als de andere in het hoger beroepschrift genoemde passages, deel uit van de totstandkomingsgeschiedenis van de WAHV.

9. Daar komt nog bij dat de passage uit de Memorie van Toelichting bij artikel 5 WVW 1994 veeleer lijkt te zijn ingegeven door de gedachte dat het niet mogelijk zou zijn om binnen het bestek van artikel 5 WVW 1994 concrete gedragingen te formuleren die onder de reikwijdte van de WAHV zouden kunnen worden gebracht. In de meeste gevallen zal daarvan sprake zijn, gelet op het aanvullende karakter van artikel 5 WVW 1994 op het stelsel van concreet geformuleerde gedragsregels, zoals opgenomen in voornamelijk het RVV 1990 én op de eisen die de WAHV stelt aan de begrijpelijkheid van de beschikking waarbij een sanctie wordt opgelegd. Gelet echter op juist dat aanvullend karakter kan het hof de gemachtigde niet volgen in de conclusie die hij trekt uit de door hem aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis en andere bronnen, dat administratiefrechtelijke handhaving van artikel 5 WVW 1994 op grond van de bedoeling van de wetgever uitgesloten zou zijn.

10. In dit verband is van belang dat feitcode R395 een concrete gedraging bevat, die overeenstemt met artikel 81 juncto artikel 83 van het door het RVV 1990 vervangen Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1966, waarin, zakelijk weergegeven, was geregeld dat niet mocht worden stilgestaan of geparkeerd, indien daardoor gevaar of onnodige hinder voor andere weggebruikers kon ontstaan. Nu dat voorschrift als gevolg van de beperking van de verkeersvoorschriften tot de basisregels is komen te vervallen in het RVV 1990, maar van zodanige aard is, dat de op te leggen beschikking bij constatering van de gedraging kan voldoen aan de daaraan in artikel 4, eerste lid, WAHV gestelde eisen, volgt het hof de gemachtigde niet in zijn standpunt dat feitcode R395 niet in de bijlage bij de WAHV mag worden opgenomen.

11. Gelet op de stukken in het dossier, in het bijzonder de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht van het CJIB, en in aanmerking genomen dat de gedraging niet wordt bestreden, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Derhalve is bij inleidende beschikking terecht een sanctie aan de betrokkene opgelegd. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.