Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ6763

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
200.060.305
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Sanctie ter zake van het niet dragen van een autogordel. Betrokkene droeg een speciaal ingebouwde heupgordel in plaats van de ook aanwezige driepuntsgordel. Uitleg "beschikbare autogordel" als bedoeld in artikel 59, eerste lid, RVV 1990. Sanctie in dit geval ten onrechte opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2011-02-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.060.305

11 februari 2011

CJIB 131439938

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 19 januari 2010

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Op 2 juli 2010 is nog een brief van de betrokkene ontvangen.

Op verzoek van de griffier van het hof heeft de advocaat-generaal aanvullende informatie in het geding gebracht.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld te reageren op de aanvullende informatie, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel”, welke gedraging zou zijn verricht op 22 mei 2009 om 14.45 uur op de Ouddiemerlaan te Diemen met het voertuig met het kenteken [AB-AB-00].

2. De gedraging is een overtreding van artikel 59, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Ten tijde van de gedraging luidde dat artikel, voor zover hier van belang:

“Bestuurders van een motorvoertuig of een bromfiets en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel.”

3. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Hij heeft weliswaar geen gebruik gemaakt van de beschikbare driepuntsgordel, maar wel van de eveneens beschikbare apart aangebrachte heupgordel. De betrokkene heeft, na uitvoerig de beschermende werking en de wettelijke mogelijkheden te hebben onderzocht, gekozen om de heupgordel te dragen. Sinds 1986 heeft hij telkens in zijn auto's een heupgordel laten aanbrengen, die hij ook altijd gebruikt. Uit de omstandigheid dat het voertuig dient te zijn voorzien van bevestigingspunten voor een driepuntsgordel volgt niet zonder meer de verplichting om een driepuntsgordel te dragen. De verplichte aanwezigheid van die bevestigingspunten gold immers al voordat het dragen van de beschikbare gordel verplicht was.

Mocht desondanks geoordeeld worden dat de gedraging is verricht, dan stelt de betrokkene zich op het standpunt dat dit is gebeurd onder omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet billijken dan wel matiging van de sanctie rechtvaardigen.

4. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:

“De gordel hing ongebruikt langs de deurstijl.

(…)

Bt (het hof begrijpt: betrokkene) maakt geen gebruik van 3 punts gordel.”

5. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd, namelijk dat hij de apart ingebouwde heupgordel droeg in plaats van de originele driepuntsgordel. Daarom dient te worden vastgesteld of deze heupgordel in dit verband kan gelden als de "beschikbare autogordel" als bedoeld in artikel 59, eerste lid, RVV 1990.

6. Blijkens de nota van toelichting bij artikel 59 RVV 1990 is met de term beschikbaar bedoeld om tot uitdrukking te brengen dat enerzijds de draagplicht alleen geldt voor zover de zitplaatsen zijn uitgerust met autogordels en anderzijds het niet is toegestaan een plaats zonder gordel te nemen als er een andere plaats met gordel vrij is.

7. Doel en strekking van artikel 59, eerste lid, RVV 1990, namelijk het belang van de verkeersveiligheid en in het bijzonder het voorkomen van (ernstigere vormen van) letsel bij aanrijdingen, brengen voorts mee dat niet elke, in een voertuig aanwezige, gordel als “beschikbare autogordel” kan worden beschouwd. Dit volgt ook uit de regelgevingssystematiek, blijkende uit artikel 59 RVV 1990 en artikel 149, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 op grond waarvan de Minister van Verkeer en Waterstaat ontheffing kan verlenen van het gebruik van autogordels. Een dergelijke ontheffing zou zonder betekenis zijn als geen eisen zouden gelden voor de gordel die gebruikt moet worden.

8. Naar het oordeel van het hof dient onder de beschikbare autogordel in de zin van artikel 59, eerste lid, RVV 1990 te worden verstaan de gordel waarvan het voertuig op grond van de (in de Regeling voertuigen opgenomen) permanente eisen moet zijn voorzien. Van belang daartoe acht het hof dat de draagplicht niet los kan worden gezien van de verplichting om autogordels in het voertuig aanwezig te hebben, maar als onlosmakelijk verbonden sluitstuk daarvan moet worden beschouwd. De toelatingseisen -voor zover deze al anders zijn dan de permanente eisen- staan in een te ver verwijderd verband tot de draagplicht om invulling te kunnen geven aan artikel 59, eerste lid, RVV 1990.

9. Niet is vastgesteld dat de door de betrokkene ingebouwde heupgordel niet voldoet aan de eisen die op grond van hoofdstuk 5 van de Regeling voertuigen voor het voertuig van de betrokkene gelden. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal daarom de bestreden beslissing vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

10. Het hof ziet aanleiding om te bepalen dat de reiskosten van de betrokkene in verband met het bijwonen van de zitting van de kantonrechter d.d. 19 januari 2010 worden vergoed. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in samenhang met artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 worden de reiskosten berekend naar het tarief per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Derhalve zal het hof ter zake van reiskosten in verband met het bijwonen van een zitting een bedrag toekennen van € 2,99 ([woonplaats] - Amsterdam v.v.).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 5 september 2009, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 131439938 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van € 90,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 2,99.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Beswerda en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.