Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ6201

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
26-05-2011
Zaaknummer
200. 062.162 en 200.062.711
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het telkens instellen van hoger beroep tegen OTS en UHP is op zichzelf geen reden ouders van het gezag te ontheffen, Die maatregelen zijn echter in beginsel van tijdelijke aard en kunnen in situaties als hier aan de orde niet eindeloos verlengd worden; op de door het hof genoemde gronden ontheffing bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 20 januari 2011

Zaaknummers 200. 062.162 en 200.062.711

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaken van

1. [verzoekster 1] ,

wonende te [woonplaats],

appellante in zaak onder nummer 200.062.162

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G. Meijer, kantoorhoudende te Veendam,

2. [verzoeker 2] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in de zaak onder nummer 200.062.711

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. H.J. Veen, kantoorhoudende te Delfzijl,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

tegen

De Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde in beide zaken,

hierna te noemen: de raad,

Belanghebbenden in beide zaken:

1. Bureau Jeugdzorg Groningen,

gevestigd te Groningen,

hierna te noemen: BJZ;

2. [belanghebbenden]

wonende te Gasselternijveen,

hierna te noemen: de pleegouders.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 19 januari 2010 heeft de rechtbank Groningen de ouders ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige [kind], geboren [in 2004], en BJZ benoemd tot voogd over de minderjarige [kind].

Het geding in hoger beroep

Het hoger beroep van de moeder is geregistreerd onder zaaknummer 200.062.162.

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 12 april 2010, heeft de moeder verzocht de beschikking van 19 januari 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van de raad om de ouders te ontheffen van het gezag over de minderjarige [kind] alsnog af te wijzen.

Het hoger beroep van de vader is geregistreerd onder zaaknummer 200.062.177.

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 15 april 2010, heeft de vader verzocht de beschikking van 19 januari 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van de raad om hem te ontheffen van het gezag over de minderjarige [kind] alsnog af te wijzen, met veroordeling van de raad in de kosten van de procedure in beide instanties.

Bij schrijven, binnengekomen op de griffie op 15 juni 2010, heeft de vader tevens verzocht om het beroepschrift van de moeder gegrond te verklaren, in die zin dat het verzoek van de raad om de ouders te ontheffen van het gezag over de minderjarige [kind] alsnog wordt afgewezen.

Bij verweerschrift gericht tegen het hoger beroep van zowel de moeder als de vader, binnengekomen op de griffie op 14 juni 2010, heeft de raad de verzoeken van de ouders bestreden en verzocht de beschikking van de rechtbank Groningen van 19 januari 2010 te bekrachtigen en deze beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief d.d. 17 december 2010 van Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering Groningen (hierna: LJ&R) en een brief d.d. 14 december 2010 van de pleegouders.

Ter zitting van 21 december 2010 zijn beide zaken gevoegd behandeld. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door mr. Meijer, de vader, bijgestaan door mr. Veen, de heer J. Scholte Aalbes namens de raad en mevrouw M. Lautenbach namens BJZ.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten, zoals neergelegd in de bestreden beschikking van de rechtbank, is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

2. Voor zover hier van belang stelt het hof daarbij vast dat [kind], aangezien haar veiligheid op dat moment niet kon worden gewaarborgd, in april 2005 ([kind] is dan 6 maanden oud) met een spoedmachtiging is geplaatst in een voorziening voor pleegzorg en dat [kind] vanaf juni 2005 opgroeit in haar huidige pleeggezin.

De termijn van de onder¬toezicht¬stel¬ling en de machtiging tot uithuisplaatsing is laatstelijk verlengd bij beschik¬king van 23 december 2009 voor de periode tot 3 februari 2011.

3. Het hof voegt daaraan toe dat bij beschikking van 27 februari 2009 (terzake verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing) de rechtbank de raad heeft verzocht een onderzoek te doen naar het toekomstperspectief van [kind] opdat voor [kind] en haar ouders duidelijk wordt waar zij tot haar meerderjarigheid zal opgroeien. De raad heeft gerapporteerd op 21 oktober 2009. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de raad op 22 oktober 2009 een verzoek ingediend om de moeder en de vader (gedwongen) van het gezag over [kind] te ontheffen. Hierop heeft de rechtbank beslist zoals reeds hiervoor is weergegeven.

De overwegingen

4. Ingevolge het bepaalde in art. 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een ouder worden ontheven van het gezag over zijn of haar kind op de grond dat hij of zij ongeschikt of onmachtig is zijn of haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Op grond van het bepaalde in art. 1:268 lid 1 BW kan de ontheffing niet worden uitgesproken, ingeval de ouder zich tegen ontheffing verzet. Deze regel lijdt slechts uitzondering indien er sprake is van een van de situaties als bedoeld in lid 2 onder a tot en met d van dit artikel.

5. In dit geval is alleen het bepaalde onder a van belang. Dit houdt in dat een ontheffing, ondanks verzet van de ouder, uitgesproken kan worden indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in art 1:254 BW af te wenden.

6. Het hof moet dus beoordelen of de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing onvoldoende zijn gebleken om te verhinderen dat het kind zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of lichamelijke belangen of gezondheid ernstig worden bedreigd. Deze vraag dient bevestigend te worden beantwoord, indien een ongestoorde voortzetting van de plaatsing in en hechting aan het pleeggezin in zodanige mate in het belang van het kind is, dat uitgesloten moet zijn dat een ouder pogingen gaat ondernemen om de plaatsing te beëindigen.

7. Het hof stelt voorop dat de verschillende (appel)procedures die hebben plaatsgevonden omtrent de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing op zichzelf geen grond vormen voor het ontheffen van de ouders van het gezag over [kind]. De ouders hebben het recht om tegen dergelijke beslissingen van de rechtbank te appelleren. Echter, de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn in beginsel van tijdelijke aard en dienen wederom in beginsel gericht te zijn op (het werken aan) de terugkeer van de kinderen naar de ouder. Deze maatregelen kunnen in situaties als de onderhavige niet eindeloos worden verlengd; op enig moment dient er duidelijkheid te komen over de (verblijfs)situatie van de kinderen tot hun meerderjarigheid.

Uit de duur van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, alsmede uit het raadsrapport d.d. 21 oktober 2009 dat aan het verzoek tot ontheffing ten grondslag ligt, blijkt dat het opvoedingsperspectief van [kind] niet bij haar ouders, maar bij de pleegouders ligt. Op grond daarvan ontbreekt het vooruitzicht op terugkeer van [kind] naar (een van) de ouders. Dit oordeel wordt niet anders doordat, zoals is aangevoerd, de situatie van de moeder (en de vader) inmiddels - ten opzichte van de situatie ten tijde van het psychologische onderzoek van Forensisch Psychiatrische Dienst uit 2007 - zou zijn verbeterd. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om een nader, volgens de ouders in dit kader geïndiceerd onderzoek te gelasten naar de pedagogische en affectieve mogelijkheden van de ouders om hun plicht tot verzorging en opvoeding van [kind] te kunnen vervullen.

8. Daartoe overweegt het hof in het bijzonder het volgende.

[kind] verblijft vanaf zeer jeugdige leeftijd in het pleeggezin. Zij is vrijwel direct na haar geboorte uit huis geplaatst, omdat zij ernstig in haar geestelijke en lichamelijke belangen werd bedreigd. [kind] kent een specifieke voorgeschiedenis en problematiek en heeft een daarop toegespitste opvoedkundige aanpak nodig. Zij groeit thans in het gezin van de pleegouders voorspoedig op, wordt goed verzorgd en is goed gehecht aan de pleegouders. [kind] heeft de kritieke fase van het hechtingsproces afgerond, maar haar emotionele ontwikkeling loopt gevaar te worden verstoord indien zij van haar ouders geen toestemming krijgt om bij de pleegouders te blijven wonen.

Uit de raadsrapportage blijkt dat de vader naar het oordeel van de raad niet geschikt is als opvoeder van [kind].

Weliswaar heeft de moeder aanzienlijke vooruitgang geboekt en is er in geslaagd haar leven weer op de rails te krijgen, hetgeen erin heeft geresulteerd dat zij in staat is adequate zorg en opvoeding te geven aan haar [in 2005] geboren [kind 2], echter uit de raadsrapportage blijkt dat zij niet in staat zal zijn om de specifieke zorg die [kind] nodig heeft zal kunnen bieden.

Het hof neemt het oordeel van de raad over, mede naar aanleiding de mondelinge behandeling op 21 december 2010.

Op grond van het voorgaande blijft gegronde vrees bestaan dat de ouders door hun ongeschiktheid of onmacht om hun plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen de uithuisplaatsing onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. In het bijzonder is het streven van de ouders om (uiteindelijk) de uithuisplaatsing van [kind] ongedaan te maken een blijvende dreiging in deze zin. Met de rechtbank (en met verwijzing naar hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen) is het hof van oordeel dat het (gelet op haar eigen problematiek) in het belang is van [kind] dat zij bij de pleegouders blijft wonen en dat zij zich in hun gezin volledig en harmonieus kan ontwikkelen. Aan de belangen van [kind] bij een stabiel verblijf bij de pleegouders en bij continuering van de huidige opvoedingssituatie en voortzetting van een ongestoord hechtingsproces dient een zwaarder wegende betekenis te worden toegekend dan aan het recht van de moeder en/of de vader op hereniging met [kind]. Ontheffing is in het belang van [kind], omdat ontheffing haar rust en duidelijkheid geeft over haar toekomst.

9. Ten overvloede wenst het hof nog op te merken dat een ontheffing niet zal betekenen dat de omgang tussen de ouders en [kind] -zoals de moeder vreest- teniet zal worden gedaan. Een goede omgangsregeling zal bijdragen aan de verdere identiteitsontwikkeling van [kind]. BJZ heeft als voogd de taak om, met inachtneming van de belangen van [kind], zorg te dragen voor het vormgeven en handhaven van de bezoekregeling met de ouders.

10. Alles tezamen genomen moet de conclusie zijn dat de rechtbank de ouders terecht van het gezag over [kind] heeft ontheven. Wat de ouders in dit hoger beroep tegen die beslissing hebben aangevoerd, is ontoereikend om tot een andere conclusie te kunnen komen.

11. De bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

12. Het hof ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding de raad te veroordelen in de kosten van de procedure zoals door de vader is verzocht. Dit verzoek wordt derhalve afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.J.J. Melssen (voorzitter), G.M. van der Meer en E.H. Schijven-Bours, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 januari 2011 in bijzijn van de griffier.