Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ6167

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
26-05-2011
Zaaknummer
200.076.430-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tegen een in het kader van de OTS door BJZ gegeven aanwijzing waarbij het contract tussen de minderjarige en de met het gezag belaste ouders wordt beperkt, moet door de rechter in beroep getoets kunnen worden, ook al staat ingevolge wet daartegen slechts cassatie in het belang der wet open.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 11 januari 2011

Zaaknummer 200.076.430

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland,

gevestigd te Leeuwarden,

appellant,

hierna te noemen: BJZ,

tegen

[verweerders]

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat mr. G.J.P.M. Grijmans, kantoorhoudende te Bolsward.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 29 oktober 2010 heeft de kinderrechter in de rechtbank Leeuwarden het verzoek van de ouders om de schriftelijke aanwijzing ten aanzien van de minderjarigen [kind 1], geboren [in 2002], [kind 2], geboren [in 2003], [kind 3], geboren [in 2007], en [kind 4], geboren [in 2009], vervallen te verklaren toegewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 3 november 2010, heeft BJZ verzocht de beschikking van 29 oktober 2010 te vernietigen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 23 november 2010, hebben de ouders het verzoek van BJZ bestreden en primair verzocht BJZ niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. Subsidiair hebben zij verzocht het hoger beroep ongegrond te verklaren en, zo nodig met verbetering van gronden, de beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van BJZ in de kosten van deze procedure.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 16 november 2010 met bijlagen van BJZ.

Ter zitting van 30 november 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn mevrouw G. Elgersma, de heer P. Bleeker en mr. F.M. de Jong namens BJZ en de ouders, bijgestaan door mr. Grijmans. De raad is opgeroepen maar niet verschenen. Mr. De Jong heeft een pleitnota overgelegd.

De beoordeling

1. Dit hoger beroep betreft de schriftelijke aanwijzingen van 16 september 2010. Bij deze aanwijzingen zijn - kort samengevat - begeleide contactregelingen bepaald tussen de met het gezag belaste ouders en voornoemde minderjarigen, iedere vier weken, van 15.30 uur tot 17.00 uur.

2. Aan het hof ligt allereerst de vraag voor of BJZ ontvankelijk is in haar hoger beroep. vervolgens ligt de vraag voor of de schriftelijke aanwijzingen gegeven door BJZ vervallen dienen te worden verklaard. Daarvoor dient aan de hand van het bepaalde in de hoofdstukken 3 en 4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) beoordeeld te worden of het besluit van BJZ zorgvuldig is voorbereid en deugdelijk is gemotiveerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

3. [kind 2], [kind 3] en [kind 4] zijn onder toezicht gesteld en uithuis geplaatst met een machtiging van de kinderrechter (ook wel genoemd een gedwongen uithuisplaatsing). Ingevolge art. 1:263a, eerste lid, BW kan BJZ voor de duur van de uithuisplaatsing en voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van de minderjarige, de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken. Een dergelijke beslissing geldt, ingevolge het tweede lid van dat artikel, als een aanwijzing. Op basis van art. 1:263a BW juncto art. 1:259 BW kan een dergelijke aanwijzing vervallen worden verklaard, zoals de kinderrechter bij beschikking van 30 oktober 2010 heeft gedaan. Anders dan de ouders betogen, staat gelet op art. 807 aanhef en onder a Rv hoger beroep tegen een dergelijke beschikking open. In zoverre is BJZ dan ook ontvankelijk in haar beroep.

4. [kind 1] is eveneens ondertoezicht gesteld en uithuis geplaatst. [kind 1] is echter, anders dan [kind 2], [kind 3] en [kind 4] niet uithuis geplaatst met een machtiging van de kinderrechter maar met toestemming van de ouders (ook wel genoemd een vrijwillige uithuisplaatsing). Anders dan de ouders in eerste aanleg meenden, behoort de door BJZ in het kader van de ondertoezichtstelling gegeven aanwijzing ten aanzien van de omgang tot de aanwijzingen die BJZ op grond van art. 1:258 BW mag geven, mits het niet strijdig is met een door de rechter vastgestelde omgangsregeling. Van strijd met een door de rechter vastgestelde omgangsregeling is in deze geen sprake. Op basis van art. 1:259 BW kan ook een dergelijke aanwijzing vervallen worden verklaard.

Alhoewel uit de wetsgeschiedenis (Memorie van antwoord, kamerstukken II 1993/1994, 23 003, nummer 5, pagina 9) kan worden afgeleid dat tegen een regeling betreffende omgangsrecht hoger beroep open dient te staan, komt dit in de betreffende situatie (een aanwijzing betreffende omgang op grond van art. 1:258 BW juncto art. 1:259 BW) in de wettekst niet tot uitdrukking. Immers op grond van art. 807 Rv staat tegen een beschikking ingevolge art. 1:259 BW - anders dan tegen een beschikking ingevolge art. 1:263a BW - geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.

Het hof is evenwel van oordeel, dat gelet op de wetsgeschiedenis en in analogie met andere beslissingen inzake het omgangsrecht, de aanwijzing betreffende de beperking van de contacten tussen de met het gezag belaste ouder(s) en een minderjarige in hoger beroep getoetst dienen te kunnen worden. De inperking van de contacten tussen een minderjarige en de met het gezag belaste ouder is immers een zeer ingrijpende maatregel en een inbreuk op een fundamenteel recht. BJZ is dan ook voor wat betreft [kind 1] ontvankelijk in haar hoger beroep.

5. De ouders klagen erover dat BJZ geen grieven heeft aangevoerd en stellen dat BJZ ook daarom niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep. BJZ heeft aangegeven dat zij het niet eens is met de beslissing van de rechtbank en heeft verzocht de gronden van de aanwijzing als herhaald en ingelast te beschouwen.

6. Onder omstandigheden kan een appellant zijn grieven in hoger beroep voldoende omschrijven door te volstaan met een herhaling van hetgeen door hem ter zake in eerste aanleg is gesteld. Ook in dit bijzondere geval acht het hof dat toereikend. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen de aard van de beslissing van de rechtbank te weten een afweging waarbij zij tot het oordeel kwam dat de aanwijzingen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Helder is dat BJZ het daar niet mee eens is en dat ze instandhouding van de aanwijzingen verzoekt in hoger beroep. Bovendien is voldoende duidelijk dat BJZ in hoger beroep volhardt in de in haar schriftelijke aanwijzingen aangevoerde redenen om de omgang terug te brengen naar eens in de vier weken. Dat het hoger beroep de door de rechtbank gemaakte afweging bestrijdt, is kennelijk ook voor de ouders voldoende kenbaar geweest aangezien zij ook op die afweging zijn ingegaan. Overigens is de vraag of de grieven van BJZ ook voldoende onderbouwd zijn en kunnen slagen, een andere.

De aanwijzingen

7. Partijen zijn het erover eens dat er omgang moet zijn tussen de ouders en de kinderen, maar zijn het niet eens over de frequentie van de begeleide omgangsmomenten. Volgens de ouders is er geen reden om de omgangsregeling tussen hen en de kinderen aan te passen en de frequentie te verminderen.

8. Uit de stukken blijkt dat de ouders ontoelaatbaar gedrag vertoonden tijdens de omgang, zoals negatieve uitlatingen over de pleegouders richting de kinderen en het bespreken van de uithuisplaatsing met de kinderen. Daarnaast neemt het hof in aanmerking de problematiek van de kinderen - die nader omschreven is in de beschikking van dit hof van 11 januari 2011 in de zaak tussen partijen met zaaknummer 200.073.375 betreffende de machtiging tot uithuisplaatsing - en het feit dat de kinderen probleemgedrag vertoonden na omgangsmomenten met hun ouders, zoals onder andere verwoord in de aanwijzing. Op basis van het vorenoverwogene is het hof voldoende overtuigd dat een frequentie van eens per vier weken zoals die door BJZ in haar aanwijzing is aangegeven, het maximaal haalbare is. Het hof acht die omgangsregeling het meest in het belang van de kinderen. Weliswaar is er bij de totstandkoming van de aanwijzing niet de vereiste zorgvuldigheid betracht, zo heeft BJZ ter zitting van het hof ook aangegeven, maar dit gebrek wordt door het hof gepasseerd nu hernieuwde besluitvorming bij afweging van alle belangen niet tot een andere uitkomst zal (kunnen) leiden.

De slotsom

9. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

10. Nu het in deze zaak gaat om de belangen van minderjarige kinderen, de ouders met het gezag zijn belast en BJZ met het toezicht, ziet het hof aanleiding de kosten van het geding in hoger beroep te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

wijst af het inleidend verzoek van de ouders tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzingen van 16 september 2010 betreffende de omgangsregelingen tussen de ouders en de minderjarigen [kind 1], geboren [in 2002], [kind 2], geboren [in 2003], [kind 3], geboren [in 2007], en [kind 4], geboren [in 2009];

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.J.J. Melssen, voorzitter, M.P. den Hollander en E.F. Groot, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 11 januari 2011 in bijzijn van de griffier.