Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5714

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-05-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
107.000.275/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bewijs geleverd van brand door onzorgvuldigheid van de politie na oprollen van hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 17 mei 2011

Zaaknummer 107.000.275/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

voorwaardelijke toevoeging,

advocaat: mr. A.H. Lanting, kantoorhoudende te Leeuwarden,

voor wie gepleit heeft mr. R.J. Skála, advocaat te Haren,

tegen

Korpsbeheerder Regiopolitie Drenthe,

gevestigd te Assen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde

hierna te noemen: de Regiopolitie,

advocaat: mr. E. Post, kantoorhoudende te Rotterdam,

De inhoud van het tussenarrest van 3 juli 2009 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Het hof heeft bij zijn tussenarrest van 3 februari 2009 [appellant] een bewijsopdracht gegeven. Vervolgens heeft [appellant] een DVD gedeponeerd en een akte genomen. Daarna hebben er getuigenverhoren aan de zijde van [appellant] plaatsgevonden. Daarop heeft de Regiopolitie een akte genomen en hebben er getuigenverhoren aan haar zijde plaatsgevonden. Van de getuigenverhoren aan beide zijden is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens hebben partijen ieder een memorie na enquete genomen. Ten slotte heeft de Regiopolitie de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Bij arrest van 3 februari 2009 is [appellant] opgedragen feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat de politie na de ontmanteling van de hennepkwekerij op 7 juli 1999 de hoofdschakelaar weer in de “aan-stand” heeft gezet, als gevolg waarvan er stroom kwam te staan op de gehele elektrische installatie in het pand van [appellant].

2. Ter uitvoering van deze bewijsopdracht heeft [appellant] overgelegd een DVD met daarop een gedeelte van de (bewegende) beelden uit de video-opname die de Regiopolitie heeft gemaakt van de ontmanteling van de hennepkwekerij in het pand van [appellant] en een daarbij behorende schriftelijke toelichting van [appellant]. Tevens heeft [appellant] als getuigen doen horen zijn echtgenote [de echtgenote van appellant], zijn dochter [de dochter van appellant] en zichzelf. In contra-enquete zijn als getuigen gehoord de politiemedewerkers [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4]. Laatst genoemde getuige is na een door de wrakingskamer gegrond verklaarde wraking van de verhorende raadsheer-commissaris, opnieuw gehoord door een andere raadsheer-commissaris. Dit heeft als consequentie dat eerstbedoelde raadsheer-commissaris niet en laatstbedoelde raadsheer-commissaris wel aan de totstandkoming van dit arrest heeft bijgedragen. De raadsheer-commissaris die de getuigen aan de zijde van [appellant] heeft gehoord is niet langer bij het hof werkzaam en heeft om die reden niet aan de totstandkoming van dit arrest bijgedragen.

3. Voorts is nog van belang dat partijen aan het slot van het laatst gehouden getuigenverhoor eenparig hebben verklaard dat de producties die door de andere gedaagden in eerste aanleg zijn overgelegd ook worden geacht deel uit te maken van het procesdossier in de onderhavige zaak.

4. Het hof stelt bij de bewijswaardering voorop dat uit artikel 164 Rv volgt dat hetgeen door een partijgetuige, op wie de bewijslast rust, is verklaard geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij die partijverklaring (voldoende) geloofwaardig maken. Deze beperking geldt in ieder geval voor de getuigenverklaring van [appellant].

5. De Regiopolitie heeft betoogd dat ook de echtgenote en de dochter van [appellant] als partijgetuigen moeten worden aangemerkt. Het hof overweegt dienaangaande dat het enkele feit dat een getuige echtgenote is van een procespartij nog niet meebrengt dat deze getuige partijgetuige is (HR 29 december 1995/NJ 1996/303). De Regiopolitie heeft echter gesteld dat de echtgenote en de dochter materiële procespartijen zijn (als bedoeld in HR 22 december 1995, NJ 1997/22 en 23) en [appellant] als eiser tevens ten behoeve van hen optreedt. De Regiopolitie heeft die stelling onderbouwd met het betoog dat [appellant] en zijn echtgenote in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en dat het echtpaar [appellant] en de dochter samen een beweerd vorderingsrecht hebben ex artikel 6:15 lid 2 BW in verbinding met artikel 3:166 BW.

6. Wat betreft de dochter van [appellant] is deze onderbouwing niet te volgen, zodat het hof deze dochter niet als partijgetuige zal aanmerken. Wat betreft de echtgenote onthoudt het hof zich thans van een oordeel, omdat [appellant] op de stelling van de Regiopolitie nog niet heeft kunnen reageren. Het hof acht het, vanwege de vertraging die daardoor zou ontstaan, ongewenst om de zaak thans voor uitlating door [appellant] naar de rol te verwijzen. Het hof zal voorshands de verklaring van de echtgenote niet als partijverklaring aanmerken. Afhankelijk van de verdere bewijswaardering en de uitkomst daarvan zal het hof beslissen of alsnog een rolverwijzing op dit punt noodzakelijk is.

Dit laat onverlet dat het hof de verklaring van de echtgenote met enige terughoudendheid zal waarderen, nu zij blijkens de stukken (waaronder haar eerdere getuigenverklaring van 30 juni 2008) ook zelf (passief) betrokken was bij de exploitatie van de hennepkwekerij en ook zelf belang heeft bij een goede afloop van de onderhavige procedure voor [appellant].

7. [appellant] heeft zowel tegenover [B.V. Y] als tegenover de politie en onder ede tegenover de raadsheer-commissaris verklaringen afgelegd. Deze verklaringen komen, voor zover thans relevant en zakelijk weergegeven, op het volgende neer. Toen [appellant] na verhoor op het politiebureau thuis kwam, is hij direct koffie gaan zetten. Daarbij viel hem op dat de lichtjes van het display van de magnetron knipperden, waaruit hij afleidde dat de stroom eraf was geweest. Voorafgaand aan het koffiezetten hoefde hij niet eerst de hoofdschakelaar in de meterkast om te draaien. Terwijl de koffie liep, is hij naar de schuur gegaan en zag hij dat de vlizotrap naar beneden hing en dat op zolder een TL lamp brandde. Dit was een lamp die automatisch gaat branden als de vlizotrap naar beneden gaat.

8. De echtgenote van [appellant] heeft onder ede als getuige verklaard dat, voor zover thans relevant en zakelijk weergegeven, haar man na terugkeer van het politiebureau koffie ging zetten en dat zij naar boven ging, dat haar man toen tegen haar zei dat de display van de magnetron knipperde, waarna zij dit ook zelf waarnam. Voorts verklaarde zij dat ze voorafgaand daaraan niet eerst naar de meterkast was gegaan om iets in of uit te schakelen en dat ook haar man niet naar de meterkast was gegaan.

9. Tegenover de politie (blz. 141 van het proces-verbaal als overgelegd bij de conclusie van antwoord van Interpolis) heeft [de echtgenote van appellant], voor zover thans relevant en zakelijk weergegeven, verklaard dat zij naar boven ging en dat haar man ging telefoneren. Vervolgens kwam haar dochter thuis en ging zij ([de echtgenote van appellant]) [Z] bellen. Haar man liep naar de keuken om koffie te zetten en, toen hij de keuken weer verliet, vertelde hij dat de stroom eraf was geweest omdat de tijdsaanduiding van de magnetron knipperde.

10. Hoewel deze verklaringen van [de echtgenote van appellant] op onderdelen niet geheel op elkaar aansluiten, geven zij wel enige steun aan de verklaring van [appellant], zij het dat uit de verklaring van [de echtgenote van appellant] tegenover de raadsheer-commissaris niet blijkt op welke eigen waarneming zij haar opmerking baseert dat haar man voorafgaand aan het koffiezetten niet bij de meterkast is geweest. Aangezien zij boven was toen haar man beneden was, valt dit zonder nadere toelichting niet goed in te zien.

11. De dochter van [appellant] heeft blijkens het hiervoor genoemde proces-verbaal van politie (blz. 5/6 van het proces-verbaal) met een beroep op haar verschoningsrecht tegenover de politie geen verklaring willen afleggen. Pas op 7 mei 2009 heeft zij voor het eerst tegenover de raadsheer-commissaris een verklaring afgelegd. Aan die verklaring komt voor wat betreft het onderhavige punt echter geen betekenis toe, omdat zij blijkens haar verklaring en die van haar ouders later van het politiebureau is teruggekeerd dan haar ouders. Haar verklaring geeft dan ook geen uitsluitsel over de vraag of haar ouders bij terugkeer in de woning al of niet direct de hoofdschakelaar hebben ingeschakeld. Het feit dat zij heeft verklaard de lichtjes van de magnetron te hebben zien knipperen en een verlichting in de schuur bij de paarden te hebben zien branden maakt dat niet anders.

12. Het vorenstaande betekent dat de verklaring van [appellant] slechts enige steun vindt in die van zijn echtgenote, echter niet in die mate als hiervoor bedoeld in rechtsoverweging 4, zulks mede in aanmerking genomen de terughoudendheid waarmee het hof de verklaring van de echtgenote waardeert.

Aldus acht het hof niet afdoende bewezen dat de stroom was ingeschakeld toen [appellant] en zijn echtgenote van het politiebureau terugkwamen in de woning.

Echter, ook al zou [appellant] in zoverre in zijn verklaring wel worden gevolgd, dan nog zou daarmee niet zijn voldaan aan de bewijsopdracht. [appellant] verklaart immers tevens dat hij in de schuur de vlizotrap naar beneden hangend aantrof en de TL lamp op zolder zag branden, dit terwijl uit de film en de verklaringen van de gehoorde politiemedewerkers blijkt dat de vlizotrap door de politie na afronding van de werkzaamheden op de zolder omhoog was geklapt. De door [appellant] gegeven verklaring dat de trap blijkbaar niet goed genoeg omhoog was geklapt en uit zichzelf weer naar beneden moet zijn gezakt, wordt door geen enkel bewijsmiddel gesteund en acht het hof, gelet op de beelden van de film, ook niet aannemelijk. Dit impliceert dat indien [appellant] in zijn verklaring wordt gevolgd, iemand anders na het vertrek van de politie in de schuur moet zijn geweest. Ook deze persoon kan de stroom hebben ingeschakeld. Het feit dat de politie het pand na de operatie heeft afgesloten hoeft daar niet aan in de weg te staan.

13. Ook de film en de overige verklaringen zoals die zijn afgelegd tegenover de politie, het Bureau Integriteitszorg en de raadsheer-commissaris bieden naar het oordeel van het hof geen steun aan het probandum, noch op zichzelf of in onderling verband beschouwd, noch in aanvulling op de verklaring van [appellant] en zijn echtgenote.

14. Het feit dat in de film die van de ontmanteling is gemaakt is te horen en te zien dat hoofdagent [getuige 1] op enig moment de “stroom er weer opzet” draagt niet bij aan het bewijs, nu [getuige 1] tegenover de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat dit plaatsvond tijdens het koffiedrinken, ongeveer halverwege de operatie in het pand en dat bij het verlaten van het pand de stroom door hem weer was uitgeschakeld. Dit laatste heeft hij tevens verklaard tegenover het Bureau Integriteitszorg. De verklaring tegenover de raadsheer-commissaris wordt bevestigd door de film zelf, voor zover daarop is te zien en te horen dat tijdens het koffiedrinken de hiervoor bedoelde opmerking wordt gemaakt, het licht aangaat en daarna weer uitgaat. Ook als dat laatste zou zijn gebeurd door bediening van het lichtknopje in de bewuste ruimte, zoals [appellant] uit de film meent te moeten afleiden, dan zegt dit nog niet dat de hoofdschakelaar daarna niet weer is uitgeschakeld. Uit de film en de verklaringen van de politiemedewerkers blijkt dat na het koffiedrinken nog enige tijd is doorgewerkt. [getuige 1] heeft stellig en bij herhaling verklaard dat bij het verlaten van het pand de hoofdschakelaar door hem is uitgezet. Ook in het proces-verbaal van bevindingen dat is gemaakt op de dag van de ontmanteling, derhalve 7 juli 1999 (blz. 9 van het proces-verbaal) wordt gerelateerd dat het pand werd verlaten met de hoofdschakelaars en aardlekschakelaars in de nul-stand. Hoewel de diverse verklaringen van de verschillende betrokken politieambtenaren niet op alle onderdelen geheel op elkaar aansluiten, ziet het hof daarin geen aanleiding deze verklaringen niet te geloven.

15. Het hof komt tot de slotsom dat [appellant] niet in de bewijsopdracht is geslaagd. Gelet daarop dient een rolverwijzing als bedoeld in rechtsoverweging 6 geen enkel belang en zal deze daarom achterwege blijven. Aangezien [appellant] het opgedragen bewijs niet heeft geleverd, is de (enige) feitelijke grondslag voor zijn vordering (zie het tussenarrest van 14 juni 2006 onder 33) niet komen vast te staan. Op die constatering stranden de grieven 4 tot en met 6. Nu blijkens het tussenarrest van 14 juni 2006 ook de overige grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis van 14 juli 2004 leiden, zal dit vonnis, voor zover gewezen tussen [appellant] en de Regiopolitie, worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding (aan de zijde van de Regiopolitie voor wat betreft de te liquideren kosten van de advocaat te begroten overeenkomstig 7 punten in tarief V) .

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 14 juli 2004 voor zover gewezen tussen [appellant] en de Regiopolitie;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van de Regiopolitie tot aan deze uitspraak op € 1.889,67 aan verschotten en € 18.424,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

veroordeelt [appellant] ex artikel 244 lid 1 Rv tot betaling aan de griffier van de deskundigenkosten ad € 3.236,80;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. L. Janse, voorzitter, I. Tubben en G.T. de Jong, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 17 mei 2011 in bijzijn van de griffier.