Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5289

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
200.070.180/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen dienen de vermogensbestanden die zij gedurende het huwelijk doch voor 24 december 2008 hebben verkregen te verdelen naar Roemens recht en die verkregen vanaf 24 december 2008 naar Nederlands recht (art. 7 lid 1 sub 1 Haags Huwelijksvermogens Vedrag 1978).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 15 februari 2011

Zaaknummer 200.070.180/01

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

toevoeging,

advocaat mr. G.P. Bisschop, kantoorhoudende te Hoogezand,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Schlepers, kantoorhoudende te Hoogezand.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 13 april 2010 heeft de rechtbank te Groningen - voor zover van belang - :

- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en

- partijen gelast om:

- de vermogensbestanddelen die partijen gedurende het huwelijk doch vóór 12 augustus 2003 hebben verkregen te verdelen naar Roemeens recht;

- de tussen hen vanaf 12 augustus 2003 verkregen vermogensbestanddelen te verdelen naar Nederlands recht;

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 8 juli 2010, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 13 april 2010 te vernietigen voor zover de rechtbank partijen heeft gelast om de vermogensbestanddelen te verdelen op de wijze als in die beschikking is vermeld en opnieuw beslissende:

- te gelasten dat partijen de vermogensbestanddelen die partijen gedurende het huwelijk doch voor 24 december 2008 hebben verkregen dienen te verdelen naar Roemeens recht;

- te gelasten dat partijen de tussen hen vanaf 12 augustus 2003 verkregen vermogensbestanddelen dienen te verdelen naar Nederlands recht.

Kosten rechtens.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

De vrouw heeft op 25 januari 2011 een nader beroepschrift houdende wijziging van haar verzoek ingediend, ertoe strekkende dat waar zij in het petitum van haar beroepschrift de datum 12 augustus 2003 heeft vermeld, zij dat wijzigt in de datum 24 december 2008.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 27 januari 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn beide partijen en hun advocaten.

De beoordeling

De wijziging van het verzoek van de vrouw

1. Het hof acht deze wijziging, mede nu de man daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal derhalve het verzoek, zoals door de vrouw gewijzigd, beoordelen.

Het geschilpunt

2. Het geschilpunt tussen partijen betreft het antwoord op de vraag vanaf welke datum het toepasselijke huwelijksvermogensrecht is veranderd.

3. De vrouw stelt in de grieven I en II dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, gelet op het bepaalde in artikel 7 lid 2 sub 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, vanaf het moment waarop partijen zich in Nederland hebben gevestigd, te weten 12 augustus 2003, het Nederlands recht van toepassing is.

De vrouw voert daartoe aan dat zij op 24 december 2008 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen en dat eerst per die datum het Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime van partijen van toepassing is.

4. De man heeft het standpunt van de vrouw bestreden en is van mening dat de rechtbank op juiste gronden tot het oordeel is gekomen dat per 12 augustus 2003 het Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime van partijen van toepassing is geworden.

5. Het hof neemt bij de beoordeling van het geschil de volgende, niet dan wel onvoldoende weersproken, feiten en omstandigheden in aanmerking:

Partijen zijn op [in 2001] in [plaats] (Roemenië) gehuwd.

De man bezat toen de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Roemeense.

Partijen hebben tot 12 augustus 2003 in Roemenië gewoond en daarna onafgebroken in Nederland.

Op 24 december 2008 heeft de vrouw de Nederlandse nationaliteit verkregen, met behoud van de Roemeense nationaliteit.

6. Het hof stelt voorop dat niet is gesteld of gebleken dat partijen voor of staande huwelijk een rechtsgeldige rechtskeuze hebben uitgebracht en dat evenmin is gesteld of gebleken dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben opgemaakt.

7. Het vorenoverwogene brengt mee dat op grond van artikel 4 lid 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 vanaf de datum van de huwelijkssluiting van partijen het Roemeens recht van toepassing is op hun huwelijksvermogensregime.

Op grond van artikel 7 lid 2 aanhef en onder 1 van voornoemd verdrag wijzigt het toepasselijk recht onder meer vanaf het tijdstip dat de echtgenoten zich vestigen in het land waarvan zij beiden de nationaliteit bezitten (remigratie), dan wel vanaf het tijdstip dat zij deze verkrijgen (naturalisatie in verblijfsland).

Naar het oordeel van het hof vloeit daaruit voort dat de verandering van het toepasselijk recht pas optreedt op het moment waarop nationaliteit en verblijf samenvallen, dus vanaf het moment dat beide echtelieden de nationaliteit bezitten van het land waarin zij verblijven.

In het onderhavige geval heeft de vrouw op 24 december 2008 de Nederlandse nationaliteit verkregen, zodat vanaf die datum beide partijen de nationaliteit bezaten van het land waarin zij verbleven, in casu Nederland.

Het voorgaande leidt ertoe dat vanaf 24 december 2008 het Nederlandse recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen.

De slotsom

8. Het hof zal de beschikking waarvan beroep gedeeltelijk vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoen, een en ander als na te melden.

9. Het hof zal voorts, nu partijen gewezen echtelieden zijn, de kosten van het geding in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van 13 april 2010 van de rechtbank Groningen, waarvan beroep, voor zover daarin partijen is gelast de vermogensbestanddelen die partijen gedurende het huwelijk doch voor 12 augustus 2003 hebben verkregen te verdelen naar Roemeens recht en de tussen partijen vanaf 12 augustus 2003 verkregen vermogensbestanddelen te verdelen naar Nederlands recht;

in zoverre opnieuw beslissende:

gelast partijen de vermogensbestanddelen die zij gedurende het huwelijk doch voor 24 december 2008 hebben verkregen te verdelen naar Roemeens recht;

gelast partijen de tussen hen vanaf 24 december 2008 verkregen vermogensbestanddelen te verdelen naar Nederlands recht;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep.

Aldus gegeven door mrs. B.J.J. Melssen, voorzitter, R.Ch.Verschuur en G.K. Schipmölder, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 15 februari 2011 in bijzijn van de griffier.