Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5284

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
200.068.849-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vrouw heeft haar verzoek tot vaststelling kinderalimentatie niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig prijsgegeven, ook al heeft zij niet gereageerd op de door man ingebracht draagkrachtberekening waaruit blijkt dat hij een negatieve draagkracht heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 8 februari 2011

Zaaknummer 200.068.849

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.R. Bartels, kantoorhoudende te Drachten,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.F. de Vries, kantoorhoudende te Dokkum.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 28 april 2010 heeft de rechtbank Leeuwarden - voor zover voor dit hoger beroep van belang - het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind 1], geboren [in 2003], en [kind 2], geboren [in 2004], van € 205,50 per kind per maand dient te betalen, afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 18 juni 2010, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 28 april 2010 te vernietigen voor zover daarbij het verzoek tot veroordeling van de man tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen is afgewezen en opnieuw beslissende de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te veroordelen tot het betalen bij vooruitbetaling van een bijdrage in de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van € 205,50 per kind per maand.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 2 augustus 2010, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht het door de vrouw ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans ongegrond te verklaren.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van

28 juli 2010, met bijlagen, van mr. Bartels en een brief van 30 november 2010, met bijlagen, van mr. De Vries.

Ter zitting van 13 december 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vrouw en de man, beiden bijgestaan door hun advocaat. Mr. Bartels en mr. De Vries hebben beiden pleitaantekeningen overgelegd.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Partijen zijn [in 2003] met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] geboren. Partijen zijn van rechtswege gezamenlijk met het gezag over de minderjarigen belast.

2. In augustus 2008 zijn partijen feitelijk uit elkaar gegaan. De kinderen hebben sindsdien hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3. Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 15 juli 2009 is bepaald dat de man met ingang van 16 juni 2009 een bedrag van € 205,50 per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen. Bij beschikking wijziging voorlopige voorzieningen van 10 maart 2010 is deze bijdrage met ingang van 1 januari 2010 gewijzigd in een bedrag van € 125,-- per kind per maand.

4. Wegens het ontbreken van een ouderschapsplan heeft de rechtbank bij beschikking van 13 januari 2010 de beslissingen op de verzoeken van de moeder en het zelfstandige verzoek van de vader aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld zowel een ouderschapsplan als bewijsstukken ten behoeve van de kinderalimentatie over te leggen.

5. Bij bestreden beschikking van 28 april 2010 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Op 13 augustus 2010 heeft de griffier van dit hof verklaard dat het appel van de moeder niet is gericht tegen de echtscheiding. Het huwelijk tussen partijen is in augustus 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

6. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts - voor zover voor dit beroep van belang - beslist zoals hiervoor is weergegeven onder 'Het geding in eerste aanleg'. De vrouw heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld voor zover haar verzoek tot vaststelling van de kinderalimentatie is afgewezen.

De geschilpunten

7. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

• het prijsgeven van het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie;

• de draagkracht van de man en wel op de volgende punten:

o de schulden en wel de volgende schulden:

? debetsaldo ABN Amro;

? leaseauto;

? aanslag kinderopvangtoeslag 2009;

? bijdrage Zorgverzekeringswet 2009;

? Vodafone;

? Aivar Technologies BV;

? Bronboring Noord;

? Acera;

? ouders van de man;

o de hoogte van de woonlasten;

o de zelfstandigenaftrek.

De overwegingen

Het prijsgeven van het verzoek tot vaststelling van de kinderalimentatie

8. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen, omdat de vrouw niet heeft gereageerd op de door de man bij brief van 22 maart 2010 overgelegde draagkrachtberekening - waaruit een negatieve draagkracht van de man blijkt - en de rechtbank het er daarom voor houdt dat de vrouw zich met deze draagkrachtberekening kan verenigen. De vrouw betwist echter dat zij haar verzoek heeft prijsgegeven. Volgens haar is ten onrechte haar brief met haar standpunt met betrekking tot de stellingen van de man niet naar de rechtbank verzonden.

9. Het hof overweegt hieromtrent dat de vrouw haar verzoek niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. In hoger beroep hebben partijen gelegenheid tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen bij de procesvoering in eerste aanleg is gedaan en nagelaten. Het hof is gehouden de zaak op het bestaande hoger beroep zelf te behandelen en te beslissen. Derhalve zullen de standpunten van de vrouw omtrent de stellingen van de man in hoger beroep worden beoordeeld.

De draagkracht van de man

* De schulden

- Debetsaldo ABN Amro

10. De man stelt maandelijks een bedrag van € 176,-- aan rente te betalen over het debetsaldo op de ondernemersrekening bij de ABN Amro. Volgens de vrouw dient deze debetrente niet in de draagkrachtberekening te worden opgenomen.

11. Het hof stelt vast dat uit de stukken blijkt dat het debetsaldo op de ondernemersrekening na het uiteengaan van partijen behoorlijk is opgelopen. Nu de vrouw de stelling van de man daaromtrent niet heeft betwist, is voorts komen vast te staan dat een deel van het negatieve saldo is veroorzaakt door de aankoop van een auto tijdens het huwelijk van partijen voor de vrouw en door herinrichtingskosten van de man. Het hof is van oordeel dat de rente over dat deel van de debetstand die ten tijde van het uiteengaan van partijen bestond in de draagkrachtberekening dient te worden meegenomen. Nu de man niet de noodzaak heeft aangetoond van het daarna verder laten oplopen van het debetsaldo, zal het hof het overige deel van de schuld buiten beschouwing laten.

12. Uit de door de man overgelegde bankafschriften blijkt dat er op

31 maart 2009 een debetsaldo was van € 21.407,45, terwijl het vorige saldo

€ 15.729,7 negatief was. Het hof acht het - gelet op de door de man genoemde en door de vrouw niet betwiste bedragen met betrekking tot de auto en de herinrichtingskosten - aannemelijk dat laatstgenoemde saldo het debetsaldo was ten tijde van het uiteen gaan van partijen. Het hof zal met de bijbehorende rentebetaling van € 140,-- per maand rekening houden.

- Leaseauto

13. Het hof is met de vrouw van oordeel dat de kosten van de leaseauto buiten beschouwing moeten worden gelaten. Bij de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige is het uitgangs¬punt dat met de kosten van een leaseauto geen rekening worden gehouden. Ook wanneer de man geen leaseauto had gehad, had hij kosten moeten maken voor het in zijn bezit hebben van een eigen auto. De huidige leasekosten van € 375,-- per maand komen naar het oordeel van het hof overeen met de kosten voor onderhoud, afschrijving en vaste lasten van een eigen auto. Deze kosten dienen uit de vrije ruimte van de onderhoudsplichtige voldaan te worden. De kosten van de leaseauto zullen derhalve niet worden meegenomen in de draagkrachtberekening.

- Aanslag kinderopvangtoeslag 2009

14. De vrouw stelt dat de man de kinderopvangtoeslag kennelijk te veel heeft ontvangen, zodat hij deze moet terugbetalen. Bovendien dateert de schuld van na het uiteen gaan van partijen. De vrouw is daarom van mening dat deze schuld buiten beschouwing moet worden gelaten.

15. Het hof is van oordeel dat de terugvordering van de kinderopvangtoeslag niet in de draagkrachtberekening dient te worden betrokken, aangezien het recht op kinderopvangtoeslag is gebaseerd op een inkomenstoets van de ontvanger en, indien teveel kinderopvangtoeslag is ontvangen, de man niet gerechtigd was dit bedrag te ontvangen.

- Bijdrage Zorgverzekeringswet 2009

16. De man stelt dat een achterstand is ontstaan ten aanzien van de premie Zorgverzekeringswet, omdat hij de premie in verband met zijn schulden niet meer kon voldoen.

17. Het hof overweegt dat de premie voor de Zorgverzekeringswet een vaste last is die de man verplicht was te voldoen. De man heeft echter nagelaten de premie te betalen. Het hof is van oordeel dat de aflossing van de daardoor ontstane schuld geen prioriteit heeft boven de onderhoudsverplichting van de man. Met deze schuld zal derhalve geen rekening worden gehouden in de draagkrachtberekening.

- Vodafone

18. Volgens de man betreft de schuld bij Vodafone de bedrijfsvoering. Hij stelt overeenkomstig de betalingsregeling een bedrag van € 193,-- per maand af te lossen op deze schuld.

19. Het hof zal deze schuld buiten beschouwing laten. Uit het schuldenoverzicht, zoals opgenomen in de brief van 30 november 2010 van mr. De Vries, blijkt dat de schuld bij Vodafone reeds is afgelost. Niet bekend is wanneer de schuld precies is afgelost, maar nu de schuld uiterlijk op 30 november 2010 moet zijn afgelost, is het hof van oordeel dat de periode na het ingaan van de betalingsverplichting van de man tot aan de volledige aflossing van de schuld zo kort is, dat daarmee in redelijkheid en om proceseconomische redenen geen rekening dient te worden gehouden.

- Aivar Technologies BV

20. De man stelt dat de schuld bij Aivar Technologies BV is ontstaan doordat de leasemaatschappij verplicht stelt dat apparatuur in de leaseauto wordt geplaatst waarmee de gereden kilometers worden bijgehouden. Nu de man een andere leaseauto kreeg, moest de apparatuur worden omgebouwd, hetgeen door Aivar Technologies BV is gedaan. Volgens de man is hierdoor de schuld ontstaan. De vrouw betwist dat de apparatuur verplicht wordt gesteld. Volgens haar heeft de man zelf voor de inbouw van de apparatuur gekozen en was derhalve het aangaan van de schuld niet noodzakelijk.

21. Het hof is van oordeel dat de man - gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw - onvoldoende heeft aangetoond dat het noodzakelijk was de schuld bij Aivar Technologies BV aan te gaan. De aflossing van de schuld heeft derhalve geen prioriteit boven de onderhoudsplicht van de man en zal daarom niet worden meegenomen in de draagkrachtberekening.

- Bronboring Noord en Acera

22. Tussen partijen is niet in geschil dat de schulden bij Bronboring Noord en Acera schulden zijn die verband houden met het bedrijf van de man. Hoewel de vrouw de noodzaak van het aangaan van de schulden heeft betwist, heeft zij deze betwisting niet nader onderbouwd. Het hof is van oordeel dat met betrekking tot zakelijke schulden niet slechts de noodzaak van die schulden ter beoordeling staat, maar ook de vraag of het in het kader van de bedrijfsvoering passend is dat de verplichtingen zijn aangegaan. Naar het oordeel van het hof zijn de bij Bronboring Noord en Acera aangegane verplichtingen passend binnen het kader van de bedrijfsvoering. Voorts is het hof van oordeel dat uit de stukken voldoende blijkt dat de man in 2009 geen inkomen uit zijn onderneming genereerde, terwijl hij eerst per 1 juli 2009 loon uit loondienst genereerde, zodat hij de schulden vanwege zijn financiële situatie niet eerder had kunnen voldoen.

23. Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat niet is gebleken dat de man aflost op deze schulden. Uit de door hem overgelegde stukken blijkt immers dat de man betalingsregelingen heeft getroffen. Overeengekomen is dat de man maandelijks een bedrag van € 100,-- aflost op de schuld bij Bronboring Noord. Voorts is gebleken dat de man dit bedrag daadwerkelijk aflost. Uit de brief van 9 november 2010 van Acera, door de man overgelegd bij brief van 30 november 2010, volgt verder dat de man vanaf december 2010 een bedrag van € 320,-- per maand aflost op de schuld bij Acera. Het hof is van oordeel dat met deze aflossingen rekening dient te worden gehouden.

24. Gelet op de hoogte van de resterende schuld bij Acera zal de volledige schuld zijn afbetaald op 1 december 2011. Het hof zal derhalve tot die datum rekening houden met een aflossing van € 320,-- per maand. Vanaf 1 december 2011 zal de aflossing bij Acera buiten beschouwing worden gelaten.

- Ouders van de man

25. Het hof zal de schuld die de man bij zijn ouders heeft, niet meenemen in de draagkrachtberekening. Het hof is met de vrouw van oordeel dat deze schuld geen voorrang heeft boven een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Het hof overweegt daartoe dat onduidelijk is welke schulden zijn voldaan uit de lening bij de ouders, wanneer de lening bij de ouders is aangegaan en hoeveel de man heeft geleend. Bovendien lost de man niet af op de schuld.

* De hoogte van de woonlasten

26. De vrouw is van mening dat er - gezien het belang van de bijdrage ten behoeve van de kinderen - slechts rekening dient te worden gehouden met een bedrag van € 600,-- per maand aan huurlasten, in plaats van de door de man opgevoerde huur van € 789,-- per maand.

27. Anders dan de vrouw ingang wil doen vinden, is voor de redelijkheid van de woonlast niet de schuldenpositie van de onderhoudsplichtige maatgevend, maar dient de woonlast te worden afgezet tegen het inkomen. Ingevolge de geldende richtlijnen dient als redelijke netto woonlast te worden aangehouden een percentage van 33,3% van het berekende besteedbaar maandinkomen van de alimentatieplichtige. Gelet op de huurprijs van de woning van de man en zijn netto besteedbaar maandinkomen, zoals dat blijkt uit de hierna opgenomen draagkrachtberekening, is het hof met de man van oordeel dat er geen sprake is van een onredelijke woonlast. Het hof zal daarom het volledige huurbedrag van de man opnemen in de berekening.

* Het inkomen uit onderneming en de zelfstandigenaftrek

28. De man heeft, voor het geval geen rekening wordt gehouden met de schulden uit onderneming, verzocht om het inkomen uit onderneming mee te nemen bij het berekenen van zijn draagkracht. Het hof stelt vast dat de man thans geen inkomen uit onderneming meer heeft, maar inkomen uit loondienst, zodat in de draagkrachtberekening niet met enig inkomen uit onderneming rekening kan worden gehouden. Om diezelfde reden is het hof met de man van oordeel dat hij niet meer in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek. Het hof zal derhalve bij de berekening van de draagkracht van de man de zelfstandigenaftrek buiten beschouwing laten.

* De bijdrage van de man aan de kinderen uit zijn eerdere huwelijk

29. De man heeft uit een eerder huwelijk twee kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is. Hij heeft onbetwist gesteld dat hij op grond van een rechterlijke uitspraak in totaal € 60,-- per maand, derhalve € 30,-- per kind per maand, bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van deze kinderen.

30. Het hof overweegt dat het gebruikelijk is om de voor alimentatie beschikbare draagkrachtruimte te verdelen over alle kinderen voor wie de man onderhoudsplichtig is. Nu echter niet is aangevoerd hoe hoog de behoefte van de kinderen uit het eerdere huwelijk is, terwijl voorts onbekend is of er naast de vader nog andere onderhoudsplichtigen zijn (moeder en/of stiefouders) en in hoeverre deze bijdragen in de kosten van de kinderen, zal het hof bij de berekening van de draagkracht uitsluitend uitgaan van wat de man op basis van een rechterlijke uitspraak dient bij te dragen, derhalve in totaal € 60,-- per maand.

De draagkracht van de man

31. Gelet op het voorgaande en gelet op de overige niet-betwiste bedragen, zoals die zijn opgenomen in de bij de in eerste aanleg door de man overgelegde brief van 22 maart 2010 overgelegde draagkrachtberekening, wordt de draagkracht van de man aan de hand van de tarieven van juli 2010 als volgt berekend.

Periode tot 1 december 2010

Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking € 40.272

Vakantietoeslag € 3.222 +

Bruto inkomsten € 43.494

Ingehouden pensioenpremie € 4.032 -

Aanvullende pensioenpremie € 48 -

Loon voor premies werknemersverzekeringen € 39.414

Vergoedingen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW - werkgever € 2.340 +

Inkomsten uit arbeid € 41.754

- € 6.092 schijf 33,45%

- € 6.094 schijf 41,95%

- € 3.787 schijf 42,00%

Inkomstenheffing box 1 € 15.972

Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 41.754

Inkomensheffing box 1 € 15.972

Heffingskorting en standaard heffingskorting € 3.476 -

Verschuldigde inkomensheffing € 12.496 -

Besteedbaar inkomen per jaar € 29.258

Besteedbaar inkomen per maand € 2.438

Bijstandsnorm inclusief vakantiegeld € 913

Kale huur € 789

Af: 'gemiddelde basishuur' € 207 -

Woonlasten € 582 +

Nominale premie basisverzekering ZVW € 96

Door werkgever ingehouden bijdrage ZVW € 195 +

Af: in bijstandsnorm begrepen deel ZVW € 44 -

Ziektekosten € 247 +

Kosten omgangsregeling € 119 +

Rente ABN Amro € 140 +

Aflossing Bronboring Noord € 100 +

Aflossing Acera € 320 +

Alimentatie kinderen eerdere huwelijk € 60 +

Draagkrachtloos inkomen € 2.481 -

Draagkrachtruimte € 0

32. Gelet op het voorgaande heeft de man tot 1 december 2011 geen draagkracht om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] te voldoen.

Periode vanaf 1 december 2011

Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking € 40.272

Vakantietoeslag € 3.222 +

Bruto inkomsten € 43.494

Ingehouden pensioenpremie € 4.032 -

Aanvullende pensioenpremie € 48 -

Loon voor premies werknemersverzekeringen € 39.414

Vergoedingen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW - werkgever € 2.340 +

Inkomsten uit arbeid € 41.754

- € 6.092 schijf 33,45%

- € 6.094 schijf 41,95%

- € 3.787 schijf 42,00%

Inkomstenheffing box 1 € 15.972

Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 41.754

Inkomensheffing box 1 € 15.972

Heffingskorting en standaard heffingskorting € 3.476 -

Verschuldigde inkomensheffing € 12.496 -

Besteedbaar inkomen per jaar € 29.258

Besteedbaar inkomen per maand € 2.438

Bijstandsnorm inclusief vakantiegeld € 913

Kale huur € 789

Af: 'gemiddelde basishuur' € 207 -

Woonlasten € 582 +

Nominale premie basisverzekering ZVW € 96

Door werkgever ingehouden bijdrage ZVW € 195 +

Af: in bijstandsnorm begrepen deel ZVW € 44 -

Ziektekosten € 247 +

Kosten omgangsregeling € 119 +

Rente ABN Amro € 140 +

Aflossing Bronboring Noord € 100 +

Alimentatie kinderen eerdere huwelijk € 60 +

Draagkrachtloos inkomen € 2.161 -

Draagkrachtruimte € 277

33. Van de draagkrachtruimte is 70%, derhalve € 194,-- per maand, beschikbaar voor alimentatie ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] in de periode vanaf 1 december 2011. Gelet hierop en in aanmerking nemende het fiscaal voordeel buitengewone uitgaven kinderen van in totaal € 99,-- per maand is de man in staat met een bedrag van in totaal € 293,-- per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

Het aandeel van partijen in de kosten van de kinderen

34. De man is van mening dat er een draagkrachtvergelijking dient te worden opgesteld. Volgens hem heeft de vrouw een bedrag van € 377,-- per maand beschikbaar voor kinderalimentatie.

35. In beginsel dienen de onderhoudsplichtigen naar rato van hun draagkracht te voorzien in de kosten van de kinderen. Het hof zal daarom ook de draagkracht van de vrouw berekenen en aan de hand van de berekeningen ten aanzien van de man en van de vrouw vaststellen in welke mate door ieder van partijen in de behoefte van [kind 1] en [kind 2] behoort te worden voorzien.

36. De vrouw heeft in eerste aanleg bij brief van 17 maart 2010 een draagkrachtberekening overgelegd. Nu de man niets heeft ingebracht tegen de daarin opgenomen bedragen, zal het hof die berekening als uitgangspunt hanteren. Het hof zal daarbij alle heffingskortingen waarvoor de vrouw in aanmerking komt meenemen in de berekening. Gelet hierop wordt de draagkracht van de vrouw aan de hand van de tarieven van juli 2010 als volgt berekend.

Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking € 19.272

Vakantietoeslag € 1.542 +

13de maand / 14de periode € 524 +

Belaste onkostenvergoeding € 120 +

Bruto inkomsten € 21.458

Ingehouden pensioenpremie € 660 -

Aanvullende pensioenpremie € 276 -

Loon voor premies werknemersverzekeringen € 20.522

Vergoedingen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW - werkgever € 3.028 +

Inkomsten uit arbeid € 23.550

- € 6.092 schijf 33,45%

- € 2.239 schijf 41,95%

Inkomstenheffing box 1 € 8.331

Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 23.550

Inkomensheffing box 1 € 8.331

Heffingskorting en standaard heffingskorting € 6.923 -

Verschuldigde inkomensheffing € 1.408 -

Besteedbaar inkomen per jaar € 22.142

Besteedbaar inkomen per maand € 1.845

Bijstandsnorm inclusief vakantiegeld € 913

Kale huur € 439

Af: huurtoeslag € 159 -

Af: 'gemiddelde basishuur' € 207 -

Woonlasten € 73 +

Nominale premie basisverzekering ZVW € 99

Door werkgever ingehouden bijdrage ZVW € 252 +

Af: in bijstandsnorm begrepen deel ZVW € 44 -

Ziektekosten € 307 +

Kosten kinderopvang € 112 +

Draagkrachtloos inkomen € 1.405 -

Draagkrachtruimte € 440

37. Van de draagkrachtruimte is 70%, derhalve € 308,-- per maand, beschikbaar ten behoeve van [kind 1] en [kind 2].

38. Nu de man - gelet op de berekening van zijn draagkracht - tot 1 december 2011 geen draagkracht heeft om met enig bedrag bij te dragen in de behoefte van de kinderen, zal een draagkrachtvergelijking voor die periode achterwege worden gelaten.

39. Ter zitting van het hof is gebleken dat de behoefte van de kinderen € 343,-- per kind per maand bedraagt, derhalve in totaal € 686,-- per maand. Vanaf 1 december 2011 is de man in staat een bijdrage van € 293,-- per maand te voldoen. De vrouw heeft een bedrag van € 308,-- per maand beschikbaar voor de kinderen. Nu de totale beschikbare ruimte van partijen € 601,-- per maand bedraagt en derhalve de totale behoefte van de kinderen niet overstijgt, zal het hof ook voor de periode vanaf 1 december 2011 geen draagkrachtvergelijking opstellen.

40. Gelet op het voorgaande dient de man vanaf 1 december 2011 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] van € 293,-- per maand, zijnde € 146,50 per kind per maand, te voldoen.

Slotsom

41. De beschikking waarvan beroep dient gedeeltelijk te worden vernietigd en er zal opnieuw worden beslist zoals hieronder aangegeven.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij het verzoek van de vrouw is afgewezen voor de periode vanaf 1 december 2011;

en in zoverre opnieuw beslissende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind 1], en [kind 2], met ingang van

1 december 2011 op € 146,50 per kind per maand;

bepaalt dat deze bijdrage, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] is afgewezen voor de periode tot 1 december 2011.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, B.J.J. Melssen en E.F. Groot en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 februari 2011 in bijzijn van de griffier.