Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5255

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
200.064.619/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak als bedoeld in lid 1 van artikel 3:301 BW (uitspraak die in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte) is in eerste aanleg niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Inschrijving in het rechtsmiddelenregister is desondanks vereist (3:301 lid 2 BW). Appellant niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 3 mei 2011

Zaaknummer 200.064.619/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.M. Jansen, kantoorhoudende te Peize,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats]

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S.G. Rissik, kantoorhoudende te Groningen.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 18 januari 2011 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

[appellant] heeft een akte genomen.

[geïntimeerde] heeft een antwoordakte genomen, onder overlegging van een arrest van dit hof d.d. 4 november 2008 (LJN: BG4331).

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Bij bedoeld tussenarrest is [appellant] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent de vraag of het vonnis waarvan beroep, overeenkomstig het bepaalde in lid 2 van artikel 3:301 BW, is ingeschreven in de registers als bedoeld in artikel 433 Rv. Het hof heeft partijen voorts de gelegenheid geboden zich uit te laten over de vraag wat de consequenties zijn van het eventueel niet inschrijven van het beroepen vonnis in het hiervoor bedoelde register.

2. [appellant] heeft aangegeven dat (tijdige) inschrijving in de registers als bedoeld in artikel 433 Rv niet heeft plaatsgevonden. [appellant] is echter primair van oordeel dat het vonnis waarvan beroep niet een uitspraak is als bedoeld in artikel 3:301 lid 2 BW, zodat inschrijving niet nodig was.

3. Het hof kan [appellant] in dat betoog niet volgen. Wat er ook zij van de wijze waarop de voorzieningenrechter zijn dictum heeft geformuleerd, uit de verwijzing naar artikel 3:300 BW en hetgeen de voorzieningenrechter overigens onder 4.4. van het beroepen vonnis heeft overwogen, blijkt zonneklaar dat met de bepaling dat “indien [appellant] zijn medewerking aan genoemde levering niet verleent, dit vonnis voor die medewerking in de plaats treedt” wel degelijk een uitspraak is gegeven als bedoeld in lid 1 van artikel 3:301 BW. Ook over het object van levering kan geen enkele twijfel bestaan nu dat met zoveel woorden in het dictum van het beroepen vonnis wordt vermeld.

4. [appellant] heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat inschrijving niet noodzakelijk was nu het beroepen vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan en evenmin uitvoerbaar is verklaard bij voorraad, een en ander als bepaald in lid 1 van artikel 3:301 BW.

Anders dan [appellant] veronderstelt, maakt de tekst van artikel 3:301 lid 2 BW geen onderscheid tussen appel tegen vonnissen die wel en appel tegen vonnissen die niet uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard. Een dergelijk onderscheid ligt gezien de ratio van deze bepaling ook niet voor de hand. De strekking van deze bepaling is dat, in het belang van de ten aanzien van de verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid, zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat op het tijdstip waarop de termijn voor het instellen van een rechtmiddel is verstreken dat rechtsmiddel niet is ingesteld (vgl. HR 24 december 1999, LJN: AA4005 en HR 19 november 2004, LJN: AP4743). Ook wanneer een beslissing betreffende een registergoed niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is het met het oog op de ten aanzien van een dergelijk registergoed vereiste rechtszekerheid van belang dat duidelijk is of al dan niet een rechtsmiddel tegen de beslissing is aangewend, en daarmee of de beslissing (nog) niet in kracht van gewijsde is gegaan, respectievelijk (wel) in kracht van gewijsde is gegaan (zie de uitspraak van dit hof d.d. 04-11-2008, LJN: BG4331). Dat krachtens het bepaalde in artikel 350 lid 1 Rv het hoger beroep de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep schorst, doet daaraan niets af.

Slotsom

5. [appellant] zal op voet van het bepaalde in lid 2 van artikel 3: 301 BW niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep. Hij zal tevens in de kosten worden veroordeeld (salaris advocaat: 1,5 punt tarief II).

Beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 19 maart 2010;

veroordeelt [appellant] in de kosten van deze procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 314,-- aan verschotten en op € 1.341,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, voorzitter, J.H. Kuiper en H. de Hek, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 3 mei 2011 in bijzijn van de griffier.