Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5210

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
200.053.013/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft geïntimeerde sub 1 ernstig verwond en diens ex-vrouw doodgeschoten. Geïntimeerde sub 2 is de zoon van geïntimeerde sub 1 en diens ex-vrouw. Appellant is door de rechtbank Leeuwarden tot een gevangenisstraf van 20 jaar veroordeeld. In deze zaak worden vorderen geïntimeerden schadevergoeding. Appellant stelt dat het handelen niet aan hem kan worden toegerekend, omdat hij onder invloed van medicijnen (paratoxine) heeft gehandeld. Het hof verwerpt dit verweer. Het handelen van appellant kan hem op grond van artikel 6:165 BW worden toegerekend.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 165
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2011/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 3 mei 2011

Zaaknummer 200.053.013/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

advocaat: mr. D.J. van der Bij, kantoorhoudende te Drachten,

tegen

[geïntimeerde sub 1], voor zichzelf

en in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van

[de zoon],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg eiser,

hierna (zowel pro se als in hoedanigheid) te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.H. Wijnberg, kantoorhoudende te Groningen.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 8 februari 2011 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

[geïntimeerde] heeft een akte genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

Ontvankelijkheid [geïntimeerde] q.q.

1. [geïntimeerde] heeft bij zijn akte een beschikking van de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter) overgelegd. In deze beschikking heeft de kantonrechter [geïntimeerde] machtiging verleend om in deze procedure op te treden voor zijn zoon [de zoon]. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat de machtiging ook zou zijn verleend wanneer [geïntimeerde] vóór de aanvang van de procedure in eerste aanleg om het verlenen van een machtiging zou hebben verzocht.

2. Gelet op wat het hof in zijn tussenarrest heeft overwogen is [geïntimeerde] ook ontvankelijk in de door hem in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn zoon [de zoon] ingestelde vorderingen en is hij bevoegd om in deze appelprocedure in die hoedanigheid op te treden.

Vaststaande feiten

3. Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.9) van het vonnis zijn geen grieven gericht, zodat in appel van deze feiten kan worden uitgegaan. Deze feiten komen, met wat in hoger beroep nog over de feiten is komen vast te staan, op het volgende neer.

3.1. [appellant] is gehuwd geweest met [vrouw 1] (hierna: [vrouw 1]). Nadat hun huwelijk op 17 januari 2008 was omgezet in een geregistreerd partnerschap, woonden zij gescheiden van elkaar.

3.2. [geïntimeerde] heeft een geregistreerd partnerschap gehad met [de moeder] (hierna: [de moeder]). Zij woonden sinds 2 januari 2007 gescheiden, [geïntimeerde] in [woonplaats 2], [de moeder] in [woonplaats]. [de zoon] is de minderjarige zoon van [geïntimeerde] en [de moeder].

3.3. In de nacht van 1 op 2 februari 2008 heeft [appellant] [geïntimeerde] in diens woning met een vuurwapen in zijn enkel, rechterzij, bovenarm en voorhoofd geschoten. [vrouw 1] was op dat moment in de woning van [geïntimeerde] aanwezig. Zij is eveneens neergeschoten door [appellant] en heeft daarbij ernstige verwondingen opgelopen. [appellant] heeft de woning van [geïntimeerde] verlaten en is naar de woning van [de moeder] in [woonplaats] gereden, waar hij [de moeder] met een vuurwapen heeft doodgeschoten.

3.4. [de zoon], die op dat moment 8 jaar oud was, bevond zich in de nacht van 1 op 2 februari 2008 in de woning van [geïntimeerde]. Hij is ongedeerd gebleven, maar heeft gehoord wat in de woning is voorgevallen. Korte tijd later is hij op het politiebureau geconfronteerd met het bericht van de dood van zijn moeder.

3.5. Als gevolg van de door [appellant] toegebrachte verwondingen is [geïntimeerde] aan één oog blind geraakt. Zijn gezicht is volledig verminkt. Er is sprake van stoornissen op fysiek, motorisch, verstandelijk en psychisch gebied. [geïntimeerde] heeft van 2 februari tot 19 maart 2008 in het ziekenhuis gelegen. Vervolgens is hij opgenomen in een revalidatiecentrum te Beesterzwaag. In oktober 2009 was hij nog bezig met zijn revalidatie. Hij zal blijvende handicaps overhouden aan zijn verwondingen. [de zoon] is onder behandeling van een psycholoog in verband met de gebeurtenissen.

3.6. [geïntimeerde] was tot aan de schietpartij als zelfstandig ondernemer zonder personeel werkzaam als kraandrijver en machinist van ander rijdend materieel. Hij heeft zijn werkzaamheden niet kunnen hervatten.

3.7. [appellant] is door het Openbaar Ministerie strafrechtelijk vervolgd. Hem is moord en een tweevoudige poging tot moord ten laste gelegd. De (meervoudige strafkamer van de) rechtbank Leeuwarden heeft in haar vonnis van 4 juni 2009 de misdrijven moord en tweemaal poging tot moord bewezen verklaard en [appellant] daarvoor veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 jaren. De rechtbank heeft het verweer van [appellant] verworpen, dat hij de handelingen heeft verricht onder invloed van paroxetine (een door artsen voorgeschreven middel bij depressies en angststoornissen), waarbij bijwerkingen – dwanggedachten waaraan [appellant] geen weerstand kon bieden – zouden zijn ontstaan. De rechtbank heeft overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat [appellant] de delicten onder invloed van paroxetine heeft gepleegd.

3.8. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis bij (de strafkamer van) dit hof. Op 27 november 2009 heeft de strafkamer van het hof de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden, onder meer voor een door drie deskundigen te verrichten onderzoek naar mogelijk agressieve bijwerkingen van het medicijn paroxetine.

Procedure in eerste aanleg

4. [geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard en gevorderd dat [appellant] veroordeeld wordt de door hem en [de zoon] geleden en nog te lijden schade te betalen. Tevens heeft hij gevorderd dat [appellant] veroordeeld wordt tot betaling van een bedrag van € 75.000,00 aan immateriële schade aan hem en aan [de zoon], voorschotten op de materiële schade (van respectievelijk € 75.000,00 en

€ 25.000,00) aan hem en aan [de zoon] en € 7.500,00 aan buitengerechtelijke kosten, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.

5. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen, met dien verstande dat het bedrag aan immateriële schadevergoeding voor [de zoon] door de rechtbank op € 25.000,00 is bepaald.

Bespreking van de grieven

6. [appellant] geeft in de memorie van grieven aan dat hij het geschil in volle omvang aan het hof wenst voor te leggen. Het hof stelt echter vast dat de beide grieven het oordeel van de rechtbank bestrijden dat het onrechtmatig handelen van [appellant] aan hem kan worden toegerekend (grief 1) en dat hij jegens [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit deze aan hem toerekenbare onrechtmatige daad (grief 2). Nu [appellant] geen als zodanig kenbare bezwaren heeft gemaakt tegen andere oordelen van de rechtbank, zodat onduidelijk is tegen welke andere oordelen [appellant] wenst op te komen, kent het hof geen betekenis toe aan de opmerking in de memorie van grieven dat bedoeld is het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. Het hof zal in appel dan ook uitgaan van de juistheid van de niet door de grieven bestreden oordelen van de rechtbank.

7. Grief 1 betreft de vraag naar de toerekening van het onrechtmatig handelen van [appellant]. [appellant] betoogt dat hij paratoxine heeft gebruikt. Er moet, stelt hij, rekening worden gehouden met het feit dat dit gebruik heeft geleid tot agressieve dwanggedachten waaraan hij geen weerstand heeft kunnen bieden. Onder die omstandigheden kan het handelen in de bewuste nacht van 1 op 2 februari 2008 niet aan hem worden toegerekend, aldus [appellant]. Volgens [appellant] was dit bijeffect van paratoxine zodanig onbekend dat niet kan worden aangenomen dat het gebruik ervan “culpa in causa” oplevert, waardoor de gevolgen van de bijwerking ook niet krachtens verkeersopvattingen aan hem kunnen worden toegerekend. [appellant] is dan ook van mening dat de rechtbank ten onrechte, zonder dat de deskundigen in de strafzaak hebben gerapporteerd, heeft geoordeeld dat de onrechtmatige daad aan hem kan worden toegerekend. Hij bepleit dat de behandeling van de appelprocedure wordt aangehouden totdat in de strafzaak is gerapporteerd over de gevolgen van het gebruik van paratoxine. [appellant] biedt, naar het hof zijn bewijsaanbod verstaat, ook aan te bewijzen dat hij onder invloed van paratoxine tot zijn daden is gekomen.

8. Zelfs indien bij wijze van veronderstelling wordt aangenomen dat [appellant] op doktersvoorschrift paratoxine heeft gebruikt, dat dit gebruik heeft geleid tot agressieve dwanggedachten waaraan [appellant] geen weerstand kon bieden en dat hij geheel onder invloed van die dwanggedachten heeft gehandeld, betekent dit niet zonder meer dat het onrechtmatig handelen van [appellant] niet aan hem kan worden toegerekend. [geïntimeerde] heeft er reeds in eerste aanleg op gewezen dat het handelen van [appellant] in dat geval op grond van het bepaalde in artikel 6:165 BW aan hem kan worden toegerekend. Indien dat het geval is, kan in het midden blijven of [appellant] inderdaad, zoals hij stelt, onder invloed van paratoxine heeft gehandeld. Het hof zal dan ook eerst ingaan op de vraag of het handelen van [appellant] op grond van artikel 6:165 BW aan hem kan worden toegerekend indien hij onder invloed van het gebruik van paratoxine heeft gehandeld.

9. Uit artikel 6:165 lid 1 BW blijkt dat de omstandigheid dat een als doen te beschouwen gedraging onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming wordt verricht geen beletsel vormt die gedraging als een onrechtmatige daad aan de dader (mits deze veertien jaar of ouder is) toe te rekenen. De vraag rijst of onder de “geestelijke tekortkoming" niet alleen de blijvende, min of meer structurele, beperking van het verstandelijke en/of geestelijke vermogen valt, maar ook een tijdelijke beperking. Naar het oordeel van het hof is dat laatste het geval. De ratio van artikel 6:165 BW is, dat het onbillijk is dat de gelaedeerde de hem op onrechtmatige wijze toegebrachte schade zelf moet dragen. Wanneer die ratio in aanmerking wordt genomen, ligt het niet voor de hand om gedragingen die onder invloed van een blijvende geestelijke tekortkoming worden verricht wel toe te rekenen aan de dader en gedragingen die onder invloed van een tijdelijke geestelijke stoornis worden verricht niet toe te rekenen. Naar het oordeel van het hof is het zowel bij een tijdelijke als bij een blijvende geestelijke tekortkoming onbillijk dat het slachtoffer de schade van een gedraging die is verricht onder invloed van die tekortkoming zelf moet dragen. Voor dit oordeel vindt het hof steun in de parlementaire geschiedenis (vgl. Parl. Gesch. Boek 6, blz. 642/643 en 647/648), die aanwijzingen bevat dat het begrip tekortkoming ruim moet worden verstaan. Ook in de literatuur (vgl. Asser-Hartkamp &Sieburgh 6-IV* 2011/ nr. 118, Mon. BW B45 (Jansen), nr. 46, Mon. Privaatrecht 4 (Verheij), nr.46 en Losbladige Onrechtmatige Daad (Oldenhuis) aantek. 6 op artikel 6:165 BW) wordt een ruime uitleg bepleit.

10. De slotsom is dat ook wanneer [appellant], zoals hij stelt, onder invloed van het gebruik (op doktersvoorschrift) van paratoxine onrechtmatig gehandeld heeft jegens [geïntimeerde], hem dit handelen kan worden toegerekend. Een onderzoek naar de vraag of en in hoeverre het handelen van [appellant] daadwerkelijk beïnvloed is door het gebruik van paratoxine kan om die reden achterwege blijven. De grief faalt dan ook bij gebrek aan belang.

11. Met grief 2 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij aansprakelijk is voor de uit zijn onrechtmatige daad voortvloeiende schade. In de toelichting op de grief stelt [appellant] dat hij de omvang van de door [geïntimeerde] gevorderde schade betwist. [appellant] meent dat hij niet concreet op de gevorderde bedragen kan ingaan zolang niet bekend is of het onrechtmatig handelen aan hem kan worden toegerekend. Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. Wanneer [appellant] zich niet kan verenigen met de door de rechtbank toegewezen schadebedragen dient hij in de memorie van grieven uiteen te zetten welke bezwaren hij heeft tegen de beslissing van de rechtbank op dit punt. Het hof stelt vast dat [appellant] dat achterwege heeft gelaten. [appellant] is niet concreet ingegaan op de verschillende schadeposten, maar heeft volstaan met een verwijzing naar zijn opvattingen over de toerekening van de onrechtmatige daad. De grief faalt om die reden.

12. De slotsom is dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bekrachtigen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten (geliquideerd salaris van de advocaat 1 punt, tarief V).

De beslissing:

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op € 1.185,00 aan verschotten en op € 2.632,00 voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, voorzitter, H. de Hek en M.C.D. Boon-Niks, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 3 mei 2011 in bijzijn van de griffier.