Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5177

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
200.059.176
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Man miskent dat in de beoordeling van de behoeftigheid van de vrouw door het hof in 2006 niet de verwachting besloten dat haar verdiencapaciteit zal toenemen, noch dat van haar gevergd kan worden dat zij die vergroot. Geen wijziging van omstandigheden dienaangaande.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 25 januari 2011

Zaaknummer 200.059.176

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. R. de Vries, kantoorhoudende te Coevorden,

tegen

[naam man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.J.J.M. van Roosmalen, kantoorhoudende te Emmen.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 16 december 2009 heeft de rechtbank Assen de beschikking van 24 mei 2006 van dit hof gewijzigd en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 januari 2009 op nihil gesteld.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 10 maart 2010, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 16 december 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de beschikking van 24 mei 2006 van kracht blijft.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 21 april 2010, heeft de man het verzoek van de vrouw bestreden en verzocht haar in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het beroep ongegrond te verklaren, al dan niet onder aanpassing van de motivering van de bestreden beschikking.

Het hof heeft tevens kennisgenomen van een brief van 27 september 2010,

met bijlagen, van mr. De Vries.

Ter zitting van 2 november 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de advocaat van de vrouw, de man en zijn advocaat.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Partijen zijn op [1979] met elkaar gehuwd.

2. Bij beschikking van [2004] van de rechtbank Assen is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op [2004] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3. Bij beschikking van 24 mei 2006 heeft dit hof de door de man aan de vrouw te betalen te betalen partneralimentatie in hoger beroep bepaald op € 585,- per maand met ingang van 9 september 2004.

4. Bij zijn inleidend verzoekschrift heeft de man verzocht om de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2009 op nihil te stellen.

5. De vrouw heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd.

6. Bij de bestreden beschikking is conform het verzoek van de man beslist.

De geschilpunten

7. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de rechtsgang in eerste aanleg;

- de samenleving in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek;

- de wijziging van omstandigheden op het punt van de behoeftigheid van de vrouw.

De rechtsgang in eerste aanleg

8. Voor zover de vrouw klaagt over de wijze van totstandkomen van de bestreden beschikking is het hof van oordeel dat zij geen belang heeft bij behandeling van die klacht. Immers, de vrouw heeft thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld haar inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking van 16 december 2009 kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren. Aldus is het hof - anders dan de vrouw - van oordeel dat hetgeen door haar op dit punt is gesteld, wat daar ook van zij, niet tot vernietiging van de bestreden beschikking dient te leiden.

De samenleving in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek

9. Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de vrouw met haar huidige partner samenleeft als waren zij gehuwd. Het hof is van oordeel dat het (andersluidende) standpunt van de man hieromtrent - en dat door de vrouw is weersproken - geen steun vindt in de stukken.

De wijziging van omstandigheden

10. De vrouw heeft in hoger beroep gesteld dat haar behoefte niet is verminderd en dat zich aldus geen wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft voorgedaan die meebrengt dat de bij de beschikking van 24 mei 2006 vastgestelde onderhoudsbijdrage moet worden verlaagd.

11. De man heeft het standpunt van de vrouw weersproken. Hij heeft daarbij, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij van de psychische en fysieke klachten, die haar verdiencapaciteit beperkten, inmiddels zodanig is hersteld dat zij in staat kan worden geacht meer inkomen te verwerven dan waar in de beschikking van 24 mei 2006 vanuit is gegaan. Daarnaast heeft de man aangevoerd dat de vrouw inwoning heeft of heeft gehad, waardoor zij meer inkomsten heeft, althans kan verkrijgen dan waar in de beschikking van 24 mei 2006 vanuit is gegaan.

Het inkomen

12. Het hof heeft in zijn beschikking van 24 mei 2006 voor wat betreft de behoefte van de vrouw onder meer het volgende overwogen:

"12. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de vrouw thans voor 20 uur per week werkzaam is bij de Stichting De Leite. (...)

13. Voorts is uit de stukken, waaronder de brief van de huisarts d.d. 11 januari 2006, en de behandeling ter zitting gebleken dat de vrouw, thans 52 jaar, ten gevolge van de echtscheiding van partijen psychische en fysieke klachten heeft waardoor zij is beperkt in haar doen en laten, dat zij in verband met haar werkzaamheden voor de Stichting De Leite oproepbaar en (dus) flexibel moet zijn en dat er bij De Stichting De Leite geen mogelijkheden zijn om haar werkzaamheden uit te breiden.

14. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat redelijkerwijs niet van de vrouw kan worden verwacht dat zij haar werkzaamheden bij De Leite uitbreidt en evenmin dat zij weer oppaswerkzaamheden gaat verrichten."

13. Uit de stukken en de behandeling ter zitting van het hof is gebleken dat het dienstverband van de vrouw ongewijzigd is ten opzichte van het dienstverband waar in de beschikking van 24 mei 2006 vanuit is gegaan. Uit de door de vrouw overgelegde jaaropgaven over 2006 tot en met 2009 en de salarisspecificaties van januari tot en met april 2010, welke gegevens op zichzelf niet door de man zijn betwist, blijkt dat het inkomen van de vrouw zodanig is dat zij nog onverminderd een aanvullende bijdrage van de man nodig heeft om in haar behoefte te kunnen voorzien.

14. Voor zover de man heeft gesteld dat van de vrouw verwacht had mogen worden dat zij meer inkomen zou (gaan) genereren, miskent hij daarmee dat in de beoordeling van de behoeftigheid van de vrouw, zoals vastgesteld bij 's hofs beschikking van 24 mei 2006, niet de verwachting ligt besloten dat de verdiencapaciteit van de vrouw zal toenemen, noch dat (in de gegeven omstandigheden) van haar gevergd kan worden dat zij haar verdiencapaciteit vergroot.

15. Aangezien overigens niet is gesteld of gebleken dat de vrouw sinds de beschikking van 24 mei 2006 feitelijk haar werkzaamheden heeft uitgebreid of dat haar inkomsten substantieel zijn verhoogd, is naar het oordeel van het hof niet gebleken van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden op dit punt.

De woonlasten

16. Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de vrouw kostgangers/huurders heeft dan wel heeft gehad van wie zij een bijdrage in de woonlasten ontvangt dan wel heeft kunnen ontvangen die haar woonlasten structureel verminderen. Het hof is met de vrouw van oordeel dat het feit dat zij een paar maanden onderdak heeft geboden aan haar zus hetgeen - zoals onbetwist door de vrouw gesteld - verband hield met het feit dat haar zus op dat moment betrokken was bij een echtscheidingsprocedure, die conclusie niet rechtvaardigt. Ook overigens is naar het oordeel van het hof niet gebleken van andere, bij de vrouw verblijvende kostwinners of huurders.

De slotsom

17. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof in dit geval geen sprake van een zodanige wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek, die meebrengt dat de beschikking van het hof van 24 mei 2006 niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De beschikking waarvan beroep dient te worden vernietigd en er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

wijst het inleidend verzoek van de man tot wijziging van de beslissing d.d. 24 mei 2006 van het gerechtshof te Leeuwarden af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, voorzitter, G.M. van der Meer en H.J. de Ruijter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

25 januari 2011 in bijzijn van de griffier.