Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5169

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
200.078.724
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof citeert aantal overwegingen uit een eerdere eindbeschikking van 5 augustus 2010 betreffende de machtiging uithuisplaatsing en neemt die overwegingen ook over voor haar nieuwe beschikking betreffende zodanige machtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 1 maart 2011

Zaaknummer 200.078.724

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

1. [naam vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. [naam moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat mr. R. Skála, kantoorhoudende te Haren,

tegen

Bureau Jeugdzorg Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: BJZ.

Belanghebbenden:

1. [kind 1],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in [verblijfplaats],

hierna te noemen: [kind 1],

advocaat mr. J.H. Zuidema, kantoorhoudende te Groningen.

2. William Schrikker Groep,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de WSG.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 29 september 2010 heeft de kinderrechter in de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) - voor zover hier van belang - de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [kind 2], geboren op [2000] te [geboorteplaats], in een dag en nacht opvang, met ingang van 7 oktober 2010 voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 7 oktober 2011, verlengd. Daarnaast heeft de kinderrechter de termijn van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige [kind 1], geboren op [1995] te [geboorteplaats], in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg met ingang van 7 oktober 2010 voor de duur van zes maanden, derhalve tot 7 april 2011, verlengd.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 15 december 2010, hebben de ouders verzocht de beschikking van 29 september 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van BJZ tot verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing van [kind 2] en [kind 1] af te wijzen.

BJZ is in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt. Zij heeft bij brief van 7 januari 2011 laten weten dat zij de uitvoering van de ondertoezichtstellingen van beide kinderen heeft overgedragen aan de WSG.

De WSG is in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft mr. Zuidema geen verweerschrift ingediend.

Op 19 januari 2011 voorafgaand aan de mondelinge behandeling is [kind 1] in het bijzijn van haar advocaat gehoord.

Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van 21 december 2010 met als bijlage een raadsrapport van 15 oktober 2009 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) en een brief van 17 januari 2011 van mr. Skála met bijlagen die ook al eerder in het geding waren gebracht.

Ter zitting van 19 januari 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de ouders en hun advocaat en namens de WSG mevrouw K.E. Welbergen. Tevens was

mr. Zuidema aanwezig. De raad is hoewel daartoe opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De beoordeling

1. [kind 1] en [kind 2] zijn geboren uit het huwelijk van de ouders. Uit het huwelijk zijn ook geboren drie inmiddels meerderjarige zonen, Harrie op 16 mei 1984 en Freddy en Eduard op 1 december 1986, alsmede een inmiddels meerderjarige dochter, Mariska, op 28 juni 1990.

2. Bij beschikking van de rechtbank van 7 oktober 2009 zijn [kind 1] en [kind 2] voorlopig onder toezicht gesteld voor drie maanden en is tevens een machtiging tot (spoed) uithuisplaatsing verleend voor de duur van vier weken.

Bij beschikking van de rechtbank van 21 oktober 2009 - hersteld bij beschikking van 2 december 2009 - is voornoemde beschikking bekrachtigd, zijn de kinderen met ingang van 7 januari 2010 onder toezicht gesteld van BJZ voor de duur van negen maanden, derhalve tot 7 oktober 2010, en is de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling. Bij beschikking van de rechtbank van 3 december 2009, bekrachtigd bij beschikking van 9 december 2009, is [kind 1] geplaatst in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Die machtiging is voorlaatst tot 7 oktober 2010 verlengd. Vervolgens heeft de rechtbank in de beschikking waarvan beroep beslist zoals hiervoor al is weergegeven.

3. De ouders bestrijden niet de noodzaak van de verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2]. Ter zitting van het hof is gebleken dat de ouders niet langer ter discussie stellen of de uithuisplaatsing van deze kinderen indertijd wel noodzakelijk was. Centraal in deze procedure staat alleen nog de vraag of de machtigingen tot uithuisplaatsing van deze kinderen thans verlengd moeten worden.

4. Voor zover de ouders klagen over de summiere motivering van de beslissing van de rechtbank tot verlenging van de machtigingen, hebben zij bij verdere bespreking van deze klacht geen belang. De procedure in hoger beroep strekt er immers mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren. Het hof beslist bovendien op basis van een eigen beoordeling en naar de thans bestaande situatie.

5. Anders dan namens de ouders is gesteld, kan het enkele feit dat BJZ dan wel de WSG geen verweerschrift heeft ingediend niet de conclusie rechtvaardigen dat BJZ dan wel de WSG het eens is met het hoger beroep van de ouders en dat BJZ dan wel de WSG ook menen dat de uithuisplaatsing kan worden opgeheven. Uit de stukken en uit het verhandelde ter zitting blijkt dat de WSG de verzochte machtigingen nog steeds noodzakelijk acht.

6. Een machtiging tot plaatsing in een voorziening voor gesloten jeugdzorg - zoals die voor [kind 1] - kan worden verleend en verlengd indien de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn of haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat gesloten plaatsing noodzakelijk is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij of zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

7. [kind 1] verblijft sinds november 2010 in een besloten groep van Novo in Groningen. Weliswaar hebben de ouders verzocht om het inleidend verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen, maar ter zitting van het hof hebben zij aangegeven dat [kind 1] op dit moment op de juiste plek is. Zij bestrijden niet dat [kind 1] ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en dat zij een behandeling nodig heeft. De zorgen omtrent [kind 1] heeft het hof overigens omschreven in de beschikking d.d. 5 augustus 2010, gegeven op een door de ouders ingesteld beroep tegen de verlening van een machtiging tot gesloten uithuisplaatsing, in de overwegingen 7 tot en met 8 zoals die hieronder cursief zijn weergegeven. Het hof handhaaft die overwegingen.

7. [kind 1] is ernstig getraumatiseerd als gevolg van agressie en seksueel misbruik waaraan zij in haar thuissituatie heeft blootgestaan. Er is haar in de thuissituatie langdurig niet de nodige zorg en veiligheid geboden. Hierdoor is [kind 1] ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. (...)

8. Voorts blijkt uit het verslag van het psychiatrisch onderzoek van januari 2010 van drs. Vrolijk, kinder- en jeugdpsychiater van De Lindenhorst, zakelijk weergegeven onder meer het volgende. [kind 1] heeft onvoldoende veiligheid en stabiliteit in haar opvoeding ervaren en zich daardoor in sociaal-emotioneel opzicht niet goed kunnen ontwikkelen. Haar persoonlijkheidsontwikkeling is ernstig bedreigd. Naast de verkrachtingen waarvan [kind 1] melding maakt, lijkt agressie in het gezin veel voor te komen waarbij conflicten binnen en buiten het gezin op agressieve wijze werden opgelost. [kind 1] kampt met agressieproblematiek en weet bijna niet anders dan conflicten met agressie op te lossen waarbij zij zich fysiek en verbaal agressief en dreigend toont. Zij vertoont grensoverschrijdend gedrag in het sociale verkeer en is kwetsbaar voor misbruik door anderen. De traumatische ervaringen uit haar verleden heeft zij nog niet goed kunnen verwerken. Zij vertoont signalen die passen bij PTSS, waaronder herbeleving van haar ervaringen met seksueel misbruik. Tevens automutileert zij en heeft zij suïcidale gedachten. Het hof neemt de voornoemde bevindingen uit het verslag over en maakt deze tot de zijne.

Tevens verwijst het hof naar de hieronder cursief weergegeven overwegingen 15 en 16 van zijn beschikking d.d. 11 mei 2010, eveneens gegeven op een eerder door de ouders ingesteld beroep tegen de verlening van een machtiging tot gesloten plaatsing. Het hof handhaaft ook die overwegingen, met dien verstande dat de tweelingbroers zich ten opzichte van [kind 1] en - anders dan het hof eerder heeft overwogen - niet [kind 2] maar hun zus Mariska grensoverschrijdend hebben gedragen en dat het hof uit de stukken opmaakt dat niet twee maar (in ieder geval) één van de broers van [kind 2] zich naar haar grensoverschrijdend heeft gedragen.

15. Uit het raadsrapport van 15 oktober 2009 blijkt dat het opvoedingsklimaat binnen het gezin van [kind 1] en [kind 2] gedurende langere tijd onveilig en instabiel is geweest en dat de ouders onvoldoende in staat waren om op goede en passende wijze vorm te geven aan de verzorging en opvoeding van beide kinderen. Er is sprake geweest van traumatische gebeurtenissen en geweld in de vorm van seksueel misbruik dan wel grensoverschrijdende gedragingen op seksueel gebied ten opzichte van [kind 1] (...) door, in ieder geval, twee van hun oudere broers. Bovendien is al langere tijd sprake van een conflictueuze verhouding tussen de ouders en diverse buurtbewoners die de laatste tijd heftiger is geworden. De ouders hebben [kind 1] en [kind 2] gedurende langere tijd feitelijk onvoldoende bescherming kunnen bieden en zijn er niet in geslaagd hen voldoende buiten de strijd tussen de volwassenen te houden.

16. Het hof is in dat verband van oordeel dat de ouders ook dan in hun ouderlijke verantwoordelijkheid tegenover [kind 1] en [kind 2] tekortgeschoten zijn wanneer zij, zoals zij hebben gesteld, tot voor kort geen kennis hadden van het seksueel misbruik dan wel grensoverschrijdende gedrag van hun zonen tegenover [kind 1] en [kind 2] en volgens eigen zeggen evenmin duidelijke aanwijzingen voor dergelijk misbruik of gedrag hebben gekregen. Het seksueel misbruik en de grensoverschrijdende gedragingen hebben immers plaatsgevonden binnen de gezins- en thuissituatie en het hof is, met de raad, van oordeel dat van de ouders meer oplettendheid en alertheid gevraagd had mogen worden, te meer nu gebleken is dat ook in de voorgeschiedenis van de beide broers sprake is geweest van seksueel misbruik. Door het absolute vertrouwen dat de ouders niettemin in hun zonen meenden te mogen hebben, hebben zij het vertrouwen beschaamd dat [kind 1] en [kind 2] in hen als ouders mochten hebben. Er kan dan ook niet worden gezegd dat de ouders niet zouden zijn tekortgeschoten.

8. De ernst van de gedragsproblemen van [kind 1] brengt mee dat de uithuisplaatsing nodig is om de noodzakelijke zorg en veiligheid voor haar te kunnen garanderen. Ofschoon er thans verbetering is, acht het hof die nog kwetsbaar. [kind 1] heeft aangegeven, dat zij bij Novo een paar keer is weggelopen. Het hof heeft van [kind 1] begrepen dat zij sinds kort niet meer wegloopt, omdat ze anders weer naar een gesloten groep moet. Naar het oordeel van het hof is de machtiging tot gesloten plaatsing dan ook nog steeds vereist om te voorkomen dat [kind 1] zich aan de voor haar nodige zorg zal onttrekken. Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank om de machtiging tot plaatsing van [kind 1] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg bekrachtigen.

9. Een machtiging tot uithuisplaatsing - zoals die van [kind 2] - kan worden verleend en verlengd indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van een minderjarige of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van een minderjarige.

10. De hiervoor weergegeven overwegingen 15 en 16 van de beschikking van het hof d.d. 11 mei 2010 gelden ook voor [kind 2]. Daarnaast handhaaft het hof de hierna cursief weergegeven overwegingen 17 en 18 uit die beschikking.

17. Verder blijkt uit het rapport van de raad dat al een aantal jaren zorgen bestaan omtrent de cognitieve en de sociaal-emotionele ontwikkeling van [kind 2]. Volgens informatie van de school heeft [kind 2] groep 3 overgedaan, had zij in groep 4 moeite met de leerstof, terwijl in groep 5 (schooljaar 2009/2010) geen progressie meer waarneembaar was. Daarbij is vermeld dat in het schooljaar 2008/2009 een didactisch onderzoek is afgenomen op grond waarvan de school een nader psychologisch onderzoek heeft willen aanvragen om meer zicht te krijgen op het ontwikkelingsniveau van [kind 2], maar dat de ouders een dergelijk onderzoek onnodig achtten omdat zij meenden dat [kind 2] geen leerproblemen heeft. [kind 2] vertoont voorts een opvallende terughoudendheid en geslotenheid in haar gedrag, verkeert in een sociaal isolement en krijgt door de (over)beschermende en controlerende houding van haar ouders onvoldoende ruimte voor een vrije en eigen ontwikkeling.

18. Uit de rapportage van de raad leidt het hof af dat de achterstanden in de ontwikkeling en de bestaande gedragsproblematiek van [kind 2] in de eerste plaats het gevolg zijn van de onveilige en verwaarlozende verzorgings- en opvoedingssituatie en niet, zoals de ouders ter zitting in hoger beroep hebben betoogd, te wijten zijn aan de (wijze van) uithuisplaatsing zelf. Voor het hof staat vast dat [kind 2] ernstig is beschadigd door de onveilige, instabiele en verwaarlozende thuissituatie en dat zij, ook gezien haar eigen verstandelijke beperkingen, meer achterstanden in haar ontwikkeling heeft opgelopen dan nodig is geweest.

11. De ouders hebben aangevoerd dat er op dit moment geen aanwijsbare psychische problemen meer bij [kind 2] zijn. Het hof volgt die stelling niet om de volgende redenen.

Omdat er in het gezin langdurig sprake is geweest van een onveilige en verwaarlozende verzorgings- en opvoedingssituatie, acht het hof het gestelde niet zonder meer aannemelijk.

Het gesloten gezinssysteem dat het hof in zijn beschikking d.d. 5 augustus 2010 nog in zijn overwegingen heeft betrokken, is veranderd doordat er inmiddels een goede samenwerking tussen de ouders en de WSG tot stand is gekomen. Dat is weliswaar een positieve ontwikkeling, maar dat neemt de ontwikkelings- en gedragsproblematiek van [kind 2] niet weg. Het hof acht genoemde positieve ontwikkeling bovendien nog te kort om te kunnen concluderen dat die verandering bestendig is. In de voorgaande jaren waren de ouders afwijzend zowel tegen school als hulpverleners. Of dat voortaan anders zal zijn en blijven, is vooralsnog nog onzeker.

12. Zoals het hof in zijn beschikking van 11 mei 2010 heeft overwogen, is het voor een goede beoordeling omtrent de meest geschikte plaatsing van [kind 2] noodzakelijk dat duidelijk wordt welke specifieke benadering en mogelijk ook welke behandeling [kind 2] nodig heeft. Anders dan de ouders betogen, zal voordat vervolgens een thuisplaatsing mogelijk aan de orde kan zijn, er eerst zicht moeten komen op de (opvoedings)mogelijkheden van de ouders, opdat kan worden bezien of en in hoeverre zij, zo nodig met steun en begeleiding van deskundigen, aan [kind 2] de specifieke zorg kunnen bieden die zij nodig heeft en of en in hoeverre zij - zoals zij hebben gesteld - anders dan voorheen de voor [kind 2] nodige stabiliteit en veiligheid kunnen bieden. Het hof acht het nog steeds van belang dat hiertoe in de eerste plaats ten aanzien van [kind 2], maar (mogelijk) ook ten aanzien van de ouders, het nodige onderzoek zal moeten plaatsvinden.

13. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat voortzetting van de uithuisplaatsing van [kind 2] op dit moment noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De omstandigheid dat voornoemd onderzoek nog niet (geheel) heeft plaatsgevonden, brengt niet mee dat [kind 2] - zoals de ouders willen - al wel thuisgeplaatst zou kunnen worden. Het door de ouders onder punt 5 van hun beroepschrift aangevoerde leidt het hof evenmin tot een ander oordeel.

Slotsom

14. Het hof zal daarom de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.