Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5152

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
200.069.159
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondanks positieve ontwikkelingen beschikken ouders niet over voldoende opvoedingsvaardigheden en is het niet in belang van de minderjarige dat hij op termijn bij ouders gaat wonen. Netwerkplaatsing mislukt en behandeling moeder voortijdig beëindigd zonder succes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 1 maart 2011

Zaaknummer 200.069.159

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

1. [naam moeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

2. [naam vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat mr. M. Lok, kantoorhoudende te Assen,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad,

Belanghebbenden:

1. de pleegouders,

wonende op een geheim adres,

2. William Schrikker Jeugdbescherming (namens Bureau Jeugdzorg Drenthe),

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: WSJ.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 24 maart 2010 heeft de rechtbank Assen de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarige [kind] (hierna: [kind]), geboren op [2007] te [geboorteplaats], en de voogdij over de minderjarige opgedragen aan Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe, waarbij WSJ de maatregel kan uitvoeren.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 24 juni 2010, hebben de ouders verzocht de beschikking van 24 maart 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de raad strekkende tot een gedwongen ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag af te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 9 augustus 2010, heeft de raad het verzoek bestreden en verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en deze beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 14 januari 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de ouders, bijgestaan door hun advocaat, en de heer Zijlstra namens de raad. Namens WSJ zijn mevrouw Otter (gezinsvoogd) en de heer De Jonge verschenen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Uit de affectieve relatie tussen de vader en de moeder is [kind] geboren. De moeder was - tot de beschikking waarvan beroep - alleen belast met het gezag over [kind]. De vader heeft [kind] erkend.

2. Bij beschikking van 17 september 2007 is een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] uitgesproken. [kind] was toen dertien dagen oud. De definitieve ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is vervolgens uitgesproken, ingaande op 12 december 2007. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] zijn steeds verlengd, laatstelijk met ingang van 12 december 2009 voor de termijn van een jaar.

3. [kind] verblijft in een pleeggezin. De vader en de moeder hebben thans eenmaal per zes weken, gedurende een uur, omgang met [kind].

4. De raad heeft de rechtbank - bij inleidend verzoek van 18 januari 2010 - verzocht de moeder gedwongen te ontheffen van het gezag over [kind].

5. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist zoals hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiertegen in hoger beroep gekomen.

De overwegingen

6. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 BW kan een ouder worden ontheven van het gezag over zijn kind op de grond dat de ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Op grond van het bepaalde in artikel 1:268 lid 1 BW kan een ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich tegen de ontheffing verzet. Deze regel lijdt slechts uitzondering indien er sprake is van een van de situaties als bedoeld in lid 2 onder a tot en met d van dit artikel.

7. Op grond van artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW kan een ontheffing, ondanks verzet van de ouder, worden uitgesproken indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

8. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat zowel bij de vader als bij de moeder sprake is van een belaste voorgeschiedenis. De moeder heeft een moeilijke jeugd gehad, waar onder meer mishandeling en seksueel misbruik heeft plaatsgehad. De vader heeft langdurig alcohol en softdrugs gebruikt en heeft moeite met het reguleren van agressie. De ouders hebben aangegeven hun leven thans onder controle te hebben. De ouders hebben hulp gezocht voor hun problematiek. Zo hebben de ouders intensieve begeleiding van 'De Leite' voor het op orde houden van hun leven en huishouden en heeft de moeder wekelijkse begeleidingsgesprekken bij 'De Leite'. De vader heeft aangegeven momenteel geen last meer te hebben van verslavingsgevoelens en stelt regelmatig contact te hebben met Verslavingszorg Noord Nederland (VNN).

9. Hoewel het hof - evenals de rechtbank - van oordeel is dat de ouders een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt, is het niet in het belang van [kind] dat hij op termijn weer bij de ouders wordt geplaatst. De ouders beschikken, vanwege hun belaste voorgeschiedenis en hun geringe leerbaarheid in combinatie met hun beperkt verstandelijke vermogens, aldus de raad, over onvoldoende opvoedingsvaardigheden om zelfstandig de zorg voor [kind] op zich te nemen. De ouders hebben geen inzicht in de verschillende ontwikkelingstadia die [kind] doormaakt. Ook ter terechtzitting in hoger beroep hebben de ouders de indruk gewekt niet te weten wat er bij de opvoeding en verzorging van een driejarig kind komt kijken. Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de ouders ongeschikt en onmachtig zijn om de opvoeding en verzorging van [kind] op zich te nemen.

10. Het is nog steeds de wens van de ouders om [kind] op termijn thuis te krijgen. Zo hebben de ouders aangegeven dat de kans niet uitgesloten mag worden dat zij in de toekomst zelf weer voor [kind] kunnen zorgen. De ouders geven aan open te staan voor intensieve gezinsbehandeling en 24-uursbegeleiding. De raad heeft aangegeven niet voornemens te zijn om (weer) in te zetten op begeleiding van de ouders met betrekking tot hun opvoedingsvaardigheden, omdat hierop in het verleden al meerdere malen tevergeefs is ingezet. Zo is [kind] op 20 december 2007 bij de grootouders (vaderszijde) geplaatst in het kader van een netwerkplaatsing en zijn [kind] en de moeder op 30 juni 2008 opgenomen voor behandeling op 'De Eekwal'. De behandeling op 'De Eekwal' is op 8 augustus 2008 beëindigd, omdat er geen sprake was van behandelwinst en de moeder niet wilde samenwerken met het personeel van 'De Eekwal'. De netwerkplaatsing is mislukt omdat er binnen de familie geregeld conflicten waren door het agressieve gedrag van de moeder over (de situatie van) [kind].

11. De raad heeft aangegeven dat [kind] een kwetsbare jongen is en dat er bij hem problemen met de hechting zijn geconstateerd. Deze problemen zijn het gevolg van de vele verplaatsingen die [kind], in zijn nog jonge leven, heeft meegemaakt. Er is thans sprake van een stabiele situatie en het gaat goed met [kind] in het pleeggezin. Het is, volgens de raad, in het belang van [kind] dat hij in het pleeggezin kan blijven. Iedere verandering die [kind] nog zal moeten doormaken is eigenlijk al teveel. De raad is van mening dat het belang van [kind] het meest gebaat is bij een blijvende plaatsing in het pleeggezin. [kind] lijkt zich in het pleeggezin te hechten.

12. De moeder stelt dat een ontheffing van haar gezag niet nodig is, omdat [kind] geen last heeft van de jaarlijkse verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing en zij altijd haar toestemming heeft verleend voor medische zaken aangaande [kind]. De raad heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de moeder weliswaar voor medische zaken aangaande [kind] haar toestemming heeft verleend, doch haar medewerking aan het identiteitsbewijs van [kind] heeft onthouden waardoor in dit kader een procedure diende te worden gevoerd. WSJ stelt dat de ouders in het verleden erg strijdlustig zijn geweest bij de verlengingen van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [kind], en het risico bestaat dat de spanningen bij de ouders in de toekomst weer zullen oplopen.

13. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor de ontheffing is voldaan. Een ontheffing zal bovendien rust met zich brengen en ervoor zorgen dat er bij alle betrokkenen duidelijkheid bestaat over het perspectief van [kind].

Slotsom

14. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, voorzitter, J.M. Rowel-van der Linde en G.M. van der Meer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 1 maart 2011 in bijzijn van de griffier.