Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5120

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
200.019.892
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank stelde behoefte vrouw vast i.o.m. de zogenaamde 60% norm. Man betwist die behoefte nu de vrouw de betaalde partneralimentatie ten goede heeft laten komen aan dochter. De vrouw heeft in belang dochter concessie gedaan aan eigen behoefte en beïnvloed haar behoefte te beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 24 februari 2011

Zaaknummer 200.019.892

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[naam man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.J. Buitenhuis,

kantoorhoudende te Paterswolde,

tegen

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.M. Hoelen,

kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van de tussenbeschikkingen van 7 juli 2009 en 20 mei 2010 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Na voormelde tussenbeschikking van 20 mei 2010 is ter griffie van het hof ingekomen een tweetal brieven van 25 respectievelijk 31 augustus 2010 met bijlagen van mr. Hoelen.

Ter zitting van 9 september 2010 is de zaak opnieuw behandeld. Verschenen zijn partijen en hun advocaten.

De beoordeling

De feiten

1. Bij beschikking van 14 februari 2006 heeft de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw op die datum bepaald op € 1.026,- netto per maand. Hierop strekte naar het oordeel van de rechtbank in mindering de door de vrouw

ontvangen werkloosheidsuitkering van € 748,- netto per maand, hetgeen resulteerde in een behoefte aan een bijdrage van de man van € 278,- netto, zijnde

€ 463,- bruto per maand. Op dit bedrag is met ingang van 27 oktober 2005 de onderhoudsbijdrage vastgesteld, omdat de draagkracht van de man daarvoor toereikend was.

2. Op 30 oktober 2007 heeft de man zich tot de rechtbank gewend met het verzoek - kort gezegd - de alimentatieverplichting te beëindigen, omdat de vrouw is gaan samenleven met de heer [Naam x] (hierna: [naam x]) als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW. De vrouw heeft zich hiertegen verweerd.

3. Ter zitting in eerste aanleg van 20 mei 2008 heeft de man zijn verzoek aangevuld in die zin dat hij (subsidiair) nihilstelling van de partneralimentatie wenst, omdat de vrouw niet langer behoeftig zou zijn.

4. Bij beschikking van 2 september 2008 heeft de rechtbank de verzoeken van de man afgewezen. De rechtbank is aan de stelling van de man dat de vrouw niet meer behoeftig is voorbij gegaan, nu deze stelling op geen enkele wijze is toegelicht of onderbouwd. Tegen deze beschikking is het appel van de man gericht.

5. Bij tussenbeschikking van 7 juli 2009 is de man in hoger beroep opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de vrouw is gaan samen-wonen als bedoeld in artikel 1:160 BW. Op 5 november 2009 heeft een getuigen-verhoor aan de zijde van de man plaatsgevonden. Op 7 januari 2010 heeft een contra-enquête aan de zijde van de vrouw plaatsgevonden. Bij tussenbeschikking van 20 mei 2010 is het beroep van de man op artikel 1:160 BW verworpen en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6. Thans dient nog te worden beslist op het in het appelschrift van de man geformuleerde meer meer subsidiaire verzoek dat de vrouw niet langer behoefte

heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Voorts dient de getuigentaxe van [naam x] te worden vastgesteld.

De behoefte van de vrouw

7. Als uitgangspunt geldt dat de behoefte van de gewezen echtgeno(o)t(e) wordt

gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhouds-gerechtigde in redelijkheid past, daarbij (mede) gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk.

8. Zoals hiervoor vermeld heeft de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw per 14 februari 2006 bepaald op € 1.026,- netto per maand. De rechtbank heeft deze behoefte berekend aan de hand van de zogenaamde "60%-formule".

9. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad mag bij de bepaling van de behoefte niet slechts uit worden gegaan van de 60%-formule als er ook andere behoeftebepalende elementen zijn aangevoerd. Dat laatste heeft de man in dit geval gedaan. Hij heeft gesteld dat de behoefte van de vrouw feitelijk lager is gebleken dan 60% van het besteedbaar gezinsinkomen tijdens hun huwelijk. De man heeft daartoe aangevoerd dat de vrouw de door hem in de afgelopen jaren betaalde partneralimentatie aan de dochter van partijen ten goede heeft laten komen. Kennelijk had de vrouw deze gelden zelf niet nodig, aldus de man.

10. Gebleken is dat de vrouw sinds het uiteengaan van partijen ernstig onder de normale levensstandaard heeft geleefd. Zo heeft zij een zwervend bestaan geleid, teneinde woonlasten uit te sparen. Door zeer sober te leven heeft de vrouw structureel een bijdrage kunnen leveren in de studiekosten van de (gehandicapte) dochter van partijen. Een en ander betrof echter een tijdelijke situatie. Thans is de dochter afgestudeerd en heeft de vrouw eigen woonruimte betrokken.

11. Anders dan de man is het hof van oordeel dat het feit dat de vrouw onder de gegeven omstandigheden van minder heeft kunnen rondkomen dan normaal

gesproken het geval zou zijn geweest, geen invloed heeft op haar behoefte.

Hoe de vrouw die behoefte feitelijk invult staat haar vrij. Dat zij in het belang van haar dochter concessies heeft gedaan aan haar eigen behoefte siert de vrouw. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van de 60%-norm zoals de rechtbank op 14 februari 2006 heeft gedaan.

De behoeftigheid van de vrouw

12. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 1 BW heeft een gewezen echtgenoot recht op een uitkering tot levensonderhoud, indien deze niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.

13. De werkelijke of fictieve (dit is: in redelijkheid te verwerven) inkomsten van de onderhoudsgerechtigde verminderen de behoefte aan een bijdrage van de onderhoudsplichtige. Dit zal leiden tot een nihilstelling of vermindering van de alimentatie op grond van de omstandigheid dat de onderhoudsgerechtigde geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud voorziet of kan voorzien.

14. Bij beschikking van 14 februari 2006 heeft de rechtbank rekening gehouden met een eigen inkomen van de vrouw van € 748,- netto per maand. Dit betrof een werkloosheidsuitkering inclusief vakantiegeld.

15. Uit de door de vrouw overgelegde aangifte IB 2008, opgemaakt door Veldman & Van Dijk, Administraties en Belastingadviezen, volgt dat zij in dat jaar een bruto inkomen uit overige werkzaamheden (alfahulp, freelancer) heeft gehad van

€ 12.000,- minus € 750,- = € 11.250,-. Uit een berekening IB 2009 van genoemde Veldman & Van Dijk volgt dat de vrouw in dat jaar € 8.150,- bruto inkomsten uit overige werkzaamheden heeft genoten. Thans ligt haar inkomen op hetzelfde niveau als in 2009, aldus de vrouw. Zij heeft onbetwist als verklaring voor de daling in haar inkomen gegeven dat na het overlijden van haar werkgever een reorganisatie heeft plaatsgevonden op het vakantiepark waar zij kantinewerkzaamheden verrichtte.

16. Aan de man kan worden toegegeven dat de vrouw weinig concrete gegevens over haar inkomenssituatie heeft overgelegd. De vrouw stelt dat haar inkomen contant wordt afgerekend, zodat het haar aan bewijsstukken ontbreekt. Wel dient zij hierover inkomstenbelasting te betalen, aldus de vrouw. Het hof zal uitgaan van de door de vrouw gestelde inkomsten, nu de belastingdienst daarmee (kennelijk) ook akkoord gaat en de vrouw een plausibele verklaring heeft gegeven voor de daling in haar inkomen.

17. De vrouw is op zoek naar ander en/of meer werk. Zij heeft voorheen o.a. gewerkt als cassière, schoonmaakhulp en telemarketeer, maar zij is verder ongeschoold.

18. Gelet op het feit dat de vrouw thans 53 jaar oud is en dat zij geen beroepsopleiding heeft genoten, acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw niet in staat is door arbeid meer inkomsten te verwerven dan zij thans doet.

19. Na indexering bedraagt de nettobehoefte van de vrouw per 1 januari 2008

€ 1.067,- en per 1 januari 2009 € 1.109,- per maand. Naast haar inkomen uit overige werkzaamheden kan de vrouw door aanvulling van een onderhoudsbijdrage van de man van € 350,- respectievelijk € 720,- bruto per maand in deze behoefte voorzien, zoals blijkt uit de aangehechte berekeningen. De door de man op basis van de beschikking van 14 februari 2006 verschuldigde alimentatie bedraagt na indexering per 1 januari 2008 € 486,- en per 1 januari 2009 € 505,- bruto per maand. Aldus is er geen plaats voor een vermindering van de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie per 1 januari 2009, maar wel voor het jaar 2008. In dat jaar had de vrouw slechts behoefte aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud van € 350,- bruto per maand, terwijl de man gehouden was € 486,- per maand aan haar te betalen.

De ingangsdatum

20. In zaken waarin wijziging wordt verzocht van een vastgestelde alimentatiebijdrage is het gebruikelijk dat deze wijziging eerst ingaat op de datum

waarop het inleidend verzoek ter griffie van de rechtbank is ingediend. In de onderhavige zaak is dit op 30 oktober 2007 geschied.

21. Echter, het op 30 oktober 2007 door de man ingediende verzoek is niet zozeer een wijzigingsverzoek als wel een beëindigingsverzoek van de partneralimentatie. De man heeft eerst ter zitting van 20 mei 2008 zijn verzoek in die zin aangevuld dat hij (subsidiair; in het geval niet tot beëindiging op grond van artikel 1:160 BW wordt besloten) een wijzigingsgrond aanvoert die tot nihilstelling van de partneralimentatie zou moeten leiden, te weten een gebrek aan behoefte/behoeftigheid aan de zijde van de vrouw.

22. Aangezien de vrouw pas na 20 mei 2008 rekening heeft kunnen en moeten houden met de mogelijkheid dat de bijdrage zou worden gewijzigd indien deze niet zou worden beëindigd, acht het hof redenen aanwezig, in afwijking van hetgeen gebruikelijk is, de ingangsdatum van voornoemde betalingsverplichting te bepalen op 20 mei 2008.

23. Op grond van het vorenstaande zal het hof de partneralimentatie over de periode van 20 mei 2008 tot en met 31 december 2008 bepalen op € 350,- per maand en met ingang van 1 januari 2009 de eerder in rechte vastgestelde bijdrage laten herleven. Per 1 januari 2009 bedraagt deze € 505,- per maand.

24. Het is het hof niet bekend of deze beslissing leidt tot een terugbetalings-verplichting van de vrouw, aangezien niet bekend is of de man aan zijn betalingsverplichtingen jegens haar heeft voldaan. Voor het geval een terugbetalingsverplichting ontstaat, stelt het hof vast dat de vrouw niets gesteld heeft waaruit zou behoren te worden afgeleid dat zij niet tot terugbetaling van het overigens relatief geringe bedrag aan teveel ontvangen alimentatie in staat zou zijn. De behoedzaamheid die het hof in dezen dient te betrachten leidt in dit geval dan ook niet tot de beslissing dat geen terugbetaling behoeft plaats te vinden.

De getuigentaxe van [naam x]

25. Bij beschikking van 20 mei 2010 is overwogen dat de man als de op het punt van artikel 1:160 BW in het ongelijk gestelde partij bij eindbeschikking zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure voor wat betreft de getuigentaxen. Partijen twisten nog over de hoogte van de taxe van [naam x].

26. [naam x] is als getuige verschenen ter zitting van het hof van 7 januari 2010 om 13.30 uur. Ter gelegenheid daarvan heeft [naam x] aanspraak gemaakt op een vergoeding van € 10.000,- in verband met gederfde winst. De reiskosten nam hij voor eigen rekening. In de brief van mr. Hoelen van 18 februari 2010 is - kennelijk namens [naam x] - aangegeven dat deze bij nader inzien verzoekt om een vergoeding voor 8 uren à € 138,- is € 1.104,-, vermeerderd met € 27,93 voor reiskosten.

27. Hoewel hij daartoe bij beschikking van 20 mei 2010 expliciet in de gelegenheid is gesteld, heeft de man niet eerder dan ter zitting van 9 september 2010 gereageerd op het reeds op 18 februari 2010 bijgestelde voorstel van [naam x] ter vaststelling van zijn taxe. Op die zitting is namens de man aangevoerd dat het maar de vraag is of [naam x] op 7 januari 2010, gelet op de winterse kou, daadwerkelijk zou zijn gaan varen als hij op die dag niet als getuige zou zijn gehoord.

28. Het in een zodanig laat stadium van de procedure zonder nadere onderbouwing enkel stellen van een dergelijke vraag acht het hof niet voldoende om de door [naam x] opgevoerde gederfde winst in twijfel te trekken. Een nadere onderbouwing van de zijde van de man had voor de hand gelegen, bijvoorbeeld in de vorm van het weerbericht van 7 januari 2010.

29. [naam x] wenst in totaal € 1.131,93 vergoed te krijgen. De taxe van de broer van de man is vastgesteld op € 1.745,-. Daarin zit weliswaar een iets groter deel aan reiskosten, omdat de broer verder weg woont dan [naam x], maar voor wat betreft de inkomensderving ziet het hof geen aanleiding met twee maten te meten. Dat de

broer van de man aanzienlijk meer zou verdienen dan [naam x] is gesteld noch

gebleken. Aldus wordt de taxe van [naam x] vastgesteld op € 1.131,93.

Slotsom

30. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

31. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn worden de kosten van het geding in beide instanties gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

wijzigt de beslissing van de rechtbank Groningen van 14 februari 2006 en bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 20 mei 2008 op € 350,- per maand en vanaf

1 januari 2009 op € 505,- per maand;

bepaalt dat deze bijdragen, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dienen te worden voldaan;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

veroordeelt de man in de taxe van de getuige [Naam x], wonende te [woonplaats], ten bedrage van € 1.131,93;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in beide instanties draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, B.J.J. Melssen en J.G. Idsardi, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 24 februari 2011 in het bij zijn van de griffier.