Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5069

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
200.082.521
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoekschrift verlenging uithuisplaatsing te laat ingediend. Rechtbank heeft het toepasselijk procesreglement- dat recht is in de zin van artikel 79 RO- noch de eisen van een goede procesorde geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 22 maart 2011

Zaaknummer 200.082.521

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[naam moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R.A. Korver,

kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

de William Schrikker Jeugdbescherming,

kantoorhoudende te Amsterdam,

aan wie de uitvoering van de ondertoezichtstelling

in mandaat is opgedragen door Bureau Jeugdzorg Drenthe,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de WSJ.

Belanghebbenden:

[naam familie],

wonende te [woonplaats] (Duitsland)

hierna te noemen: de pleegouders.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 16 november 2010 heeft de kinderrechter in de rechtbank Groningen de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [kind], geboren op [2006] in de gemeente [geboorteplaats], in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 30 november 2010 verlengd voor de duur van vier maanden, derhalve tot 30 maart 2011.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 16 februari 2011, heeft de moeder verzocht de beschikking van 16 november 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende

- primair te bepalen dat de WSJ niet-ontvankelijk is in haar verzoeken met opheffing van de uithuisplaatsing en gelijktijdige last om [kind ] te laten terugkeren naar en hem toe te vertrouwen aan zijn moeder, die bereid is handhaving van de ondertoezichtstelling te accepteren;

- subsidiair de verzoeken van de WSJ af te wijzen met opheffing van de uithuisplaatsing en gelijktijdige last om [kind ] te laten terugkeren naar en hem toe te vertrouwen aan zijn moeder, die bereid is handhaving van de ondertoezichtstelling te accepteren

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 8 maart 2011, heeft de WSJ het verzoek bestreden en verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep dan wel het verzoek af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder

- een brief van 23 februari 2011 van de raad voor de kinderbescherming met als bijlage een rapport van 18 maart 2008;

- een faxbericht van 21 februari 2011 van de WSJ met als bijlage een verzoek tot behandeling spoedappel;

- een faxbericht van 14 maart 2011 van mr. Korver met bijlagen.

Ter zitting van 15 maart 2011 is de zaak behandeld. De moeder is bijgestaan door mr. Korver, verschenen. Namens de WSJ was de heer Van Engelen aanwezig. Hoewel behoorlijk opgeroepen voor de zitting waren de pleegouders noch een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming aanwezig. De raadsman van de moeder heeft het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota.

De beoordeling

1. [kind ] is geboren uit de relatie van de (biologische) vader, [de vader], en de moeder. Deze relatie is voor de geboorte van [kind ] verbroken. De vader heeft geen enkel contact met de moeder en [kind ]. De moeder heeft het gezag over [kind ] alleen.

2. [kind ] is op [2006] geboren in het [ziekenhuis] in [geboorteplaats]. De moeder is daarna met hem bij haar ouders in Duitsland ingetrokken, met dien verstande dat [kind ] begin augustus 2006 weer is opgenomen in het ziekenhuis omdat hij veel huilde en onvoldoende groeide. [kind ] en zijn moeder hebben ongeveer een maand in het ziekenhuis verbleven. Begin september 2006 is de moeder met hem naar een particuliere 24-uurs opvang in Buitenpost gegaan. Kort daarna is de moeder met [kind ] weer in Duitsland bij haar ouders gaan wonen.

3. Kort na het ontslag uit het ziekenhuis heeft BJZ Drachten een zorgmelding ontvangen van het maatschappelijk werk van het Refaja Ziekenhuis. Medio september 2006 heeft BJZ, omdat de moeder met [kind ] in Duitsland is gaan wonen, het dossier met de melding overgedragen aan het Jugendambt in Duitsland. Deze instelling heeft na een aantal huisbezoeken vervolgens opvoedingsondersteuning geregeld door de Praxis für Kinder- Jugend en Familientherapie Zweers (hierna: Praxis Zweers).

4. Begin mei 2007 heeft Praxis Zweers aan het Jugendambt bericht dat er onvoldoende resultaten worden behaald vanwege de problematiek van de moeder en het feit dat de moeder zich (mede daardoor) aan de hulpverlening onttrekt c.q. zich daartegen afzet. Praxis Zweers heeft de mogelijkheid overwogen van een opname in een moeder-kind inrichting met dwingende begeleiding van de moeder, maar verwachtte dat ook in dat geval [kind ] ontwikkelingsachterstanden zou oplopen. Zij zijn daarom gekomen tot het advies om [kind ] te plaatsen in een pleeggezin.

5. Het Jugendambt heeft zich vervolgens gewend tot de rechter met het verzoek de 'gesamte elterliche sorge' van de moeder in te trekken, naar het hof begrijpt een met ontheffing van het gezag vergelijkbare maatregel, en deze over te dragen aan een daarvoor bestaande overheidsinstantie. In afwachting van de beslissing op dit verzoek heeft de rechter van het Ambtsgericht Papenburg op 25 mei 2007 ten aanzien van het verblijfsrecht bepaald dat [kind ] voorlopig niet meer bij de moeder maar in een pleeggezin zal verblijven. Op 14 juni 2007 heeft deze rechter ten aanzien van het zorgrecht voorts bepaald dat de voorlopige voogdij over [kind ] wordt toegekend aan het Jugendambt en een nader psychologisch onderzoek bevolen naar het functioneren van de moeder, ook om een mogelijk antwoord te krijgen op de vraag bij wie op termijn de volledige zeggenschap over [kind ] moet komen te liggen. De heer Boenisch, psycholoog, is daarbij benoemd als deskundige.

6. De heer Boenisch heeft de rechtbank in zijn rapport van 27 juli 2007 op de hoogte gebracht van de uitkomsten van het psychologisch onderzoek van de moeder. Hij heeft de rechtbank daarin geadviseerd de 'gesamte elterliche sorge' bij het Jugendambt neer te leggen, omdat hij de moeder niet in staat acht om zelfstandig voor [kind ] te zorgen terwijl ook door ambulante hulp van het Jugendambt de beperkingen van de moeder op dat punt niet voldoende zouden worden weggenomen.

7. Op 24 oktober 2007 heeft vervolgens de mondelinge behandeling plaatsgevonden over de gezagsvoorziening waarbij onder meer aanwezig waren, de heer Boenisch als benoemde deskundige, en als getuige deskundige de heer dr. Caby, chefarts van het Marienkrankenhaus Papenburg/Aschendorf, afdeling Kinder- und Jugendpsychiatrie die de moeder psychiatrisch heeft onderzocht met het oog op een mogelijke beschermingsmaatregel voor haar.

8. In november 2007 is de moeder weer in Nederland gaan wonen, waarna de zaak in januari 2008 door de autoriteiten in Duitsland is overgedragen naar Nederland.

9. Ter zitting van 6 februari 2008 heeft de kinderrechter in de rechtbank Assen de raad verzocht om, in overleg met het Jugendambt, een advies te geven over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind ]. In zijn rapport van 18 maart 2008 komt de raad tot de conclusie dat [kind ] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd ingeval van, kort gezegd, plaatsing bij de moeder thuis.

10. Op basis van de uitkomsten van deze rapportage is bij beschikking van 16 april 2008 de ondertoezichtstelling uitgesproken voor de duur van een jaar, ingaande 16 april 2008 en is machtiging verleend om [kind ] uit huis te plaatsen voor de duur van vier maanden, ingaande 16 april 2008 tot 16 augustus 2008, met aanhouding van de beslissing voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling. Daarbij is de WSJ opgedragen een nader onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden en pedagogische kwaliteiten van de moeder waarbij ook gekeken moet worden of herstel van de contacten tussen de moeder en [kind ] en eventueel een thuisplaatsing in een begeleide woonvorm, in het belang van de minderjarige is.

11. De termijn van de uithuisplaatsing is vervolgens telkenmale verlengd, waaronder bij beschikking van 13 augustus 2008 tot 16 april 2009. Op basis van deze beschikking is de moeder aangemeld bij onderzoekscentrum De Bron te Beilen om na te gaan of voor haar dit behandelingstraject geschikt is om te komen tot gezinshereniging. De Bron heeft in het rapport van 24 september 2008 laten weten dat een opname in een moeder-kind groep voor de moeder niet geschikt wordt geacht in verband met het feit dat er te veel mensen om haar heen zijn. Een situatie van hereniging met minder mensen, zoals binnen een pleeggezin, is mogelijk meer geschikt is.

12. Bij beschikking van 6 februari 2009 is het verzoek van de moeder tot onder meer opheffing van de ondertoezichtstelling en opheffing dan wel verkorting van de uithuisplaatsing afgewezen. Wel wijst de kinderrechter de WSJ op de eerdere opdracht een nader onderzoek te (doen) verrichten, waarbij thans observatiecentrum De Eekwal in Assen, deeluitmakende van Van Boeijenoord gevestigd te Assen, als een van de mogelijkheden wordt genoemd. In april 2010 blijkt echter dat de aanmelding voor dit onderzoek niet van de grond gekomen is.

13. Bij beschikking van 14 april 2010 is de termijn van de machtiging wederom verlengd voor de duur van zes maanden, tot 16 oktober 2010, een en ander in afwachting van de uitkomsten van opnieuw een in te zetten observatietraject bij observatiecentrum De Eekwal in Assen teneinde uitsluitsel te krijgen over de opvoedingscapaciteiten van de moeder. De rechter heeft hierbij nadrukkelijk aangegeven wat van elk van partijen in dat kader gevergd en verwacht wordt.

14. Bij beschikking van 30 september 2010, verbeterd bij herstelbeschikking van 5 oktober 2010, heeft de kinderrechter vervolgens de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind ] verlengd voor de korte periode van 16 oktober 2010 tot 30 november 2010. Het verzoek van de WSJ is voor het overige aangehouden.

15. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de kinderrechter de termijn van de machtiging verder verlengd met ingang van 30 november 2010 voor de duur van vier maanden, derhalve tot 30 maart 2011.

16. De moeder is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Zij heeft hiertegen zowel een aantal formele als een aantal inhoudelijke grieven opgeworpen.

De ontvankelijkheid van het verzoek tot verlenging

17. Het verzoek van de WSJ strekkende tot verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind ] van 17 september 2010 is bij de rechtbank ingekomen op 20 september 2010 welke datum als datum van indiening heeft te gelden. De rechtbank Groningen heeft vervolgens een zitting bepaald op 6 oktober 2010 en partijen daarvoor opgeroepen. Op 28 september 2010 heeft mr. Korver namens de moeder de rechtbank bericht dat het inleidend verzoek te laat is ingediend en tot een spoedige niet-ontvankelijkheidsbeschikking dient te leiden en subsidiair verzocht, voor het geval het verzoek wel inhoudelijk in behandeling wordt genomen, de behandeling te laten plaatsvinden op een latere datum in verband met verhindering.

18. De rechtbank heeft daarop bij (herstelde) beschikking van 30 september 2010, de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor de korte periode van 16 oktober 2010 tot 30 november 2010, met aanhouding van de verdere behandeling van het verzoek van de WSJ tot 16 november 2010. Bij beschikking, waarvan beroep, van die datum heeft de rechtbank de duur van de machtiging verder verlengd met ingang van 30 november 2010 voor de duur van vier maanden, derhalve tot 30 maart 2011.

19. Het hof stelt voorop dat de moeder er terecht op heeft gewezen dat de indiening van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing door de WSJ niet is geschied binnen de in het procesreglement civiel jeugdrecht (hierna: het procesreglement) in artikel 2.4.9 genoemde termijn. Uit dit artikel volgt dat een dergelijk verzoek uiterlijk tijdens de achtste week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging tot uithuisplaatsing moet worden ingediend. Nu de lopende machtiging eindigde op 16 oktober 2010 had de indiening uiterlijk in de laatste volle week van augustus moeten plaatsvinden.

20. Het hof volgt de moeder echter niet in haar conclusie dat hieruit zonder meer voortvloeit dat de WSJ in zijn verzoek tot verlenging niet-ontvankelijk had behoren -en alsnog dient- te worden verklaard. Dit volgt niet uit het in "sub b" gestelde van genoemd artikel nu die bepaling inhoudt dat een verlengingsverzoek ingediend na afloop van de geldigheidsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing niet-ontvankelijk is. Die situatie heeft zich niet voorgedaan aangezien het inleidend verzoek is gedaan ruim vier weken vóór afloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging.

21. In de overwegingen en de beslissingen van de rechtbank van 30 september 2010, na herstel, en 16 november 2010 ligt besloten dat de rechtbank geen aanleiding heeft gezien om aan de te late indiening van het verlengingsverzoek de door de moeder bepleite conclusie te verbinden, hetgeen het hof in dit geval juist acht.

22. Het hof wijst in dat verband naar artikel 1.8 van het procesreglement, luidend dat bij iedere beslissing naar aanleiding van dit reglement het belang van het kind de eerste overweging vormt. Binnen dit aangegeven en in zaken als de onderhavige algemeen aanvaard toetsingskader -het belang van het kind- is van belang dat [kind ] sinds eind mei 2007, op een leeftijd van ongeveer tien maanden, op basis van daartoe strekkende rechterlijke beslissingen verblijft in een pleeggezin in Duitsland en met de moeder sindsdien uitsluitend beperkte en begeleide contacten heeft gehad. Daarnaast weegt mee dat de voorschriften in de reglementen ten doel hebben om tijdig vóór het verstrijken van de termijn van uithuisplaatsing een behoorlijke behandeling van het verzoek te kunnen laten plaatsvinden, waarbij ook voor wat betreft de voorbereiding recht wordt gedaan aan de belangen van de betrokken partijen.

23. In dat kader heeft de rechtbank kennelijk de behandeling op 6 oktober 2010 passend geoordeeld, zij het dat deze behandeling, op subsidiair verzoek van de moeder, kennelijk met het oog op een goede procesorde is aangehouden tot 16 november 2010.

24. Een en ander leidt het hof tot de conclusie dat de rechtbank Groningen in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen om de termijn van de uithuisplaatsing eerst voor een korte duur te verlengen en voor het overige aan te houden. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank hiermee het toepasselijke procesreglement -dat recht is in de zin van artikel 79 RO- noch de eisen van een goede procesorde geschonden.

25. Met betrekking tot het ter zitting door de moeder naar voren gebrachte verwijt dat de WSJ in zijn verweerschrift over de gang van zaken in eerste aanleg betreffende het verlengingsverzoek bewust onjuiste dan wel onvolledige informatie heeft verstrekt aan het hof, overweegt het hof dat hiervan niet is gebleken.

De verdere wijze van totstandkoming van de beschikking

26. De moeder klaagt ook verder over het feit dat de rechtbank in haar beslissing haar argumenten ongemotiveerd ter zijde heeft geschoven. Daargelaten het antwoord op de vraag of de rechtbank bij de totstandkoming van voornoemde beschikking heeft gehandeld in strijd met het motiveringsbeginsel, is het hof van oordeel dat de moeder geen belang heeft bij behandeling van deze klacht. Immers, de moeder heeft thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld haar inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking van 16 november 2010 kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg op dit punt te verbeteren.

Het (late) verstrekken van een afschrift van de beschikking van 16 november 2010

27. De moeder heeft er voorts op gewezen dat de beschikking van 16 november 2010 eerst na een dringend verzoek van mr. Korver bij brief van 24 januari 2011, op 27 januari 2011 op schrift is gesteld en aan de moeder is verstrekt.

28. In deze kan de moeder worden toegegeven dat deze handelwijze niet de schoonheidsprijs verdiend. De omstandigheid dat de beschikking eerst geruime tijd na het (mondeling) geven op schrift is gesteld, had de moeder er evenwel niet van behoeven te weerhouden om eerder hoger beroep in te stellen. Voor het indienen van hoger beroep is slechts vereist dat een beschikking is gegeven, hetgeen ook mondeling kan geschieden en in het onderhavige geval kennelijk ook heeft plaatsgevonden op 16 november 2010. Na ontvangst van de beschikking had de moeder vervolgens haar grieven nader kunnen aanvullen indien zij dat had gewenst.

De machtiging tot uithuisplaatsing

29. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:261 BW kan een machtiging tot uithuisplaatsing worden verleend -en verlengd- indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarigen.

30. Tijdens de duur van de kinderbeschermingsmaatregelen naar Nederlands recht zijn er, ook op grond van herhaalde beschikkingen van diverse kinderrechters, diverse pogingen ondernomen om antwoord te krijgen op de vraag naar de (on)mogelijkheden van de moeder om de verzorging en opvoeding van [kind ] weer op zich te kunnen nemen en de hulpverlening die zij daarbij nodig zou hebben om een goed opvoedingsklimaat te scheppen en een adequate ontwikkeling van [kind ] te waarborgen. Het hof verwijst in deze onder andere naar de opname van de moeder in gezinspsychiatrische kliniek De Bron in Beilen in september 2008 als stap om te kijken of gezinshereniging op die wijze mogelijk zou zijn en naar het voorgenomen ambulant moeder-kind onderzoek in 2009 bij het observatorium De Eekwal in Assen. Uiteindelijk heeft alleen de laatste beschikking, de beschikking waarvan beroep, tot een onderzoek door Van Boeijenoord geleid.

31. Omtrent het niet (tijdig) van de grond zijn gekomen van eerder opgedragen onderzoeken, verwijt de moeder BJZ dat opdrachten van de rechter onvoldoende voortvarend ter hand zijn genomen en dat in het bijzonder voor de moeder ongeschikte trajecten zijn aangeboden, terwijl BJZ op zijn beurt meent dat de moeder aan de ingezette trajecten (on)bewust onvoldoende medewerking heeft verleend. Wat er ook zij van de redenen, het hof ziet geen aanleiding zich in deze discussie te begeven. Het hof acht dit niet nodig en niet wenselijk. Integendeel, de destijds door eerdere kinderrechters gekozen koers om (nogmaals) onderzoek te doen naar, kort gezegd, de (on)mogelijkheden van de moeder om de verzorging en opvoeding van [kind ] weer op zich te nemen, heeft geleid tot voortdurende, ongewenste, onduidelijkheid voor de moeder, voor [kind ] en het pleeggezin omtrent het perspectief van [kind ], terwijl deze koers naar het oordeel van het hof op inhoudelijke gronden niet aan de orde was.

32. Het hof is van oordeel dat reeds de uitkomsten en resultaten van de onderzoeken die in Duitsland zijn verricht voldoende grond zijn voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind ] destijds en de voortzetting daarvan sindsdien. De raad heeft in zijn rapport van 18 maart 2008 geconcludeerd dat de ernstige bedreiging van [kind ] is gelegen in de pedagogische onmacht van de moeder die het gevolg is van haar beperkingen in combinatie met haar eigen problematiek en persoonlijk functioneren. De moeder heeft een verstandelijke beperking en heeft in haar persoonlijkheidsontwikkeling onvoldoende emotionele stabiliteit waardoor haar opvoedingsvaardigheden beperkt zijn. Zij is hierdoor onvoldoende in staat tegemoet te komen aan de ontwikkelingsbehoeften van [kind ] waardoor zijn leeftijdsadequate en ongestoorde ontwikkeling wordt belemmerd. Daarbij komt dat zij haar eigen problematiek ontkent met als gevolg dat zij onvoldoende besef heeft van en inzicht heeft in de gevolgen die dit heeft en zal hebben voor de opvoedingsituatie. Een en ander, haar verstandelijke beperking, haar persoonlijkheid en het onvoldoende probleembesef, brengt voorts mee dat de moeder niet tot nauwelijks leerbaar is.

33. Deze conclusies van de raad zijn gebaseerd op onder meer het advies van Praxis Zweers van 2 mei 2007, het (psychiatrisch) onderzoek en de rapportage van dr. Caby van 18 juli 2007 en het (psychologisch) onderzoek en de rapportage van dr. Boenisch van 27 juli 2007. Het hof onderschrijft deze conclusies en de onderbouwing daarvan en maakt deze tot de zijne. Daarbij merkt het hof aanvullend op dat ook in de verslagen van de WSJ van de begeleide bezoeken tussen de moeder en [kind ] en de toelichting van de WSJ daarover ter zitting wordt bevestigd dat de moeder onvoldoende open staat voor aanwijzingen betreffende de omgang met [kind ] en deze onvoldoende opvolgt, onvoldoende oog heeft voor de behoeften van [kind ] en zijn ontwikkeling en beleving en haar strijd en onvrede over de bezoekregeling en de uithuisplaatsing zodanig uit, dat voor [kind ] een onrustige en onveilige situatie ontstaat.

34. Ten aanzien van de Duitse onderzoeken en rapporten onderschrijft het hof niet het ook door de moeder herhaaldelijk aangevoerde argument dat bij de totstandkoming van deze rapportages sprake is geweest van een taalbarrière tussen haar en de diverse onderzoekers, zodat deze niet voldoende toereikend zijn om de basis te vormen voor een definitieve uithuisplaatsing. De medewerkers van Praxis Zweers hebben hun opvoedingsondersteuning gedurende een periode van meer dan zes maanden gegeven binnen het gezin van de moeder. Zij hebben geruime tijd en intensief niet alleen de interactie tussen de moeder en [kind ] kunnen ervaren maar ook kunnen zien hoe de moeder op hun aanwijzingen reageert en daarmee richting [kind ] omgaat. Daarbij heeft de moeder veelvuldig gesprekken gehad met mevrouw Jutta Musholt van die betreffende instantie, die naast de Duitse ook de Nederlandse taal vloeiend spreekt. Het door de rechter bevolen onderzoek van de moeder door de heer Boenisch, psycholoog, is voorts geschied met bijstand van een tolk, mevrouw Heidi Smiet, terwijl dr. Caby, de psychiater die de moeder heeft onderzocht, heeft medegedeeld dat hij de Nederlandse taal voldoende machtig is hetgeen wordt bevestigd met de brief van 25 februari 2009 die de moeder van hem in het geding heeft gebracht. Ook tijdens de mondelinge behandeling van het Ambtsgericht Papenburg op 24 oktober 2007 heeft de moeder bijstand gekregen van een tolk/vertaler, mevrouw Siemermann, zo blijkt uit het proces-verbaal. Daarbij merkt het hof voorts op dat uit nagenoeg alle rapporten en verslagen blijkt dat de moeder bij gesprekken met haar en ook tijdens genoemde mondelinge behandeling, werd bijgestaan door haar moeder, een goede kennis of vriendin voor emotionele bijstand, naar het hof begrijpt.

35. De moeder heeft voorts een aantal verklaringen aangedragen van professionals die in haar optiek het gestelde gebrek aan opvoedcapaciteiten weerleggen, maar het hof acht deze verklaringen van onvoldoende gewicht om de hiervoor weergegeven bevindingen en conclusies te weerleggen dan wel in twijfel te trekken. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

36. De verklaring van de kinderartsen van het [ziekenhuis] te [geboorteplaats] van 31 augustus 2007 ziet kennelijk op hun ervaringen tijdens de opname van [kind ] (met de moeder) voor een maand, kort na de geboorte van [kind ], en de in dat kader waargenomen interactie tussen [kind ] en de moeder die gezien de leeftijd van [kind ] zeer beperkt en vooral van affectieve aard zal zijn geweest. Verder is deze brief in tegenspraak met de brief van 12 september 2006 van het maatschappelijk werk van het ziekenhuis waarbij aan BJZ een zorgmelding is gedaan, omdat tijdens deze opname was gebleken dat de moeder niet zelfstandig voor [kind ] kon zorgen en intensieve begeleiding nodig had bij het verzorgen, voeden en omgaan met [kind ].

37. De verklaringen van de huisarts in haar brief van 13 oktober 2010 en van een medewerker van Maatschappelijk werk Noordermaat in een niet gedateerde brief aan de raadsman van de moeder, betreffen meer algemene uitspraken omtrent de wenselijkheid van onderzoeken alvorens tot uithuisplaatsing over te gaan. Verder zien deze verklaringen met name op de persoon van de moeder zelf waarbij een eigen mening wordt gegeven op basis van hun niet nader omschreven contacten met haar en zonder dat blijkt dat en waarom bij hen enig zicht bestaat op de moeder in haar rol als moeder van een jong kind. Mogelijk zou de tot de brief van het maatschappelijk werk behorende bijlage daaromtrent nadere informatie kunnen verschaffen, maar deze bijlage ontbreekt.

38. Wat betreft de korte brief van dr. Caby, kennelijk gedateerd op 25 februari 2009, merkt het hof allereerst op dat onduidelijk is aan wie de brief is gericht en in welk kader deze is geschreven. Verder constateert het hof dat door dr. Caby in deze brief uit kinder- en jeugdpsychiatrisch gezichtspunt wordt gepleit voor terugkeer van [kind ] naar de moeder, hetgeen ook voor een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing leidend uitgangspunt is. Genoemde dr. Caby plaatst daarbij in ieder geval de kanttekening dat de moeder bij de opvoeding van [kind ] begeleid dient te worden. In dat verband is het hof uit het onderzoeksrapport van 18 juli 2007 gebleken dat dr. Caby de moeder omschrijft als een vrouw met een licht verstandelijke beperking en met een emotioneel instabiele persoonlijkheidsstoornis waardoor zij op allerlei gebied op hulp aangewezen is en waarvoor continue psychiatrische psychotherapeutische behandeling geïndiceerd is. Voorts blijkt uit het proces verbaal van de mondelinge behandeling van 24 oktober 2007 uit de eigen verklaring van dr. Caby als getuige deskundige dat hem gebleken is dat tot op heden de moeder niet bereid is geweest om behandeling van haar eigen problematiek en begeleiding en ondersteuning in de opvoeding van [kind ] te accepteren.

39. In het licht van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof aannemelijk dat de moeder niet in staat is om [kind ] een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit van en de veiligheid in zijn dagelijkse verzorging en opvoeding en in het bijzonder een leeftijdsadequate ontwikkeling, zowel cognitief als sociaal-emotioneel, zijn gewaarborgd. [kind ] is een jong en kwetsbaar kind en is voor zijn verzorging en opvoeding volledig afhankelijk van zijn dagelijkse verzorger. Een thuisplaatsing van [kind ] bij de moeder acht het hof reeds hierom niet aan de orde, ook niet met intensieve hulpverlening en met ondersteuning, begeleiding en bijstand uit het door de moeder in haar beroepschrift genoemde netwerk (dat zij evenwel niet nader heeft uitgewerkt). Het hof acht voortzetting van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

40. Hierbij heeft het hof dan nog buiten beschouwing gelaten dat [kind ] in mei 2007, toen hij tien maanden oud was, in het pleeggezin is gaan wonen en daar op dit moment feitelijk bijna vier jaar verblijft. Hij groeit in het gezin van de pleegouders in een veilige en stimulerende omgeving voorspoedig op, wordt goed verzorgd en is goed gehecht aan de pleegouders. Aan zijn belangen bij een stabiel verblijf bij de pleegouders en bij continuering van de huidige opvoedingssituatie en voortzetting van een ongestoord hechtingsproces dient een zwaarwegende betekenis te worden toegekend, mogelijk zelfs een zwaarderwegende betekenis dan aan het recht van de moeder op hereniging met [kind ], ook wanneer op korte termijn alsnog zou komen vast te staan dat de moeder -met de nodige hulpverlening en ondersteuning en begeleiding- wel in staat zou zijn om [kind ] het hiervoor omschreven opvoedingsklimaat te bieden.

de rapportage van Van Boeijenoord

41. Tijdens de huidige nog lopende termijn van de uithuisplaatsing heeft een onderzoek plaatsgevonden door Van Boeijenoord te Assen. Dit onderzoek heeft kennelijk betrekking gehad op de opvoedingsvaardigheden van de moeder en haar (on)mogelijkheden ten aanzien van de opvoeding van [kind ] en het belang van [kind ] in het licht van het al dan niet terugplaatsen bij de moeder. In het kader van dit onderzoek is, zo is ter zitting naar voren gekomen, niet alleen de moeder onderzocht, maar is (zijn) de onderzoeker(s) ook aanwezig geweest bij een of meer begeleide bezoeken van de moeder aan [kind ] om zicht te krijgen op de relatie en interactie tussen hen beiden. Voorts is ter zitting naar voren gekomen dat van dit onderzoek inmiddels een rapportage (in enigerlei vorm) beschikbaar is.

42. Ter zitting hebben de moeder en de advocaat bevestigd dat de moeder deze rapportage heeft ontvangen (en deze heeft doorgezonden naar haar advocaat) en het hof acht aannemelijk dat dit op dan wel kort na 11 februari 2011 is geweest nu van de zijde van de moeder de door de WSJ genoemde verzending daarvan op 10 februari 2011 niet is weersproken. Gezien de periode die op het moment van verstrekking nog resteerde tot de zitting van 15 maart, heeft er voldoende gelegenheid bestaan om deze in de procedure te brengen. Deze rapportage is echter niet in afschrift verstrekt of ter inzage gegeven aan de WSJ, niet door de moeder (haar advocaat met instemming van de moeder) en niet door Van Boeijenoord. De rapportage is evenmin in de onderhavige procedure gebracht.

43. De advocaat van de moeder heeft hieromtrent verklaard dat overlegging vooralsnog achterwege is gebleven omdat hij het rapport, dat hij recent van de moeder heeft verkregen, eerst met haar heeft willen bespreken en ook overleg wenste met de opstellers daarvan, hetgeen hem echter door de WSJ -naar hij stelt, en de WSJ ontkent- zou zijn verboden. Wat daar verder ook van zij in het licht van het hiervoor genoemde tijdsverloop na ontvangst van de rapportage door de moeder en de datum van de mondelinge behandeling, een en ander heeft de moeder er niet van behoeven te weerhouden om de rapportage onder voorbehoud en al dan niet voorzien van de nodige kanttekeningen en commentaar te overleggen met mededeling van de redenen van een en ander. Op die wijze had het hof, met de nodige terughoudendheid en behoedzaamheid, kennis kunnen nemen van de inhoud van deze recente rapportage en deze mede in zijn beoordeling kunnen betrekken.

44. De advocaat van de moeder heeft vervolgens ter zitting nog wel aangeboden een afschrift daarvan ter plekke te overleggen, maar het hof heeft dit aanbod -na een schorsing voor beraad in raadkamer- van de hand gewezen. Het hof heeft kennisname van de rapportage in dit stadium van de procedure in strijd geoordeeld met de eisen van een goede procesorde, ook met het oog op de mogelijkheden van de WSJ om daarvan behoorlijk kennis te nemen en daaromtrent een standpunt in te nemen. Het ontbreken van de rapportage dient daarom voor rekening en risico van de moeder te blijven.

* de verdragen

45. De moeder heeft zich voorts beroepen op het recht op bescherming van het gezinsleven, zoals dat is vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna EVRM). Het recht op family-life als bedoeld in het eerste lid van artikel 8 EVRM wordt evenwel beperkt door het tweede lid van deze bepaling dat een inbreuk op het "family life" legitimeert voor zover deze bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de bescherming van rechten en vrijheden van anderen, waaronder die van het kind. De onderhavige uithuisplaatsing op grond van artikel 1:261 BW rechtvaardigt de inbreuk op het recht op family-life nu de bescherming van de lichamelijke of geestelijke gezondheid van het kind dit vergt. Gelet hierop is het hof van oordeel dat met de voortzetting van de uithuisplaatsing van [kind ] geen sprake is van een ongerechtvaardigde inmenging in het gezinsleven van ouders en kind.

46. Tot slot acht de moeder de uithuisplaatsing in strijd met artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) nu ieder kind er recht op heeft om door zijn ouders te worden verzorgd en er geen sprake is van misbruik of verwaarlozing als grond om een kind van zijn ouders te scheiden. Bij de beoordeling van een maatregel als de onderhavige staat het belang van de minderjarige voorop. Dit uitgangspunt is onder meer tot uitdrukking gebracht in artikel 3 IVRK. Voorts staat artikel 9 IVRK een scheiding tussen ouders en kinderen toe indien deze, kort gezegd, noodzakelijk is in het belang van het kind en deze beslissing wordt genomen door de daartoe bevoegde autoriteiten, met rechterlijke toetsing en in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures. De noodzakelijkheid kan zich ook voordoen zonder dat sprake is van misbruik of verwaarlozing. Het hof is van oordeel dat een uithuisplaatsing op grond van artikel 1:261 BW, ter bescherming van de belangen van [kind ], ook door het IVRK is toegestaan.

47. Naar het oordeel van het hof brengt artikel 8 IVRK dat het behoud van identiteit waarborgt, met inbegrip van nationaliteit, naam en familiebetrekkingen, niet mee dat verlenging van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind ] moet worden afgewezen. Ook hier geldt het uitgangspunt van artikel 3 IVRK. [kind ] is destijds geplaatst in een pleeggezin in Duitsland omdat hij op dat moment met zijn moeder in Duitsland verbleef. Inmiddels verblijft hij bijna vier jaar in dat gezin en groeit, het zij hier herhaald, voorspoedig op en is daar gehecht. Een wijziging van pleeggezin, door een plaatsing van [kind ] in Nederland, zal ingrijpende gevolgen hebben voor zijn ontwikkeling. Wat betreft de taal is het hof van oordeel dat de moeder zich hiervoor zal moeten inzetten indien de contacten tussen haar en [kind ] daardoor niet goed verlopen.

48. Gelet op de overwegingen ten aanzien van de rapportage van Van Boeijenoord en de verdragen, handhaaft het hof zijn oordeel, verwoord in rechtsoverweging 39, dat nog altijd sprake is van gronden die een uithuisplaatsing van de minderjarige [kind ] noodzakelijk maken. Het hof zal daarom de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

De beslissing

Het gerechtshof;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H Garos, voorzitter, G.M. van der Meer en A.W. Beversluis, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 22 maart 2011 in bijzijn van de griffier.