Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5064

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
200.072.757
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie kinderen voor de duur van de schuldsaneringsregeling met ingang van 1 juli 2010 bepaald op € 136,- per kind per maand en vanaf 1 januari 2011 op € 138,- per kind per maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 22 maart 2011

Zaaknummer 200.072.757

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. D. van der Wal, kantoorhoudende te Buitenpost,

tegen

[naam man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.J. Jongsma, kantoorhoudende te Joure.

Het geding in eerste aanleg

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 9 juni 2010 heeft de rechtbank Leeuwarden het verzoek van de man tot wijziging van de tussen partijen overeengekomen verklaring 'Beëindiging geregistreerd partnerschap' van [2006] toegewezen en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind 1], geboren op [1997] in de gemeente [geboorteplaats], en [kind 2], geboren op [1998] in de gemeente [geboorteplaats], met ingang van 15 december 2009, voor de duur van de schuldsanering, op nihil gesteld.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 31 augustus 2010, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 9 juni 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van de man alsnog af te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 7 oktober 2010, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, dan wel zodanig te beslissen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 17 februari 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vrouw en de man, beiden bijgestaan door hun advocaat.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Partijen zijn op 8 september 1994 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn [kind 1] en [kind 2] geboren.

2. Op 22 juni 2006 is het huwelijk van partijen omgezet in een geregistreerd partnerschap. Op 16 oktober 2006 is het geregistreerd partnerschap beëindigd door inschrijving van de verklaring 'Beëindiging geregistreerd partnerschap' van

[2006] in de registers van de burgerlijke stand. [kind 1] en [kind 2] hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3. Bij de verklaring 'Beëindiging geregistreerd partnerschap' zijn partijen onder meer overeengekomen dat de man met ingang van 24 september 2004 tot en met 22 juni 2006 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] dient te voldoen van € 75,-- per kind per maand en met ingang van 23 juni 2006

€ 150,-- per kind per maand.

4. Bij vonnis van 15 december 2009 heeft de rechtbank Leeuwarden de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de man uitgesproken.

5. Bij inleidend verzoekschrift heeft de man verzocht om de overeengekomen kinderalimentatie te wijzigen en met ingang van de datum van toelating tot, en voor de duur van, de wettelijke schuldsanering op nihil te stellen. De vrouw heeft geen verweer gevoerd. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank op dit verzoek beslist zoals hiervoor is weergegeven onder 'Het geding in eerste aanleg'. De vrouw heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld.

De procedure in eerste aanleg

6. De vrouw wijst erop dat, hoewel in het inleidend verzoekschrift is vermeld dat zij in rechte wordt bijgestaan, de rechtbank ten onrechte het inleidend verzoekschrift en de termijn voor het voeren van verweer aan haar heeft verzonden en niet aan haar advocaat. Daardoor is de advocaat van de vrouw te laat op de hoogte gesteld van de verweertermijn. Het bij brief van 6 mei 2010 gedane primaire verzoek om een verweertermijn en het subsidiaire verzoek om een mondelinge behandeling zijn door de rechtbank - naar de mening van de vrouw ten onrechte - niet gehonoreerd.

7. Voor zover de vrouw klaagt over de wijze van tot stand komen van de bestreden beschikking heeft zij geen belang bij behandeling van die klacht. Immers, de vrouw heeft thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld haar inhoudelijke bezwaren tegen de beschikking waarvan beroep kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren.

De geschilpunten

8. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

* de tijdelijke nihilstelling van de kinderalimentatie;

* de ingangsdatum van de nihilstelling.

De overwegingen

De tijdelijke nihilstelling van de kinderalimentatie

9. De vrouw is van mening dat de rechtbank de kinderalimentatie ten onrechte op nihil heeft gesteld. Zij stelt dat de man de rechter-commissaris had moeten verzoeken om ophoging van het vrij te laten bedrag. Volgens de vrouw is er bij de man voldoende ruimte om tot verhoging van het vrij te laten bedrag te komen.

10. Naar de mening van de man beschikt hij niet over voldoende draagkracht om een onderhoudsbijdrage voor de kinderen te betalen. In het vrij te laten bedrag is geen post voor de kinderalimentatie opgenomen. Bovendien is er volgens de man onvoldoende ruimte om tot verhoging van het vrij te laten bedrag te komen.

11. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Tot 1 juli 2010 gold bij toepassing van de zogenoemde Tremanormen als uitgangspunt dat, indien een onderhoudsplichtige was toegelaten tot de schuldsanering uit hoofde van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, geldende onderhoudsverplichtingen voor de duur van de schuldsanering desgevraagd op nihil werden bepaald. Dit uitgangspunt gold uiteraard slechts in die gevallen waarin voor de berekening van het vrij te laten inkomen niet met die verplichtingen rekening was gehouden. Daarbij werd ervan uitgegaan dat de rechter-commissaris bij de toelating reeds had getoetst of die toelating gegrond was. Bijzondere omstandigheden konden rechtvaardigen dat een uitzondering op dit uitgangspunt werd gemaakt.

12. Nu de bestreden beschikking is gegeven op 9 juni 2010, derhalve vóór 1 juli 2010, is het hof van oordeel dat de rechtbank gelet op het toen geldende uitgangspunt tot 1 juli 2010 terecht de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op nihil heeft gesteld.

13. Op 1 juli 2010 zijn de normen gewijzigd. Vanaf die datum is het uitgangspunt dat ervan kan worden uitgegaan dat het vrij te laten bedrag van een saniet is, dan wel zal worden, verhoogd met de bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst vastgestelde kinderalimentatie, zij het per kind tot een maximum van het bedrag dat recht geeft op de persoonsgebonden aftrek als gevolg van de bijdrage in de onderhoudskosten van een kind. In 2010 was dat een bedrag van € 136,-- per kind per maand en vanaf 1 januari 2011 is dat een bedrag van afgerond € 138,-- per kind per maand. In die normen is tevens bepaald dat, indien een door de saniet te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2010 wordt opgelegd, de rechter-commissaris deze wijziging met terugwerkende kracht in het vrij te laten bedrag zal aanbrengen.

14. Het hof is van oordeel dat de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor [kind 1] en [kind 2] vanaf 1 juli 2010 overeenkomstig de gewijzigde normen moet worden vastgesteld. Bij de vaststelling van de draagkracht dient niet het vrij te laten bedrag, maar de inkomensgegevens van de onderhoudsplichtige als uitgangspunt te gelden. Tussen partijen is niet in geschil dat de man op basis van zijn inkomen voldoende draagkracht heeft om in 2010 € 136,-- per kind per maand en in 2011 € 138,-- per kind per maand te voldoen. Voorts staat niet ter discussie dat deze bedragen de behoefte van de kinderen niet overstijgen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de door de man te betalen bijdrage vanaf 1 juli 2010 op een bedrag van € 136,-- per kind per maand dient te worden bepaald en vanaf 1 januari 2011 op een bedrag van € 138,-- per kind per maand. De vastgestelde bijdragen gelden voor de duur van de schuldsanering.

De ingangsdatum van de nihilstelling

15. Zoals hiervoor reeds is overwogen dient de door de man te betalen bijdrage overeenkomstig de toen geldende richtlijnen tot 1 juli 2010 op nihil te worden bepaald. De vrouw is van mening dat de ingangsdatum van die nihilstelling dient te worden bepaald op de datum waarop het inleidend verzoekschrift door de man is ingediend, zijnde 26 maart 2010. Het met terugwerkende kracht wijzigen van de onderhoudsbijdrage is volgens de vrouw in strijd met de rechtszekerheid.

16. Hoewel het - zoals de vrouw ook stelt - in zaken waarin wijziging wordt verzocht van een eerder vastgestelde alimentatiebijdrage, gebruikelijk is deze wijziging eerst te doen ingaan op de datum waarop het inleidend verzoek ter griffie van de rechtbank is ingediend - in de onderhavige zaak is dit op 26 maart 2010

geschied -, acht het hof het in zaken als de onderhavige waarin ten aanzien van de alimentatieplichtige de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, redelijk, behoudens bijzondere omstandigheden welke zijn gesteld noch gebleken, als ingangsdatum te hanteren die datum sedert welke de schuldsaneringsregeling definitief van toepassing is verklaard, zijnde 15 december 2009.

17. Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat de kinderalimentatie met ingang van 15 december 2009 tot 1 juli 2010 op nihil dient te worden gesteld.

Slotsom

18. De beschikking waarvan beroep dient gedeeltelijk te worden vernietigd en er zal opnieuw worden beslist zoals hieronder aangegeven.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen vanaf 1 juli 2010, voor de duur van de schuldsaneringsregeling, op nihil is gesteld;

en in zoverre opnieuw beslissende:

wijzigt de tussen partijen overeengekomen verklaring 'Beëindiging geregistreerd partnerschap' van [2006] en bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [naam kind 1], geboren op [1997], en [kind 2], geboren op

[1998], met ingang van 1 juli 2010 op € 136,-- per kind per maand en vanaf 1 januari 2011, voor de duur van de schuldsaneringsregeling, op € 138,-- per kind per maand;

bepaalt dat deze bijdragen, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dienen te worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, M.P. den Hollander en J. Hulsebosch en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

22 maart 2011 in bijzijn van de griffier.