Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5046

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
200.070.291
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De (gedrags) problemen van de minderjarige zijn ontstaan door traumatische ervaringen als gevolg van het alcoholgebruik van moeder. Dit heeft bijgedragen aan achterstanden op velerlei gebied. Door moeder verzocht nader onderzoek draagt niet bij aan beslissing. Bekrachtiging uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 3 maart 2011

Zaaknummer 200.070.291

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[naam moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.C. de Kruijff,

kantoorhoudende te Delfzijl,

tegen

Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering,

uitvoerder van de ondertoezichtstelling

namens Bureau Jeugdzorg Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: LJ&R.

Belanghebbende:

[naam vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

in persoon verschenen.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 7 juni 2010 heeft de kinderrechter in de rechtbank Groningen de termijn van ondertoezichtstelling van de minderjarigen [kind 1], geboren op [1995] in de gemeente [geboorteplaats] en [kind 2], geboren op [1999] in de gemeente [geboorteplaats], met ingang van 7 juni 2010 verlengd voor de termijn van een jaar met behoud van de opdracht aan LJ&R.

Bij deze beschikking is voorts de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van beide minderjarigen in een residentiële inrichting met ingang van 7 juni 2010 verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 13 juli 2010, heeft de moeder verzocht de beschikking van 7 juni 2010 te vernietigen voor zover het betreft de beslissing tot uithuisplaatsing van [kind 2] en opnieuw beslissende primair [kind 2] terug te plaatsen bij haar dan wel subsidiair op grond van het bepaalde in artikel 810a lid 2 Rv een deskundige te benoemen teneinde onderzoek te doen naar haar cognitieve vermogens, waaronder de leerbaarheid, de persoonlijkheidsontwikkeling in relatie tot [kind 2] nu en in de toekomst, de pedagogische en affectieve vaardigheden, haar verslavingsproblematiek, en in afwachting daarvan de zaak aan te houden.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 6 augustus 2010, heeft LJ&R het verzoek bestreden met het verzoek de moeder niet ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep dan wel dit af te wijzen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder een brief van de raad voor de kinderbescherming van 20 juli 2010 met bijlagen, een faxbericht van 9 december 2010 van LJ&R met bijlage en een brief van 14 december 2010 van mr. De Kruijff met bijlage.

Ter zitting van 4 januari 2011 is de zaak behandeld. De moeder is verschenen en werd bijgestaan door haar advocaat. Namens LJ&R waren mevrouw Berghuis en mr. Kramer aanwezig. Ook de vader is, in persoon, ter zitting verschenen.

De beoordeling

1. [kind 1] en [kind 2] zijn geboren uit het huwelijk van hun ouders. Uit het huwelijk is voorts geboren hun zus Maaike die thans jong-meerderjarig is. Het huwelijk is in 2003 ontbonden. De ouders zijn gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen. De kinderen zijn bij de moeder blijven wonen.

2. [kind 1] en [kind 2] staan sinds 7 juni 2006 onder toezicht van LJ&R. De termijn van deze ondertoezichtstelling is telkens verlengd, voor het laatst bij de beschikking waarvan beroep, en wel voor de duur van een jaar. De ondertoezichtstelling is uitgesproken in verband met gedragsproblemen van beide kinderen en de onmacht van de ouders om hun pedagogische verantwoordelijkheid adequaat in te vullen, wat mede het gevolg is geweest van de alcoholverslaving van de moeder.

3. Na een korte uithuisplaatsing tijdens het begin van de ondertoezichtstelling zijn [kind 1] en [kind 2] in oktober 2006 onder voorwaarden weer bij de moeder thuis komen wonen. In januari 2007 is er begeleiding ingezet van Families First. In maart 2007 is dit, op verzoek van de moeder, voortgezet door intensieve orthopedagogische gezinsbegeleiding (IOG). De moeder heeft ook ambulante behandeling en begeleiding van Verslavingszorg Noord-Nederland (VNN) ontvangen in verband met haar alcoholverslaving.

4. Naar aanleiding van hernieuwd alcoholgebruik door de moeder waardoor de voorwaarden voor thuisplaatsing zijn geschonden, haar aanvankelijke ontkenning daarvan en de reactie van [kind 1] hierop, is LJ&R tot de conclusie gekomen dat de opvoedingskwaliteiten van de moeder onvoldoende zijn om de verzorging en opvoeding van [kind 1] verder op zich te nemen. [kind 1] is op 28 januari 2008 opgenomen in de Ruyterstee te Smilde, kinder- en jeugdpsychiatrische kliniek voor behandeling. Zij is vervolgens op 11 augustus 2008 geplaatst in Alteveer in een pleeg-maat-zorg boerderij. Dit is een definitieve (perspectiefbiedende) plaatsing. Inmiddels doet de raad onderzoek naar de mogelijkheden om de moeder te ontheffen van het gezag over [kind 1].

5. [kind 2] is samen met moeder in maart 2008 opgenomen in een ouder-kind project van VNN. Op 23 februari 2009 zijn beiden weer naar huis gegaan met een nazorgtraject vanuit de verslavingszorg. Omdat er -in strijd met een aan de moeder gegeven schriftelijke aanwijzing- opnieuw signalen waren van alcoholgebruik bij de moeder thuis (door haar eveneens verslaafde vriend), vermoedens van alcoholgebruik door de moeder zelf, en de school van [kind 2] haar zorgen uitsprak over [kind 2] en zijn moeder, is bij beschikking van 31 augustus 2009 een machtiging verleend om [kind 2] met spoed uit huis te plaatsen, voor de duur van vier weken, en zonder de belanghebbenden hierover te horen. Op basis van deze machtiging is [kind 2] op 1 september 2009 uit huis geplaatst in een crisisgroep in Muntendam van Stichting De Zijlen. Nadat de belanghebbenden, onder wie de ouders, ter zitting van 11 september 2009 alsnog zijn gehoord, is bij beschikking van 18 september 2009 de eerdere uithuisplaatsing voor vier weken bekrachtigd en is voorts de duur van de machtiging verlengd tot 28 februari 2010. Bij beschikking van 19 februari 2010 is de termijn van de machtiging verder verlengd tot 7 juni 2010.

6. [kind 2] is op 15 oktober 2009 geplaatst in een leefgroep bij Stichting De Zijlen in Ommen. In verband met sluiting is hij in augustus 2010 overgeplaatst naar een gezinshuis van 's Heerenloo. Hij verblijft daar thans nog.

7. Bij de beschikking waarvan beroep is de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van zowel [kind 1] als [kind 2] verlengd met ingang van 7 juni 2010 voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 7 juni 2011.

8. De moeder is uitsluitend in hoger beroep gekomen van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2]. De moeder verklaart dat zij het eens is met het oordeel van de kinderrechter dat het beëindigen van de uithuisplaatsing slechts aan de orde kan zijn wanneer sprake is van een zodanig vertrouwen in haar opvoedingskwaliteiten dat er geen twijfels meer zijn ten aanzien van de vraag of zij [kind 2] het specifieke opvoedingsklimaat kan bieden dat hij nodig heeft. De moeder meent echter dat haar huidige situatie zodanig verbeterd is dat zij in staat is om [kind 2] de opvoeding te bieden die hij nodig heeft. Volgens haar mag uit een aantal incidenten, die zich over een periode van ruim een jaar hebben voorgedaan, niet de conclusie worden getrokken dat zij niet voor langere duur in staat is om [kind 2] een veilig en stabiel leefklimaat te bieden. Zij heeft door haar verblijf in de Lage Kamp, ook sinds haar vertrek daar in februari 2009, vooruitgang geboekt waaraan volledig wordt voorbijgegaan nu wordt teruggegrepen op oudere rapportages. In ieder geval noodzaakt de beantwoording van de vraag, aldus de moeder, tot een gedegen actueel onderzoek naar haar (on)mogelijkheden daartoe. Zij bepleit om die reden een deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 810a Rv.

9. De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verlengd indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarigen.

10. Uit de stukken blijkt dat [kind 2] (gedrags)problemen heeft die zijn ontstaan door traumatische ervaringen als gevolg van het alcoholgebruik van de moeder. Dit alcoholgebruik heeft voorts geleid tot een onveilige en onrustige verzorgings- en opvoedingsituatie waardoor sprake is van een onveilige hechting. Dit heeft ook bijdragen aan zijn cognitieve achterstand en een achterstand in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Hij heeft hierdoor een sterke behoefte aan stabiliteit, veiligheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid in zijn verzorgings- en opvoedingssituatie.

11. De moeder heeft in hoger beroep de problematiek van [kind 2] niet bestreden en heeft evenmin bestreden dat hierdoor specifieke eisen worden gesteld aan zijn opvoedingsklimaat om een zo goed mogelijk ontwikkeling te waarborgen. Evenmin is in geschil, en ook het hof onderschrijft het oordeel van de kinderrechter op dat punt, dat een mogelijke thuisplaatsing van [kind 2] dan ook eerst aan de orde kan zijn wanneer duidelijk is dat de moeder hem het specifieke opvoedingsklimaat kan bieden dat hij, gezien zijn problematiek, nodig heeft.

12. In hoger beroep is wel aan de orde of de moeder op dit moment in staat om [kind 2] dit specifieke opvoedingsklimaat te bieden alsmede of, ter beantwoording van die vraag, een onderzoek naar de (on)mogelijkheden van de moeder daartoe gewenst is.

13. De moeder heeft ter onderbouwing van haar huidige verbeterde situatie onder meer verwezen naar de goede resultaten van de moeder-kind plaatsing in de Lage Kamp en een verklaring van een psycholoog in opleiding en een psychotherapeut werkzaam bij PsyQ van 9 december 2010 over het behandelingstraject dat zij daar heeft ondergaan. Het hof acht dit evenwel onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat een mogelijke thuisplaatsing aan de orde kan zijn. De plaatsing in de Lage Kamp is, met een nazorgtraject, met succes beëindigd in februari 2009 maar de daar aangeleerde vaardigheden hebben de moeder niet kunnen weerhouden van een aantal misstappen in de zomer van dat jaar waarbij zij keuzes heeft gemaakt die ingaan tegen de belangen van [kind 2]. Deze keuzes hebben rechtstreeks geleid tot de huidige, derde uithuisplaatsing. Verder kan uit de verklaring van de behandelend psycholoog in opleiding en psychotherapeut van de moeder slechts worden afgeleid dat de moeder bereid is gebleken om aan haar eigen problematiek te werken en dat zij hierin enige vooruitgang heeft geboekt. Uit deze noch uit andere stukken kan worden afgeleid dat de situatie van de moeder inmiddels stabiel is en haar opvoedingskwaliteiten zodanig zijn dat zij [kind 2] het hiervoor omschreven, en door de moeder ook onderschreven, specifieke opvoedingsklimaat kan bieden dat hij nodig heeft.

14. De moeder heeft subsidiair verzocht om, indien en voor zover de beschikbare informatie omtrent haar persoon onvoldoende is om [kind 2] bij haar thuis te plaatsen, een of meerdere deskundigen te benoemen teneinde nader onderzoek te doen naar onder meer haar cognitieve vermogens waaronder de leerbaarheid, haar verslavingsproblematiek, haar persoonlijkheidsontwikkeling in relatie tot [kind 2] en haar pedagogische en affectieve vaardigheden.

15. De moeder baseert haar verzoek op artikel 810a Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) in welk artikel, kort gezegd, het recht op (contra-)expertise geregeld is. Het tweede lid geeft in zaken betreffende ondertoezichtstelling, ontheffing en ontzetting van het ouderlijke gezag of van de voogdij (kortweg: kinderbeschermingszaken) de ouders het recht de rechter te verzoeken een deskundige te benoemen, waarbij de kosten voor rekening van de overheid zijn. Uit de wetgeschiedenis bij artikel 810a Rv blijkt dat om reden van equality of arms, de ouders het recht gegeven moest worden een advies in kinderbeschermingszaken tegen het licht te laten houden.

16. Op grond van artikel 810a lid 2 Rv benoemt de rechter onder meer in zaken betreffende de ondertoezichtstelling op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige. In het geval een dergelijk verzoek wordt gedaan, moet aan twee voorwaarden worden voldaan:

1) het deskundigenonderzoek en de uitkomsten daarvan kunnen mede tot de beslissing van de zaak leiden;

2) het belang van het kind mag zich tegen het instellen van een onderzoek niet verzetten.

17. In het verzoek dient zo concreet mogelijk te worden aangegeven op welke punten het onderzoek van de deskundige zich zal dienen te richten. Een verzoek om een 'contra-expertise' dient behoorlijk te worden gemotiveerd. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder haar verzoek om een onderzoek in te stellen voldoende gemotiveerd. Zij heeft in haar beroepschrift nadrukkelijk aangegeven op welke aspecten van haar persoon en haar problemen het onderzoek betrekking zou moeten hebben en wat zij met de resultaten van dit onderzoek beoogt.

18. Het hof is echter, anders dan de moeder, van oordeel dat de mogelijke uitkomsten van het onderzoek op dit moment niet mede tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. De problematiek van [kind 2], voortkomend uit zijn onveilige gehechtheid en zijn emotionele gerichtheid op zijn moeder, staan hier aan in de weg.

19. Uit de evaluatieverslagen van de laatste uithuisplaatsing, zowel bij Alteveer als bij 's Heerenloo, blijkt dat tijdens en na contacten tussen de moeder en [kind 2] zijn aandacht, denken en handelen vooral op moeder en haar welzijn is gericht. Uit het gedrag van [kind 2] na en zijn uitlatingen over deze contacten, kan worden afgeleid dat hij onvoldoende vertrouwen heeft in zijn moeder als moeder. Hij is op dit moment niet in staat om haar te zien als verantwoordelijke ouder en kan in zijn relatie met haar niet openlijk kind zijn. De moeder heeft weliswaar de visie van ´sHeerenloo op dit punt weersproken maar zij heeft haar bezwaren tegen de weergave daarvan niet kenbaar gemaakt aan de instelling. Mede gelet op vergelijkbare ervaringen van medewerkers van Alteveer gaat het hof daarom aan deze weerspreking voorbij.

20. Het hof onderkent dat de emotionele band tussen [kind 2] en de moeder sterk is. De relatie tussen hen beiden en met name de rol die [kind 2] daarin tegenover zijn moeder inneemt, zoals hiervoor verwoord, is een bedreiging voor zijn sociale en emotionele ontwikkeling. Gezien de emotionele gerichtheid van [kind 2] op zijn moeder acht het hof op dit moment het risico reëel dat hij bij een terugplaatsing, zoals eerder bij zijn zus [kind 1], (verder) geparentificeerd gedrag zal ontwikkelen door zich meer en meer controlerend, beschermend en zorgend tegenover de moeder op te stellen waardoor zijn sociale en emotionele ontwikkeling verder in de knel zal komen en mogelijk zal leiden tot een (ernstige) persoonlijkheidstoornis.

21. Onder deze omstandigheden kunnen de uitkomsten van het door de moeder gewenste onderzoek, ook wanneer deze op alle punten voor de moeder gunstig zouden zijn, niet leiden tot een thuisplaatsing van [kind 2] bij de moeder. De relatie tussen [kind 2] en de moeder zoals deze zich in het verleden heeft gevormd zal eerst meer in balans moeten worden gebracht, dat wil zeggen moeten worden hersteld tot een normale ouder-kind relatie. Gezien de wederkerigheid van een relatie zal dit niet alleen aanpassing van de houding en opstelling van de moeder vergen -en haar (on)mogelijkheden daartoe zouden inderdaad mede uit het onderzoek kunnen blijken- maar ook aanpassing van de houding en opstelling van [kind 2] naar de moeder toe. Het door de moeder gewenste onderzoek zal op dit punt pas aan de orde kunnen zijn wanneer duidelijk is dat [kind 2] zijn moeder kan zien als verzorgende ouder en hij gedurende langere tijd heeft ervaren dat hij op haar als moeder kan vertrouwen.

22. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om, zoals de moeder subsidiair heeft verzocht, een deskundige te benoemen en een onderzoek te gelasten. Het hof zal de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, A.W. Beversluis en R. Feunekes, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 3 maart 2011 in bijzijn van de griffier.