Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ4104

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
200.009.885/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berekening van het door de vrouw terug te betalen bedrag aan partneralimentatie wegens vastgesteld wangedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2011/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 5 april 2011

Zaaknummer 200.009.885

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E. Henkelman,

kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

procesadvocaat: mr. P.R. van den Elst,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

behandelend advocaat mr. G.B. de Jong,

kantoorhoudende te Hoogezand.

De inhoud van de tussenbeschikking van 22 juni 2010 wordt hierbij overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ter uitvoering van het bepaalde in de tussenbeschikking van 22 juni 2010 zijn de volgende stukken binnengekomen op de griffie van het hof:

- een faxbericht van 2 augustus 2010 van mr. Henkelman;

- een faxbericht van 3 augustus 2010 van mr. Van den Elst met als bijlage een faxbericht van 29 juli 2010 van mr. De Jong;

- een brief van 6 september 2010 van mr. De Jong met als bijlage een akte met bijlagen;

- een brief van 13 september 2010 van mr. Henkelman met als bijlage een akte met bijlagen.

Ter zitting van 1 oktober 2010 heeft een pro forma behandeling van de zaak plaatsgevonden.

De verdere beoordeling

1. Bij (eerste) tussenbeschikking van 10 november 2009 heeft het hof -kort gezegd- de behande¬ling van de zaak aangehouden in afwachting van de uitkomsten van de procedure betreffende de boedel¬scheiding tussen partijen. Partijen hebben in januari 2010 laten weten dat te dien aanzien geen overeenstemming is bereikt en dat zij voortzetting van de onder¬havige alimentatieprocedure wensen.

2. Deze alimentatieprocedure betreft het verzoek van de man om -kort gezegd- de door hem aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk en de datum van aanvang van de onderhouds¬verplichting van de man, 24 september 1993, tot de datum waarop deze verplichting is geëindigd, 24 september 2005, alsnog op nihil te stellen. De man heeft voorts verzocht te bepalen dat de vrouw de bijdragen die hij in die periode heeft voldaan -op basis van een vonnis van de rechtbank van 7 februari 1995 en een (wijzigings)¬beschikking van het hof van 1 maart 2000- ten bedrage van totaal € 91.528,30 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldag van iedere termijn tot aan de dag der algehele voldoening, aan hem moet terugbetalen.

3. Bij (tweede) tussenbeschikking van 22 juni 2010 heeft het hof geoordeeld dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek tot wijziging omdat hij aan dat ver¬zoek ten grondslag heeft gelegd dat de vrouw de door haar ontvangen WAZ-uitke¬ring, als relevante omstandigheid bij de beoordeling van de omvang van haar behoefte aan een bijdrage, zowel in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank van 7 februari 1995 als in de procedure die heeft geleid tot de beschikking van het hof van 1 maart 2000, bewust in rechte heeft verzwegen. Het hof heeft daarbij geoordeeld dat het een herbeoordeling van deze behoefte aangewe¬zen acht vanaf 21 juli 1997, de datum van ingang van de desbetreffende WAZ-uitkering van de vrouw, tot 24 september 2005.

4. Verder heeft het hof geoordeeld dat de kennelijke bewuste verzwijging van de uitkering kan worden gekwalificeerd als wangedrag van de vrouw, dat meebrengt dat zij slechts aanspraak kan maken op de helft van het bedrag dat de man aan haar aan alimentatie verschuldigd zal blijken te zijn (geweest) volgens de gebrui¬kelijke wijze van berekening over de periode die ter herbeoordeling voorligt.

5. Het hof heeft de vrouw vervolgens in de gelegenheid gesteld om alle informatie die zij van belang acht voor het bepalen van haar behoefte en behoeftigheid over de periode van 1997 tot en met 2005 in het geding te brengen, waaronder de aan¬giften inkomstenbelasting en de daarbij behorende aanslagen alsmede de jaar¬op¬gaven van het UWV over die jaren.

6. De vrouw heeft ter uitvoering van het bepaalde in de (tweede) tussenbeschikking, na enig uitstel van het hof, bij brief van 6 september 2010 een akte in het geding gebracht met bijlagen. De man heeft hierop gereageerd door bij brief van 13 september 2010 eveneens een akte in het geding te brengen.

De behoefte van de vrouw

7. De vrouw stelt dat haar behoefte, gerelateerd aan de welstand van partijen tijdens de laatste jaren van het huwelijk, niet eerder door de rechter is vastgesteld. Zij heeft aan de hand van het gezinsinkomen van partijen haar behoefte, gerelateerd aan de welstand in het jaar 1992, berekend op € 21.819,- netto per jaar ofwel € 1.818,- netto per maand.

8. De man is niet inhoudelijk op deze stellingen ingegaan met de mededeling dat zijns inziens dat de vrouw buiten de opdracht van het hof is getreden. Het hof volgt de man niet in zijn zienswijze. Bij het antwoord op de vraag aan welke bijdrage van de man behoefte bestaat moet worden begonnen met het vaststellen van de behoefte gerelateerd aan de welstand ten tijde van het huwelijk. Daarop dienen in mindering te worden gebracht de eigen inkomsten van de vrouw bestaande uit haar werkelijke inkomsten uit arbeid/uitkering/vermogen maar ook de eventueel redelijkerwijs te ver¬werven inkomsten. Het bedrag dat resteert is dan de behoefte aan een bijdrage van de man.

9. De vrouw heeft in haar akte gedateerd 7 september 2010 een berekening van haar behoefte opgenomen die afwijkt van haar eerdere berekening in de procedure in eerste aanleg. Aangezien de man een eigen onderneming had -een schildersbedrijf en -winkel- en zij om fiscale redenen alleen in 1992 eigen inkomen had uit onderneming, heeft zij haar behoefte in eerste aanleg vastgesteld aan de hand van een gemiddeld belastbaar inkomen van ƒ 83.500, zijnde het gemiddelde van dat inkomen over de jaren 1990 tot en met 1992.

10. Het hof geeft er in het algemeen -te meer nu dat voor ondernemers ook gebruike¬lijk is- de voorkeur aan om voor de bepaling van de welstand van partijen tijdens de laatste jaren van het huwelijk uit te gaan van de gezinsinkomsten die partijen ter beschikking stonden en/of van het uitgaven- en bestedingspatroon in de drie laatste volle jaren voorafgaande aan het jaar waarin partijen feitelijk uiteen zijn gegaan. Hiervoor is in het onderhavige geval te meer aanleiding nu het hof uit de toelichting van de vrouw op het belastbaar inkomen over de jaren 1990, 1991 en 1992 afleidt dat juist de resultaten van de onderneming over 1992 uitzonderlijk goed zijn geweest.

11. De datum van feitelijk uiteengaan is het hof niet bekend. De echtscheiding tussen partijen is echter in september 1993 uitgesproken en de vrouw heeft in elk van haar behoefteberekeningen het jaar 1992 meegenomen, zodat het hof er van uit gaat dat partijen op enig moment in 1993 (dan wel eind 1992) feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De laatste jaren van het huwelijk komen dan neer op 1990, 1991 en 1992.

12. Het hof zal daarom uitgaan van het gemiddelde netto gezinsinkomen over de jaren 1990, 1991 en 1992. Het hof zal zich daarbij baseren op de gemiddelde winst uit onderneming over die jaren nu deze met redelijke mate van zekerheid herleid kan worden uit de beschikbare gegevens. Het hof gaat daarbij voorbij aan het uitgaven- en bestedingspatroon in de laatste jaren van het huwelijk nu daarover geen nadere onderbouwde gegevens zijn verstrekt.

13. De vrouw heeft in eerste aanleg bij haar brief van 16 januari 2008 een overzicht gegeven van de belastbare inkomens over de jaren 1990 tot en met 1992 van haar en de man. Tot de stukken van eerste aanleg behoren ook de aanslagen inkomsten¬belasting over elk van die jaren. Gelet op de daarin opgenomen vast¬gestelde belastbare inkomens en verschuldigde inkomstenbelasting blijkt dat de vrouw haar overzicht daarop heeft gebaseerd en deze heeft overgenomen met dien verstande dat zij kennelijk in jaar 1992 abusievelijk een bedrag van ƒ 49.982,- in plaats van ƒ 47.982,- heeft opgenomen. Het hof zal de door de vrouw genoemde bedragen aan inkomsten en belasting in aanmerking nemen, zij het met de hierboven bedoelde correctie over 1992.

14. De vrouw is uitgegaan van een gemiddeld belastbaar inkomen van afgerond ƒ 83.500,- op basis van de inkomens over de jaren 1990 tot en met 1992. Het hof volgt haar daarin en stelt de winst uit onderneming gemiddeld genomen op een bedrag van ongeveer ƒ 88.600,-. Een ondernemer komt immers in aanmerking voor een zelfstandigenaftrek, voor het jaar 1992 door het hof gesteld om een bedrag van afgerond ƒ 5.100,- die in mindering komt op de winst uit onderneming om te komen tot het belastbaar inkomen. Deze aftrek moet dan bij het belastbaar inkomen worden bijgeteld om weer te komen tot de winst uit onderneming.

15. Uitgaande van een belastbaar inkomen van ƒ 83.500,- heeft de belastingdruk in 1992, uitgaande van een belastingvrije som naar tariefgroep 3, ongeveer ƒ 31.606,- bedragen. Het netto gezinsinkomen kan dan worden gesteld op (88.600 minus 31.606) ƒ 56.994,- ofwel afgerond ƒ 4.750 netto per maand.

16. Gesteld noch gebleken is dat uit het gezinsinkomen in de laatste jaren nog kosten van de kinderen van partijen zijn voldaan. Het hof neemt dan ook aan dat het volledige gezinsinkomen van ƒ 4.750,- per maand aan partijen ter beschikking heeft gestaan. De behoefte van de vrouw stelt het hof op 60 % daarvan, derhalve op een bedrag van afgerond ƒ 2.850,- netto per maand ofwel afgerond € 1.293,- netto per maand.

17. Aldus is de behoefte van de vrouw vastgesteld in 1993, het jaar waarin het huwelijk van partijen is ontbonden. Deze behoefte dient voor de daaropvolgende jaren te worden geïndexeerd met het wettelijke indexeringspercentage als bedoeld in artikel 1:402a BW om te corrigeren voor de inflatie. Deze indexering resulteert in het navolgende overzicht:

Specificatie

Periode Percentage Hoofdsom

1-1-1993 0,0 1.293,00

1-1-1994 2,5 1.325,32

1-1-1995 1,3 1.342,55

1-1-1996 1,1 1.357,32

1-1-1997 1,7 1.380,40

1-1-1998 2,3 1.412,15

1-1-1999 3,3 1.458,75

1-1-2000 2,5 1.495,22

1-1-2001 3,3 1.544,56

1-1-2002 4,6 1.615,61

1-1-2003 3,9 1.678,62

1-1-2004 2,5 1.720,58

1-1-2005 1,1 1.739,51

De mate waarin de vrouw door eigen inkomsten in haar behoefte kan voorzien

18. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 1 BW heeft een gewezen echt¬genoot recht op een uitkering tot levensonderhoud, indien deze niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft noch zich in redelijkheid kan ver¬werven. De inkomsten dan wel de redelijkerwijs te verwerven inkomsten van de onderhoudsgerechtigde verminderen zijn/haar behoefte aan een bijdrage van de onderhoudsplichtige. Dit zal dan leiden tot een nihilstelling of een vermindering van de verzochte alimentatie op grond van de omstandigheid dat de onderhouds¬gerechtigde geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud kan voorzien.

19. De vrouw geeft in bijlage 1 bij de akte van 7 september 2010 een overzicht van haar inkomsten in de jaren 1997 tot en met 2005. Ter onderbouwing heeft zij voor ieder jaar een aantal overzichten van de Belastingsdienst ingebracht en, voor zover aanwezig, de jaaropgaven UWV alsmede (gedeelten) van aangiften.

20. De man heeft geen inhoudelijk commentaar op dit overzicht gegeven, zij het dat hij heeft betoogd dat ook na 2000 rekening moet worden gehouden met (zo nodig) fictieve inkomsten uit de verhuur van het bedrijfspand waarin de verfwinkel werd geëxploiteerd.

21. Het hof acht het overzicht van de vrouw opgesteld aan de hand van de jaaropgaven UWV juist voor wat betreft de opgenomen bedragen en de daaruit voortvloeiende berekeningen van haar netto inkomsten, met dien verstande dat de rekensom over 2000 abusievelijk leidt tot een netto inkomen van € 9.521,- in plaats van € 9.221,-. Het hof sluit zich dan ook, met deze correctie van het jaar 2000, bij dit overzicht aan.

22. Ook de inkomsten uit onroerende zaken die in het overzicht zijn opgenomen over de jaren 1998 tot en met 2000, stemmen overeen met de gegevens in de aangifte en de overzichten van de belastingdienst over die respectieve jaren. Bij gebreke van nader commentaar van de zijde van de man ten aanzien van deze inkomsten, zal het hof zich ook in zoverre bij dit overzicht aansluiten.

23. Het hof constateert dat in het overzicht van de vrouw met ingang van 2001 haar inkomsten uit vermogen (box 3) ontbreken. Tot 2001 werden in de aangifte de inkomsten uit de verhuur van het bedrijfspand als bruto inkomsten uit onroerende zaken vermeld, waarop vervolgens de kosten (waaronder afschrijving, rente en onderhoud) in mindering mochten worden gebracht en uiteindelijk belasting diende te worden betaald over de resterende netto verhuuropbrengst. Dit is ook de wijze waarop de vrouw de inkomsten uit het bedrijfspand tot en met 2000 heeft verantwoord. Met ingang van 2001 is het belastingstelsel echter gewijzigd met introductie van het zogeheten boxen-stelsel. Op basis daarvan is, kort gezegd, belasting verschuldigd over een fictief rendement (naar een percentage van 4%) over het vermogen en niet over de feitelijke (netto) inkomsten uit dat vermogen.

24. De waarde van het vermogen wordt in box 3 aangeduid als rendementsgrondslag en bestaat uit de resultante van de bezittingen (positief) en de schulden (negatief). Verder wordt voor de berekening van de belasting een deel van het vermogen als heffingsvrij vermogen niet in de berekening betrokken. In de overzichten van de belastingdienst over de jaren 2001 tot en met 2005 is de waarde van het bedrijfs¬pand (en overigens ook de daarbij behorende schuld) telkens als deel van de rendements¬grondslag, en daarmee het vermogen van de vrouw, opgeno¬men.

25. Het hof zal voorbijgaan aan de discussie tussen partijen over de (on)mogelijk¬heid om de verhuur van het bedrijfspand (ten behoeve van de exploitatie van de verfwinkel door de dochter en de schoonzoon van partijen) voort te zetten, nadat in het pand een brand plaatsgevonden heeft. Het hof acht het redelijk om, zoals gebruikelijk sinds 2001, voor de jaren 2001 tot en met 2005 voor de berekening van het inkomen uit vermogen uit te gaan van een (fictief) percentage van 4 % over de gemiddelde rendementsgrondslag en daarbij rekening te houden met de belasting die de vrouw verschuldigd is. Het hof acht niet aannemelijk dat de vrouw niet daadwerkelijk ook inkomsten van (ten minste) die omvang uit haar vermogen, waaronder het (bedrijfs)pand, heeft ontvangen. Los daarvan, is het hof het eens met de man dat het de verantwoordelijkheid van de vrouw is geweest om daadwerkelijk zodanige inkomsten uit vermogen te verwerven.

26. Uit de overzichten van de belastingdienst blijkt welk vermogen in de vorm van de gemiddelde rendements¬grondslag de belastingdienst voor box 3 in aanmerking heeft genomen, welk bedrag daarvan heffingsvrij vermogen is geweest en welk belastbaar inkomen de vrouw vervolgens in box 3 heeft genoten. Het hof zal aan de hand van deze gegevens, en uitgaande van een forfaitair rendement van 4 % over het volledige vermogen van de vrouw, over elk van de jaren het netto inkomen uit vermogen berekenen.

2001

In het overzicht van de belastingdienst over 2001 ontbreekt een box 3 vermogen zoals overigens ook, buiten de WAZ- uitkering van de vrouw en haar inkomsten uit alimentatie, verdere inkomsten in box 1 ontbreken. Het hof zal voor dit jaar dan ook geen inkomen uit vermogen in aanmerking nemen.

2002

De vrouw heeft in 2002 een gemiddeld vermogen van € 108.121,- zodat het inkomen op basis van een rendement van 4 % kan worden gesteld op € 4.325,-. Het belastbaar inkomen heeft € 3.599,- bedragen waarover de vrouw in box 30 % belasting ofwel een bedrag van € 1.080,- verschuldigd is. Haar netto inkomsten uit vermogen kunnen dan worden gesteld op (4.325 minus 1.080) € 3.245,- over 2002.

2003

In 2003 heeft de vrouw, na correctie, een gemiddeld vermogen van € 130.760,- zodat haar inkomen op basis van een rendement van 4 % kan worden gesteld op € 5.230,- . Het belastbaar inkomen heeft € 3.378,- bedragen waarover de vrouw in box 30 % belasting ofwel een bedrag van € 1.344,- verschuldigd is. Haar netto inkomsten uit vermogen kunnen dan worden gesteld op (5.231 minus 1.344) € 3.887,- over 2003.

2004

Het gemiddeld vermogen van de vrouw in 2004, wederom na correctie, heeft bedragen € 164.273,- zodat haar inkomen op basis van 4 % rendement kan worden gesteld op € 6.571,-. Het belastbaar inkomen heeft € 5.800,- bedragen waarover de vrouw in box 30 % belasting ofwel een bedrag van € 1.740,- verschuldigd is. Haar netto inkomsten uit vermogen kunnen dan worden gesteld op (6.571 minus 1.740) € 4.831,- over 2004.

2005

Tot slot heeft de vrouw in 2005, opnieuw na correctie, een gemiddeld vermogen van € 156.066,- zodat het inkomen op basis van een rendement van 4 % kan worden gesteld op € 6.243,-. Het belastbaar inkomen heeft € 4.944,- bedragen waarover de vrouw in box 30 % belasting ofwel een bedrag van € 1.483,- verschuldigd is. Haar netto inkomsten uit vermogen kunnen dan worden gesteld op (6.243 minus 1.483) € 4.760,- over 2005.

27. Het vorenstaande resulteert in het navolgende overzicht van de eigen netto inkomsten van de vrouw. Het hof volgt hierbij het overzicht van de vrouw voor wat betreft haar wijze van toerekening van de in 1999 nabetaalde WAZ-uitkering waarbij voor 1997 is uitgegaan van vijf maanden (augustus tot en met december) en voor 2005 is uitgegaan van negen maanden (januari tot en met september).

jaar netto volgens vrouw correctie hof totaal netto eigen inkomen

1997 10.892 0 10.892 (12 maanden)

1998 10.236 0 10.236

1999 10.338 0 10.338

2000 9.521 - 300 9.221

2001 9.780 0 9.780

2002 10.218 3.245 13.463

2003 10.582 3.887 14.469

2004 10.555 4.831 15.386

2005 7.718 3.570 11.288 (9 maanden)

De behoefte aan een bijdrage van de man

28. Het hof zal hierna over de periode vanaf 21 juli 1997 tot 24 september 2005 berekenen welke nettobijdrage de man aan de vrouw zou dienen te betalen, gelet op de hiervoor opgenomen (geïndexeerde) behoefte van de vrouw en haar eigen inkomsten. Deze nettobijdrage zal vervolgens worden gehalveerd, zijnde de korting wegens het wangedrag van de vrouw. De resterende nettobijdrage zal dan gebruteerd worden om vast te stellen tot welke bijdrage de man op grond zijn onderhoudsverplichting tegenover de vrouw, achteraf bezien, gehouden is geweest.

1997

behoefte vrouw aan 12 x 1.380,40 16.565

eigen netto inkomsten vrouw 10.892 -

resteert aan netto behoefte bijdrage 5.673

Deze behoefte komt neer op € 473,- netto per maand waarin de man voor 50 % zou moeten voorzien, zijnde een bedrag van afgerond € 236,- netto per maand. Rekening houdend met de inkomstenbelasting die de vrouw verschuldigd is over de bijdrage die zij van de man zal ontvangen (37,3 %) stelt het hof de gebruteerde bijdrage op € 376,- per maand.

1998

behoefte vrouw aan 12 x 1.412,15 16.946

eigen netto inkomsten vrouw 10.236 -

resteert aan netto behoefte bijdrage 6.710

Deze behoefte komt neer op € 559,- netto per maand waarin de man voor 50 % zou moeten voorzien, zijnde een bedrag van afgerond € 280,- netto per maand. Rekening houdend met de inkomstenbelasting die de vrouw verschuldigd is over de bijdrage die zij van de man zal ontvangen (36,35 %) stelt het hof de gebruteerde bijdrage op € 440,- per maand.

1999

behoefte vrouw aan 12 x 1.458,75 17.505

eigen netto inkomsten vrouw 10.338 -

resteert aan netto behoefte bijdrage 7.167

Deze behoefte komt neer op € 597,- netto per maand waarin de man voor 50 % zou moeten voorzien, zijnde een bedrag van afgerond € 299,- netto per maand. Rekening houdend met de inkomstenbelasting die de vrouw verschuldigd is over de bijdrage die zij van de man zal ontvangen (35,75 %) stelt het hof de gebruteerde bijdrage op € 465,- per maand.

2000

behoefte vrouw aan 12 x 1.495,22 17.943

eigen netto inkomsten vrouw 9.221 -

resteert aan netto behoefte bijdrage 8.722

Deze behoefte komt neer op € 727,- netto per maand waarin de man voor 50 % zou moeten voorzien, zijnde een bedrag van afgerond € 363,- netto per maand. Rekening houdend met de inkomstenbelasting die de vrouw verschuldigd is over de bijdrage die zij van de man zal ontvangen (37,95 %) stelt het hof de gebruteerde bijdrage op € 585,- per maand.

2001

behoefte vrouw aan 12 x 1.544,56 18.535

eigen netto inkomsten vrouw 9.780 -

resteert aan netto behoefte bijdrage 8.755

Deze behoefte komt neer op € 730,- netto per maand waarin de man voor 50 % zou moeten voorzien, zijnde een bedrag van afgerond € 365,- netto per maand. Rekening houdend met de inkomstenbelasting die de vrouw verschuldigd is over de bijdrage die zij van de man zal ontvangen (34,96 % zijnde het gemiddelde van de eerste en de tweede schijf) stelt het hof de gebruteerde bijdrage op € 561,- per maand.

2002

behoefte vrouw aan 12 x 1.615,61 19.387

eigen netto inkomsten vrouw 13.463 -

resteert aan netto behoefte bijdrage 5.924

Deze behoefte komt neer op € 494,- netto per maand waarin de man voor 50 % zou moeten voorzien, zijnde een bedrag van afgerond € 247,- netto per maand. Rekening houdend met de inkomstenbelasting die de vrouw verschuldigd is over de bijdrage die zij van de man zal ontvangen (35,1 % zijnde het gemiddelde van de eerste en de tweede schijf) stelt het hof de gebruteerde bijdrage op € 381,- per maand.

2003

behoefte vrouw aan 12 x 1.678,62 20.143

eigen netto inkomsten vrouw 14.469 -

resteert aan netto behoefte bijdrage 5.674

Deze behoefte komt neer op € 473,- netto per maand waarin de man voor 50 % zou moeten voorzien, zijnde een bedrag van afgerond € 236,- netto per maand. Rekening houdend met de inkomstenbelasting die de vrouw verschuldigd is over de bijdrage die zij van de man zal ontvangen (35,5 % zijnde het gemiddelde van de eerste en de tweede schijf) stelt het hof de gebruteerde bijdrage op € 366,- per maand.

2004

behoefte vrouw aan 12 x 1.720,58 20.647

eigen netto inkomsten vrouw 15.386 -

resteert aan netto behoefte bijdrage 5.261

Deze behoefte komt neer op € 438,- netto per maand waarin de man voor 50 % zou moeten voorzien, zijnde een bedrag van afgerond € 219,- netto per maand. Rekening houdend met de inkomstenbelasting die de vrouw verschuldigd is over de bijdrage die zij van de man zal ontvangen (36,75 % zijnde het gemiddelde van de eerste en de tweede schijf) stelt het hof de gebruteerde bijdrage op € 346,- per maand.

2005

behoefte vrouw aan 9 x 1.739,51 15.656

eigen netto inkomsten vrouw 11.288 -

resteert aan netto behoefte bijdrage 4.368

Deze behoefte komt neer op € 485,- netto per maand waarin de man voor 50 % zou moeten voorzien, zijnde een bedrag van afgerond € 243,- netto per maand. Rekening houdend met de inkomstenbelasting die de vrouw verschuldigd is over de bijdrage die zij van de man zal ontvangen (38,18 % zijnde het gemiddelde van de eerste en de tweede schijf) stelt het hof de gebruteerde bijdrage op € 393,- per maand.

29. Concluderend kan de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud als volgt worden vastgesteld:

- over de periode van 21 juli 1997 tot 1 januari 1998 een bijdrage van € 376,- per maand;

- over de periode van 1 januari 1998 tot 1 januari 1999 een bijdrage van € 440,- per maand;

- over de periode van 1 januari 1999 tot 1 januari 2000 een bijdrage van € 465,- per maand;

- over de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2001 een bijdrage van € 585,- per maand;

- over periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2002 een bijdrage van € 561,- per maand;

- over de periode van 1 januari 2002 tot 1 januari 2003 een bijdrage van € 381,- per maand;

- over de periode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2004 een bijdrage van € 366,- per maand;

- over de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2005 een bijdrage van € 346,- per maand;

- over de periode van 1 januari 2005 tot 24 september 2005 een bijdrage van € 393,- per maand.

De door de man betaalde onderhouds¬bijdragen en de terugbetaling

30. Bij vonnis van 7 februari 1995 heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage bepaald op ƒ 1.500,- ofwel € 680,67 per maand met ingang van 24 september 1993. Deze bijdrage wordt geïndexeerd met ingang van 1 januari 1996, het eerste jaar na de vaststelling.

31. In een latere wijzigingsprocedure heeft het hof, oordelende in hoger beroep, bij beschikking van 1 maart 2000 het vonnis van de rechtbank van 7 februari 1995 gewijzigd op het punt van de partneralimentatie en is de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage op nihil gesteld voor de periode van 1 oktober 1998 tot 1 september 1999, op een bedrag van € 251,39 per maand over de periode van 1 september 1999 tot 1 mei 2000 en vervolgens op € 669,78 per maand met ingang van 1 mei 2000. Deze laatste bijdrage dient met ingang van 1 januari 2001 te worden geïndexeerd.

32. Genoemde bijdragen zijn steeds vastgesteld aan de hand van uitsluitend de draag¬kracht van de man. De behoefte van de vrouw aan een bijdrage is in deze eerdere procedures in geen van de onderscheiden perioden een bijdrage beperkende omstandigheid geweest.

33. Op basis van deze uitspraken heeft de man in de ter beoordeling voorliggende periode van 21 juli 1997 tot 24 september 2005 de navolgende bijdragen aan de vrouw moeten voldoen:

- over de periode van 21 juli 1997 tot 1 januari 1998 een geïndexeerde bijdrage van € 699,86 per maand;

- over de periode van 1 januari 1998 tot 1 oktober 1998 een geïndexeerde bijdrage van € 715,95 per maand;

- over de periode van 1 oktober 1998 tot 1 september 1999 een bijdrage van nihil;

- over de periode van 1 september 1999 tot 1 mei 2000 een bijdrage van € 251,39 per maand;

- over de periode van 1 mei 2000 tot 1 januari 2001 een bijdrage van € 669,78 per maand;

- over periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2002 een geïndexeerde bijdrage van € 691,88 per maand;

- over de periode van 1 januari 2002 tot 1 januari 2003 een geïndexeerde bijdrage van € 723,71 per maand;

- over de periode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2004 een geïndexeerde bijdrage van € 751,93 per maand;

- over de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2005 een geïndexeerde bijdrage van € 770,73 per maand;

- over de periode van 1 januari 2005 tot 24 september 2005 een geïndexeerde bijdrage van € 779,21 per maand.

34. Het hof zal thans een overzicht opstellen waarin worden opgenomen de "oude" bijdragen die de man op basis van de eerdere beslissingen (met indexering) heeft moeten voldoen voldaan en de "nieuwe" bijdragen die de man als gevolg van de onderhavige wijzigingsbeschikking per maand had moeten voldoen. Het hof zal in het overzicht ook het verschil tussen deze beide bijdragen opnemen, doch uitsluitend voor het geval de man op basis van zijn draagkracht een hogere (oude) bijdrage heeft voldaan dan de (nieuwe) bijdrage waarop de vrouw gezien haar behoefte aanspraak kan maken.

periode oud (draagkracht) nieuw (behoefte) verschil

21 juli 1997 tot 1 jan 1998 699,86 376 323,86

1 jan 1998 tot 1 okt 1998 715,95 440 275,95

1 okt 1998 tot 1 jan 1999 nihil 440

1 jan 1999 tot 1 sept1999 nihil 465

1 sept 1999 tot 1 jan 2000 251,30 465

1 jan 2000 tot 1 mei 2000 251,30 585

1 mei 2000 tot 1 jan 2001 669,78 585 84,78

1 jan 2001 tot 1 jan 2002 691,88 561 130,88

1 jan 2002 tot 1 jan 2003 723,71 381 342,71

1 jan 2003 tot 1 jan 2004 751,93 366 385,93

1 jan 2004 tot 1 jan 2005 770,73 346 424,73

1 jan 2005 tot 24 sept 2005 779,21 393 386,21

35. Uit dit overzicht valt af te leiden dat de man na wijziging van de onderhouds¬bijdragen bij de onderhavige beschikking, een totaal bedrag € 23.667,98 te veel zal hebben voldaan indien en voor zover de onderhoudsbijdragen die hij op grond van het vonnis van de rechtbank van 7 februari 1995 en de beschikking van het hof van 1 maart 2000 verschuldigd was, feitelijk door hem zijn voldaan, al dan niet door verrekening, en/of op hem zijn verhaald. Het hof is daarbij uitgegaan, zoals de vrouw in haar inkomstenoverzicht, van volledige maanden in die zin dat juli 1997 niet en september 2005 volledig is meegenomen.

Dit totaalbedrag is aldus tot stand gekomen:

periode te veel betaald

21 juli 1997 tot 1 jan 1998 5 x 323,86 1.619,30

1 jan 1998 tot 1 okt 1998 9 x 275,95 2.483,55

1 mei 2000 tot 1 jan 2001 8 x 84,78 678,24

1 jan 2001 tot 1 jan 2002 12 x 130,88 1.570,56

1 jan 2002 tot 1 jan 2003 12 x 342,71 4.112,52

1 jan 2003 tot 1 jan 2004 12 x 385,93 4.631,16

1 jan 2004 tot 1 jan 2005 12 x 424,73 5.096,76

1 jan 2005 tot 24 sept 2005 9 x 386,21 3.475,89

36. Gelet op het debat tussen partijen in eerste aanleg en in hoger beroep stelt het hof vast dat niet in geschil is dat de onderhoudsbijdragen die de man op grond van het vonnis van de rechtbank van 7 februari 1995 en de beschikking van het hof van 1 maart 2000 over de periode van 21 juli 1997 tot 24 september 2005 verschuldigd was aan de vrouw, zijn voldaan.

37. Het hof zal de vrouw dan ook veroordelen tot terugbetaling van genoemd totaal¬bedrag van € 23.667,98 en wel binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking. Het hof zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, zoals in rechtsoverweging 35 van de tussenbeschikking van 22 juni 2010 is overwogen.

De slotsom

38. Het hof zal, onder wijziging van het vonnis van de rechtbank van 7 februari 1995 voor wat betreft de periode van 21 juli 1997 tot 1 oktober 1998 en onder wijziging van de beschikking van het hof van 1 maart 2000 voor wat betreft de periode vanaf 1 oktober 1998, de door de man aan de vrouw te betalen onderhouds¬bijdrage in zoverre opnieuw vaststellen. Daarbij zal het hof de vrouw veroordelen tot terugbetaling van de door haar te veel ontvangen onderhoudsbijdragen.

39. Het hof ziet aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke compensatie van de proceskosten tussen ex-echtgenoten. De onderhavige procedure is het gevolg van de verzwijging door de vrouw van haar inkomsten uit de WAZ-uitkering. Het hof zal de vrouw veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

wijzigt het vonnis van de rechtbank van 7 februari 1995 op het punt van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonder¬houd over de periode van 21 juli 1997 tot 1 oktober 1998 en de beschikking van het hof van 1 maart 2000 voor wat betreft die bijdrage over de periode vanaf 1 oktober 1998 tot 24 september 2005 en stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast als volgt:

- over de periode van 21 juli 1997 tot 1 januari 1998 een bijdrage van € 376,- per maand;

- over de periode van 1 januari 1998 tot 1 januari 1999 een bijdrage van € 440,- per maand;

- over de periode van 1 januari 1999 tot 1 januari 2000 een bijdrage van € 465,- per maand;

- over de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2001 een bijdrage van € 585,- per maand;

- over periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2002 een bijdrage van € 561,- per maand;

- over de periode van 1 januari 2002 tot 1 januari 2003 een bijdrage van € 381,- per maand;

- over de periode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2004 een bijdrage van € 366,- per maand;

- over de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2005 een bijdrage van € 346,- per maand;

- over de periode van 1 januari 2005 tot 24 september 2005 een bijdrage van € 393,- per maand;

stelt vast dat de vrouw ter zake van de onderhoudsbijdragen die de man over de periode 21 juli 1997 tot 24 september 2005 aan haar verschuldigd is, een bedrag van € 23.667,98 teveel heeft ontvangen van de man;

veroordeelt de vrouw om binnen veertien dagen na betekening van deze beschik¬king, aan de man (terug) te betalen het bedrag van € 23.667,98 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldag van iedere termijn, te stellen op 1 juli van het desbetreffende jaar, tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de vrouw tot betaling van de kosten van deze procedure, aan de zijde van de man begroot op € 199,- aan verschotten en € 904,- aan salaris procureur in eerste aanleg en op € 254,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris procureur in hoger beroep;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, G. Jonkman en D.J. Keur en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 5 april 2011 in bijzijn van de griffier.