Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ3529

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
04-05-2011
Zaaknummer
24-000025-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt wegens twee woninginbraken en wapenbezit veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden. Overweging omtrent DNA-bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Leeuwarden

Sector strafrecht

Parketnummer: 24-000025-11

Uitspraak d.d.: 4 mei 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 30 december 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1978],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 april 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.B. Pieters, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van verdachte is bij akte beperkt tot de veroordeling ter zake van het onder 1,2 en 4 ten laste gelegde en ziet derhalve niet op de vrijspraak ten aanzien van het ten laste onder 3 en 5.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover onderworpen aan hoger beroep - ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 09 september 2010 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van een besloten erf waarop een woning staat en/of in/uit een woning gelegen aan perceel [adres] heeft weggenomen een accordeon en/of een aggregaat en/of gereedschap en/of een caravan, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

feit 2 primair:

hij op of omstreeks 29 juni 2010 en/of 23 oktober 2010 te [plaats 2], gemeente [gemeente 2], tezamen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning en/of een bij die woning behorende schuur gelegen aan perceel [adres] heeft weggenomen een motor (Ducati Monster) met kenteken [kenteken] en/of een lasapparaat en/of kussens van tuinstoelen en/of tassen en/of sieraden en/of een bronzen beeld van een zittende vrouw en/of een bankpas en/of een paspoort en/of siervoorwerpen en/of voedingssupplementen en/of plastic boxen en/of een groene Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] en/of een beeld van klei en/of een damesfiets en/of motorattributen en/of een koffer en/of Defts blauwe tegels en/of sleutels en/of één, of meerdere, autoradio('s) en/of een leren map en/of een mobiele telefoon (Nokia 6300) en/of kleding en/of een laptop (merk HP), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(n), waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

feit 2 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 29 juni 2010 tot en met 30 oktober 2010 te [plaats 2], gemeente [gemeente 2], in elk geval in Nederland, een motor (Ducati Monster) met kenteken [kenteken] en/of een lasapparaat en/of kussens van tuinstoelen en/of tassen en/of sieraden en/of een bronzen beeld van een zittende vrouw en/of een bankpas en/of een paspoort en/of siervoorwerpen en/of voedingssupplementen en/of plastic boxen en/of een groene Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] en/of een beeld van klei en/of een damesfiets en/of motorattributen en/of een koffer en/of Defts blauwe tegels en/of sleutels en/of één, of meerdere, autoradio('s) en/of een leren map en/of een mobiele telefoon (Nokia 6300) en/of kleding en/of een laptop (merk HP) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die bankpas en/of het paspoort wist en/of moest vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

feit 4:

hij op of omstreeks 30 oktober 2010 te [plaats 3] een wapen van categorie II, te weten een semi automatisch kogelgeweer, en/of munitie van categorie II, te weten (6) pyrotechnische patronen, en/of een wapen van categorie III, te weten een semi automatisch gaspistool, en/of munitie van categorie III, te weten 1 randvuur kogelpatroon en/of 30 centraalvuur knalpatronen, voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

1. Overweging met betrekking tot het bewijs feit 1

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde onder 1 wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Door de raadsvrouw is ter zitting van het hof aangevoerd, dat er slechts één bewijsmiddel is, te weten een DNA-spoor op een frisdrankfles die is verplaatst in de woning van waaruit de diefstal heeft plaatsgevonden. Dit DNA-spoor wijst in de richting van verdachte. De verbalisant die het DNA-spoor verwerkt heeft, heeft een fout gemaakt door het nummer van het spoor op de frisdrankfles te verwisselen met het nummer van een ander DNA-spoor. Nu de verwerking van het DNA-spoor onzorgvuldig is gegaan en dit ook nog het enige bewijsmiddel is, is er sprake van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte dit feit heeft begaan. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van feit 1, aldus de raadsvrouw.

Blijkens de aangifte is tussen 9 september 2010 te 16:00 uur en 10 september 2010 te 08:00 uur ingebroken in het pand [adres] te [plaats 1]. Dit betreft een pand waarvan de bewoner is overleden; de aangever, zwager van de overledene, verrichtte er opruimwerkzaamheden. Bij de inbraak is uit de woning zelf (onder meer) een accordeon weggenomen en uit het achterhuis is tevens een aggregaat meegenomen. Aangever verklaart daarbij specifiek over twee flessen frisdrank, die uit de koelkast zijn gehaald en nu in het achterhuis stonden. Volgens aangever moeten de flessen frisdrank dus door de daders zijn verplaatst.

Uit processen-verbaal van bevindingen blijkt dat de twee frisdrankflessen in het achterhuis op de grond bij de achterdeur stonden en dat de dop eraf was gedraaid. Bij de politie rees daarom het vermoeden dat de dader(s) van de inbraak uit de fles(sen) hadden gedronken. De flessen zijn derhalve onderzocht op (speeksel)sporen. Uit onderzoek door het NFI is vervolgens een match naar voren gekomen tussen het speekselspoor op één van de frisdrankflessen en een referentiemonster wangslijmvlies van verdachte. Hierbij is berekend dat de kans dat een willekeurig gekozen persoon hetzelfde DNA-profiel zou hebben, kleiner dan één op één miljard is.

Zoals is aangevoerd door de raadsvrouw, is in het proces-verbaal van sporenonderzoek door de verbalisant [verbalisant 1] een kennelijke vergissing gemaakt ten aanzien van de SIN-nummers van de bemonsteringen van de drinkopeningen van de twee frisdrankflessen. Het hof is echter van oordeel dat deze vergissing, middels het aanvullende proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 maart 2011, opgemaakt door voornoemde verbalisant [verbalisant 1], genoegzaam is hersteld. De bevindingen omtrent het DNA kunnen derhalve worden gebruikt voor het bewijs.

Het hof is van oordeel dat de bevindingen van het DNA-onderzoek op zich een zeer grote bewijskracht toekomen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat foutmarges die kunnen leiden tot vals-positieve uitslagen, zeker in vergelijking met andere bewijsmiddelen zoals getuigenverklaringen, naar algemene ervaringsregels zeer klein plegen te zijn.

Naar het oordeel van het hof is op grond van de hiervoor weergegeven omstandigheden waaronder de fles is aangetroffen voorts boven redelijke twijfel verheven dat het betreffende speekselspoor is achtergelaten door (één van) de inbreker(s). Alternatieve scenario's zijn in theorie voorstelbaar, maar op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Van de zijde van de verdachte zijn geen suggesties aangereikt. Na zich aanvankelijk bij de politie op zijn zwijgrecht te hebben beroepen, heeft hij ten overstaan van de politierechter omtrent deze verdenking verklaard dat als dat speeksel dat op "die flessen" is aangetroffen van hem is "het" wel zo zal zijn, dat hij nooit in de woning is geweest en geen idee heeft hoe zijn speeksel op die flessen is gekomen.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat de DNA-match in samenhang met de aangifte voldoende wettig en overtuigend bewijs oplevert voor een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit.

2. Rechtmatigheid van het verkregen bewijs feit 2 en feit 4

Door de raadsvrouw is ter zitting van het hof aangevoerd, dat op het moment dat verdachte op 30 oktober 2010 door de politie in zijn auto werd aangetroffen geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond. De daarop volgende doorzoeking van de auto heeft onrechtmatig plaatsgevonden en de daaruit verkregen bewijsmiddelen mogen daarom niet worden meegewogen voor het bewijs. Na deze bewijsuitsluiting is er onvoldoende wettig bewijs om tot een bewezenverklaring van het onder 2 en 4 ten laste gelegde te komen, zodat verdachte moet worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Het hof stelt met betrekking tot de feitelijke gang van zaken op 30 oktober 2010 het volgende vast. Op zaterdag 30 oktober 2010, omstreeks 04:50 uur zien politieambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] een witte bedrijfsauto met laadbak scheef geparkeerd staan aan de kant van de openbare weg. In de auto zien zij de hun ambtshalve bekende [verdachte] zitten. Hij hangt met zijn hoofd voorovergebogen op het stuur. Omdat zij niet weten in wat voor staat hij is, kloppen zij eerst op het raam. Zij zien dat verdachte zijn hoofd optilt. Verbalisant [verbalisant 3] trekt daarop de deur van de auto aan de bestuurderszijde open. Ze zien dat verdachte erg schrikt en dat hij de deur weer dicht trekt. De verbalisanten roepen dat hij niet moet schrikken en dat ze van de politie zijn. Ze openen de deur nogmaals. Verdachte komt verward over. Ze zien dat verdachte in zijn linkerhand een oranje Tictac-doosje heeft. Hierin zit een wit poederachtig spul. Het is verbalisant [verbalisant 2] ambtshalve bekend dat verdachte harddrugsgebruiker is. Nadat hij om de auto heen is gelopen ziet verbalisant [verbalisant 2] dat het portier aan de bijrijderszijde niet goed dicht zat. Hij opent dan dat portier. Daarop ziet [verbalisant 2] vóór de bijrijdersstoel op de grond een geweerkolf uit een regenjas steken. Verdachte wordt vervolgens aangehouden op grond van verdenking van overtreding van de Wet Wapens en Munitie. Daarna wordt de auto van verdachte doorzocht. Bij de doorzoeking worden een tweede wapen, munitie voor de beide wapens en goederen die later afkomstig blijken van diefstal gevonden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De politie heeft op grond van artikel 2 Politiewet de taak om te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Op grond van dit artikel hadden de verbalisanten onder de hiervoor geschetste omstandigheden de bevoegdheid om het portier (aan de bestuurderszijde) te openen. Ook het voor de tweede keer openen van dit portier en het openen van het portier aan de bijrijderszijde is onder deze omstandigheden op grond van artikel 2 Politiewet rechtmatig. Vervolgens werd door [verbalisant 2] direct (de kolf van) het geweer in de auto waargenomen, waarbij overigens nog geen sprake is geweest van het doorzoeken van de auto. Er is geen enkele aanwijzing om te veronderstellen dat het aanvullende proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] d.d. 5 november 2010, is opgesteld om onrechtmatigheden rond de gang van zaken omtrent de aanhouding van verdachte te bedekken, zoals door de raadsvouw is aangevoerd.

Concluderend acht het hof de feitelijke gang van zaken omtrent het aantreffen van het geweer, de aanhouding en de daaropvolgende doorzoeking van de auto rechtmatig. Het hof verwerpt het verweer.

3. Overweging met betrekking tot het bewijs feit 2

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Niet ter discussie staat dat goederen, die afkomstig zijn van de diefstal zoals ten laste gelegd onder 2, op 30 oktober 2010 bij verdachte in de auto zijn aangetroffen. Dit betrof een bronzen beeld (in stukken) en een paspoort en een bankpas op naam van [benadeelde]. Het paspoort en de bankpas werden aangetroffen in een tasje in het portiervak aan de passagierszijde. Het bronzen beeld (in stukken) werd aangetroffen in de laadbak van de auto van verdachte.

Verder is van belang dat op 23 oktober 2010 een witte auto met een cabine en een laadbak nabij de plaats delict is gezien. Achter deze auto werd een groene Volkswagen Golf gesleept. Bij de inbraak op 23 oktober 2010 is onder meer een groene Volkswagen Golf weggenomen. De beschrijving die de getuige van de eerste auto geeft past bij de auto van verdachte. Ter zitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij zijn auto op 23 oktober 2010 niet heeft uitgeleend.

Uit voorgaande vloeit het rechtsvermoeden voort dat verdachte betrokken is geweest bij de inbraak op 23 oktober 2010, zoals ten laste gelegd onder 2. Verdachte heeft echter geen enkele aannemelijke verklaring gegeven omtrent het feit dat de gestolen goederen een week na de diefstal onder hem zijn aangetroffen. Het hof laat dit meewegen voor het bewijs. Op grond van voorgaande, en mede in aanmerking genomen de aangifte, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 primair ten laste gelegde diefstal heeft begaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 primair en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 9 september 2010 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van een besloten erf waarop een woning staat en/of uit een woning gelegen aan perceel [adres] heeft weggenomen een accordeon en een aggregaat en gereedschap en een caravan, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak.

feit 2 primair:

hij op 23 oktober 2010 te [plaats 2], gemeente [gemeente 2] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning en/of een bij die woning behorende schuur gelegen aan perceel [adres] heeft weggenomen een lasapparaat en kussens van tuinstoelen en tassen en sieraden en een bronzen beeld van een zittende vrouw en een bankpas en een paspoort en siervoorwerpen en voedingssupplementen en plastic boxen en een groene Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] en een beeld van klei en een damesfiets en motorattributen en een koffer en Defts blauwe tegels en sleutels en autoradio' s en een leren map en een mobiele telefoon (Nokia 6300) en kleding en een laptop (merk HP), toebehorende aan [benadeelde] en/of [slachtoffer 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak.

feit 4:

hij op 30 oktober 2010 te [plaats 3] een wapen van categorie II, te weten een semi automatisch kogelgeweer, en munitie van categorie II, te weten (6) pyrotechnische patronen, en een wapen van categorie III, te weten een semi automatisch gaspistool, en munitie van categorie III, te weten 1 randvuur kogelpatroon en 30 centraalvuur knalpatronen, voorhanden heeft gehad;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee woninginbraken. Verdachte heeft aldus meermalen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de slachtoffers. Woninginbraken veroorzaken veel onrust en overlast voor de bewoners. Bovendien heeft verdachte door de feiten een ernstige inbreuk gemaakt op de privacy van de slachtoffers.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een geweer en een pistool, met munitie voor de beide wapens. Het hof tilt zwaar aan dit feit. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en veroorzaakt een gevoel van onveiligheid in de samenleving. Door aldus te handelen heeft verdachte hieraan bijgedragen.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 april 2011 (omvattende 22 pagina's) - vele malen eerder is veroordeeld voor (woning)inbraken en ook voor overtreding van de Wet Wapens en Munitie, onder meer tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel, dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur passend en noodzakelijk is. Het hof zal verdachte derhalve een gevangenisstraf opleggen van twaalf maanden. Dit is hoger dan de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf (tien maanden). Het hof acht de door de rechtbank opgelegde straf echter

- gelet op de ernst van de feiten en het strafrechtelijke verleden van verdachte - onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 6.980,67. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 6.634,67. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Beslag

In het dossier bevindt zich geen lijst met inbeslaggenomen goederen. Het hof zal daarom - anders dan de politierechter in eerste aanleg - een beslissing op dit punt achterwege laten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, en/of artikel 27a Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde] terzake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 6.980,67 (zesduizend negenhonderdtachtig euro en zevenenzestig cent) bestaande uit EUR 6.480,67 (zesduizend vierhonderdtachtig euro en zevenenzestig cent) materiële schade en EUR 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 6.980,67 (zesduizend negenhonderdtachtig euro en zevenenzestig cent) bestaande uit EUR 6.480,67 (zesduizend vierhonderdtachtig euro en zevenenzestig cent) materiële schade en EUR 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 69 (negenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. K.J. van Dijk, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 4 mei 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. K.J. van Dijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.