Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ3474

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
04-05-2011
Zaaknummer
200.042.651/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2505, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verschil tussen koopoptie en recht van eerste koop in verband met moment waardebepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2011/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[appellant],

wonend te [woonplaats 4],

APPELLANT,

advocaat: mr. R.W. de Casseres, gevestigd te Leeuwarden,

t e g e n

1. DE GEZAMENLIJKE ERVEN VAN [de erflaatster],

wonend te [woonplaats 1], [woonplaats 2], [woonplaats 3] en [woonplaats 4],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonend te [woonplaats 4],

3. [geïntimeerde sub 3],

wonend te [woonplaats 4],

4. [geïntimeerde sub 4],

wonend te [woonplaats 4],

5. [geïntimeerde sub 5],

wonend te [woonplaats 5],

6. [geïntimeerde sub 6],

wonend te [woonplaats 6], en

7. [geïntimeerde sub 7],

wonend te [woonplaats 5],

GEÏNTIMEERDEN,

advocaten:

mr. A.H. Lanting, gevestigd te Leeuwarden, voor geïntimeerden 3 en 4,

mr. E.J. Jongsma, gevestigd te Joure, voor geïntimeerden 5, 6 en 7.

De partijen worden hierna [appellant] respectievelijk geïntimeerden genoemd, dan wel afzonderlijk [geïntimeerde sub 3], [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 5], [geïntimeerde sub 6] en [geïntimeerde sub 7].

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Bij dagvaarding van 28 juli 2009 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de ¬rechtbank te Leeuwarden van 24 januari 2007 en 13 mei 2009, in deze zaak onder num¬mer 62906/HA ZA 04-173 gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie en verweerder in (deels voorwaardelijke) reconventie en geïntimeerden als gedaagden in conventie en eisers in (deels voorwaardelijke) reconventie.

1.2 Van de gezamenlijke erven van [de erflaatster] is alleen [geïntimeerde sub 3] verschenen. Tegen de niet verschenen geïntimeerden is verstek verleend.

1.3 [appellant] heeft bij memorie drie grieven geformuleerd en toegelicht en zijn eis gewijzigd met conclusie, kort gezegd, dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en geïntimeerden zal veroordelen primair mee te werken aan de levering aan [appellant] van de onroerende zaak aan het adres [adres 1] te [plaats] voor een bedrag van € 28.000,-, althans € 32.200,-, althans € 52.750,-, en subsi¬di¬air aan [appellant] te betalen een bedrag van € 75.000,-, althans een door het gerechtshof te bepalen bedrag vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 februari 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties.

1.4 [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] hebben bij memorie geantwoord met conclu¬sie dat het hof de grieven zal afwijzen en de vonnissen waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties.

1.5 [geïntimeerde sub 5], [geïntimeerde sub 6] en [geïntimeerde sub 7] hebben eveneens bij memorie geantwoord met conclusie, kort gezegd, dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren, althans zijn vorderingen zal afwijzen, de vonnissen waarvan beroep zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

1.6 Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Beoordeling

2.1 Tegen het tussenvonnis van 24 januari 2007 heeft [appellant] geen grief gericht. Voor zover het hoger beroep tegen dit tussenvonnis is gericht zal [appellant] daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.2 Het gaat kort gezegd om het volgende.

2.2.1 Op 25 januari 1990 is [de erflaatster] (erflaatster) overleden. Haar erfgenamen zijn gezamenlijk eigenaar geworden van de woning aan de [adres 1] te [plaats] (de woning). Het was de wens van erflaatster, zoals door haar handgeschreven verklaard op 24 augustus 1987, dat [appellant], haar zoon, in het huis zou komen te wonen en het recht van eerste aankoop zou krijgen. Naar de rechtbank onbetwist heeft aangenomen is [appellant] op 1 augustus 1993 in de woning getrokken.

2.2.2 Bij beschikking van 4 maart 1992 heeft het gerechtshof bevolen dat de woning wordt geveild. Hieraan zijn door het hof twee voorwaarden verbonden. De eerste is dat de woning gelijk met het naburige pand op [adres 2] zal worden geveild indien en nadat bij onherroepelijke beslissing in de procedure met rolnummer [nummer] de vordering van [geïntimeerde sub 3] tot levering van het pand aan de [adres 2] is afgewezen. De tweede is dat [appellant] niet binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis in de procedure met rolnummer [nummer] heeft aangegeven dat hij het recht op eerste koop effectueert.

2.2.3 In de procedure met rolnummer [nummer] is de vordering van [geïntimeerde sub 3] toegewezen. Met het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2002 is deze toewijzing onherroepelijk geworden. Daarmee is de eerste voorwaarde niet in vervulling gegaan en was de openbare verkoop van de woning tezamen met het pand aan de [adres 2] van de baan.

2.2.4 [appellant] heeft het recht van eerste koop van de woning ingeroepen.

2.3 In deze procedure vordert [appellant] medewerking van geïntimeerden tot levering van de woning. De vraag die in hoger beroep partijen verdeeld houdt, is welke prijs [appellant] voor de woning aan geïntimeerden zal moeten betalen.

2.4 De rechtbank heeft in het kader van de beantwoording van deze vraag een deskundige benoemd, [de deskundige]. De deskundige heeft de waarde van de woning op 20 september 2002 getaxeerd op € 123.000,- en die op 20 december 2002 op € 124.000,-. De rechtbank heeft uitgaande van deze taxaties de door [appellant] aan geïntimeerden te betalen koopsom bepaald op € 123.500,-.

2.5.1 Met grief I bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank in het vonnis van 15 maart 2006 dat de voor het onderzoek naar de koopprijs aan te stellen deskundige voor de waardebepaling als uitgangspunt dient te nemen de waarde van de woning in de periode 20 september 2002 tot en met 20 december 2002 nu de koopovereenkomst met betrekking tot de woning tot stand is gekomen door het inroepen van het recht op eerste koop, zodat, nu [appellant] dat recht van eerste koop pas in de periode van 20 september 2002 tot en met 20 december 2002 kon inroepen, die periode voor de waardering van de woning bepalend is.

2.5.2 Grief II betreft de benoeming van [de deskundige] als deskundige en de aan hem voorgelegde vraag naar de waarde van de woning in de periode 20 september 2002 tot 20 december 2002.

2.5.3 Met grief III bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank in het eindvonnis van 13 mei 2009 dat de koopsom van de woning wordt bepaald op € 123.500,- in plaats van € 28.000,-, althans € 32.200,-, althans € 52.750,-.

2.5.4 Ter toelichting op zijn grieven stelt [appellant] dat hij het recht van eerste koop al in juli 1993 kon inroepen en ook heeft ingeroepen en dat dus bij het bepalen van de koopprijs dient te worden uitgegaan van de waarde van de woning in juli 1993. De waarde van de woning is door [de makelaar], makelaar te [plaats], bepaald op € 28.000,- en dus was het volgens [appellant] niet nodig een deskundige te benoemen. Nu dit toch is gebeurd is de enige vraag die aan de deskundige had moeten worden gesteld die naar de waarde van de woning in juli 1993. Bovendien is de aanknoping bij de data 20 september 2002 en 20 december 2002 reeds daarom onjuist omdat deze data te maken hadden met een procedure die niet over de woning ging.

2.6 Naar aanleiding van grief I overweegt het hof als volgt. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij reeds in juli 1993 het recht van eerste koop heeft ingeroepen en dat om die reden de door hem te betalen koopprijs op de waarde van de woning in 1993 moet worden gebaseerd. Het hof volgt [appellant] in dit standpunt niet. Een recht van eerste koop kan, anders dan een koopoptie, pas worden ingeroepen op het moment dat de eigenaar het object waarop het recht betrekking heeft te koop aanbiedt. Hetgeen erflaatster aan [appellant] heeft toegekend is een recht van eerste koop, zoals blijkt uit haar handgeschreven verklaring van 24 augustus 1987 (productie 5 bij inleidende dagvaarding). De woning is in juli 1993 echter niet te koop aangeboden. Op grond van de beschikking van het hof van 4 maart 1992 kon de woning pas na 20 september 2002 te koop worden aangeboden. [appellant] heeft zijn recht van eerste koop dan ook niet eerder dan 20 september 2002 kunnen uitoefenen. Hierop stuit grief I af.

2.7 Uit het bovenstaande volgt dat de waarde van de woning moest worden bepaald naar het moment waarop de koopovereen¬komst geacht moet worden te zijn gesloten. Nu de woning ingevolge de beschikking van het hof van 4 maart 1992 pas na 20 september 2002 te koop kon worden aangeboden, heeft de rechtbank met goede grond – naar het hof begrijpt - het moment waarop de koopovereenkomst geacht moet worden te zijn gesloten bepaald op de datum die precies tussen 20 september 2002 en 20 december 2002 ligt. Uitgaande van de taxaties van de deskundige kwam de rechtbank terecht op een koopsom van € 123.500,- uit. Hierop stuiten de grieven II en III af.

2.8 In het licht van de grieven behoeft de subsidiaire vordering geen bespreking.

3. Slotsom en kosten

De grieven falen. De vonnissen van 15 maart 2006, 20 december 2006 en 13 mei 2009 worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in hoger beroep worden veroordeeld.

4. Beslissing

Het hof:

verklaart [appellant] niet ontvankelijk voor zover het hoger beroep tegen het vonnis van 24 januari 2007 is gericht;

bekrachtigt de vonnissen van 15 maart 2006, 20 december 2006 en 13 mei 2009;

verwijst [appellant] in de kosten van dit geding in hoger beroep en begroot deze kosten zowel aan de kant van [geïntimeerde sub 3] en [geïntimeerde sub 4] als aan de kant van [geïntimeerde sub 5], [geïntimeerde sub 6] en [geïntimeerde sub 7] tot dit arrest op € 313,- aan griffiekosten en € 894,- aan advocaatkosten;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs J.C.W. Rang, H.J.M. Boukema en R.J.Q. Klomp door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 april 2011.