Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ3382

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-04-2011
Datum publicatie
04-05-2011
Zaaknummer
24-000893-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het hof is van oordeel dat in beginsel oplegging aan de verdachte van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en noodzakelijk is.

Het hof zal er echter rekening mee houden dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, nu het openbaar ministerie bij de betekening van de verstekmededeling van het vonnis van de rechter in eerste aanleg niet de nodige zorgvuldigheid en voortvarendheid heeft betracht.

Immers, niet gebleken is dat een rechtsgeldige betekening van de verstekmededeling ex artikel 588, derde lid, onder a van het Wetboek van Strafvordering heeft plaatsgevonden. Er heeft weliswaar op het adres van de verdachte in Duitsland een uitreiking van de verstekmededeling aan een huisgenoot van de verdachte plaatsgevonden. Echter, uit de hierop betrekking hebbende (Duitstalige) akte van uitreiking blijkt niet dat die huisgenoot zich bereid heeft verklaard de verstekmededeling onverwijld aan de verdachte te doen toekomen.

Het openbaar ministerie heeft vervolgens evenmin tenminste eenmaal per jaar getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen, hetzij aan de verdachte in persoon, hetzij overeenkomstig het bepaalde in artikel 588, tweede of derde lid van het Wetboek van Strafvordering.

Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn en het mede daardoor ontstane tijdsverloop van bijna elf jaren, ziet het hof aanleiding de onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden die het hof voornemens was op te leggen, op te leggen in voorwaardelijke vorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-000893-10

parketnummer eerste aanleg: 18-052011-00

Arrest van 29 april 2011 van het gerechtshof Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 16 mei 2000 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

niet ter terechtzitting verschenen.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, rekening houdende met de niet correcte, tijdige betekening door het openbaar ministerie van de verstekmededeling aan de verdachte en als gevolg daarvan het ontstane tijdsverloop in deze zaak, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 december 1999 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 25 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat :

hij op 13 december 1999 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 25 gram heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid

Het hof acht de verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid heroïne. De verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet. De strafwaardigheid hiervan is gelegen in de ernstige bedreiging die het gebruik van heroïne voor de volksgezondheid vormt en in de met het gebruik van heroïne gepaard gaande criminaliteit. Het hof neemt in aanmerking de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken. Die oriëntatiepunten gaan voor het misdrijf waarvan hier sprake is uit van de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf voor de duur van twee tot drie maanden.

Het hof houdt bij de strafoplegging tevens rekening met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 februari 2011, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit.

Daar staat tegenover dat de verdachte of zijn medeverdachte op 13 december 1999 door de politie is herkend vanwege een aanhouding welke kort daarvoor had plaatsgevonden in verband met het aanwezig hebben van hard-drugs. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte zich kennelijk ophield in het milieu van hard-drugsgebruikers.

Het hof heeft tevens rekening gehouden met voornoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, en uit het oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van het door de verdachte begane strafbare feit, alsmede gelet op de hiervoor genoemde landelijke oriëntatiepunten, is het hof van oordeel dat in beginsel oplegging aan de verdachte van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en noodzakelijk is.

Het hof zal er echter rekening mee houden dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, nu het openbaar ministerie bij de betekening van de verstekmededeling van het vonnis van de rechter in eerste aanleg niet de nodige zorgvuldigheid en voortvarendheid heeft betracht.

Immers, niet gebleken is dat een rechtsgeldige betekening van de verstekmededeling ex artikel 588, derde lid, onder a van het Wetboek van Strafvordering heeft plaatsgevonden. Er heeft weliswaar op het adres van de verdachte in Duitsland een uitreiking van de verstekmededeling aan een huisgenoot van de verdachte plaatsgevonden. Echter, uit de hierop betrekking hebbende (Duitstalige) akte van uitreiking blijkt niet dat die huisgenoot zich bereid heeft verklaard de verstekmededeling onverwijld aan de verdachte te doen toekomen.

Het openbaar ministerie heeft vervolgens evenmin tenminste eenmaal per jaar getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen, hetzij aan de verdachte in persoon, hetzij overeenkomstig het bepaalde in artikel 588, tweede of derde lid van het Wetboek van Strafvordering.

Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn en het mede daardoor ontstane tijdsverloop van bijna elf jaren, ziet het hof aanleiding de onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden die het hof voornemens was op te leggen, op te leggen in voorwaardelijke vorm.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van

drie maanden;

beveelt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de eventuele uitvoering van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Dolfing, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. J.H. Kuiper, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier.