Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ3273

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-04-2011
Datum publicatie
02-05-2011
Zaaknummer
24-001979-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van oplichting, gewoontewitwassen, eenvoudige belediging en overtreding van artikel 2:60 van de Wet op het financieel toezicht veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Verdachte wordt vrijgesproken van diefstal van goederen uit een politieauto. Ter zake van de bewezen verklaarde mishandeling wordt verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001979-10 (strafzaak)

Parketnummer eerste aanleg: 18-670097-10

Arrest van 28 april 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 12 augustus 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1988] te [geboorteplaats],

niet ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie, volgens eigen opgave ter zitting verblijvende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in [verblijfplaats],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, heeft maatregelen opgelegd en heeft beslist op de vorderingen van benadeelde partijen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 12 januari 2011 en 14 april 2011, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof is - evenals de advocaat-generaal en de raadsman - van oordeel dat er ten aanzien van de verdachte onder 1 ten laste gelegde oplichting sprake is van een impliciet cumulatieve tenlastelegging. De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde slechts veroordeeld ter zake van de oplichting van de met naam in de tenlastelegging genoemde personen. De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van de overige ten laste gelegde gevallen expliciet vrijgesproken. Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van de overige onder 1 ten laste gelegde gevallen van oplichting, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte ter zake van het hem onder 5 ten laste gelegde en de strafoplegging. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het hem onder 5 ten laste gelegde zal ontslaan van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer. Ten aanzien van de strafoplegging heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen, nu het hof - anders dan de rechtbank - verdachte zal vrijspreken van het hem onder 6 ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover aan hoger beroep onderworpen, ten laste gelegd, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van april 2009 tot en met februari 2010, in de gemeente [gemeente] en/of/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

- [slachtoffer 1], aangifte pagina 140 en/of

- [benadeelde 2], aangifte pagina 161 en/of

- [slachtoffer 2], aangifte pagina 195 en/of

- [benadeelde 3], aangifte pagina 206 en/of

- [slachtoffer 3], aangifte pagina 233 en/of

- [slachtoffer 4], aangifte pagina 248 en/of

- [slachtoffer 5], aangifte pagina 273

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- via internet en/of per post en/of per telefoon en/of middels de bedrijfsnamen [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 1] io en/of andere (bedrijfs(namen) een of meer geldleningen aangeboden, en/of

- zich (daarbij) voorgedaan als een bonafide verstrekker/bemiddelaar en/of bedrijf in verstrekking/bemiddeling van geldleningen en/of

- meegedeeld dat ook leningen kunnen worden verstrekt als de aanvrager een BKR-registratie heeft en/of

- meegedeeld dat aan een aanvraag voor een geldlening dossierkosten zijn verbonden, en moeten worden voldaan alvorens een aanvraag in behandeling kan worden genomen en/of

- meegedeeld dat geldleningen notarieel worden vastgelegd en dat de daaraan verbonden kosten dienen te worden voldaan voordat een geldlening kan worden verstrekt en/of

- meegedeeld dat voor het verkrijgen van een geldlening een borgsom moet worden gestort en/of

- de aanvrager(s) van geldleningen persoonlijke bescheiden heeft laten verstrekken en/of

- brieven en/of mails verzonden, inhoudende een akkoordverklaring voor een aangevraagde geldlening en/of

- zich bediend van een of meer valse namen, onder andere [alias 1] en/of[alias 2] en/of [alias 3] en/of [alias 4] en/of

- leenovereenkomsten opgesteld en/of verzonden en/of ondertekend en/of laten ondertekenen en/of

- het bedrijf [bedrijf 1] io heeft ingeschreven op het adres [adres] te [plaats]

waardoor die benadeelde(n) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij in of omstreeks het tijdvak april 2009 t/m februari 2010, te [plaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen (telkens) (een) voorwerp(en), te weten geldbedragen,

waaronder de hieronder genoemde, op bankrekening [rekeningnummer], gestorte bedragen:

- 250 euro, bijschrijving 25 mei 2009 door [naam], onder vermelding van "aanvraag lening" en/of

- 550 euro, bijschrijving 4 juni 2009 door [naam], onder vermelding van "notariskosten" en/of

- 1800 euro, bijschrijving 30 juni 2009 door J[naam], onder vermelding van "contract [nummer]" en/of

- 456,89 euro, bijschrijving 19 oktober 2009 door [naam], onder vermelding van "voor notaris lening"

en/of

waaronder de hieronder genoemde, op bankrekening [rekeningnummer], gestorte bedragen:

- 500 euro, bijschrijving 16 oktober 2009 door [naam], onder vermelding van "ter bevestiging voor de notaris" en/of

- 250 euro, bijschrijving 18 december 2009 door [slachtoffer 5] en/of

- 687,50 euro, bijschrijving 28 december 2009 door [naam], onder vermelding van "Spoedbetaling, ons kenmerk [nummer]" en/of

- 637,50 euro, bijschrijving 8 februari 2010 door [naam], onder vermelding van [nummer]"

en/of

waaronder de hieronder genoemde, op bankrekening [rekeningnummer], gestorte bedragen:

- 125 euro, bijschrijving 20 april 2009 door [naam], onder vermelding van "afspraak met de heer [alias 3]. Help ons aub met lening" en/of

- 250 euro, bijschrijving 29 april 2009 door [naam], onder vermelding van "dossierkosten [naam]" en/of

- 250 euro, bijschrijving 13 mei 2009 door [naam], onder vermelding van "dossierkosten" en/of

- 250 euro, bijschrijving 14 mei 2009 door [naam], onder vermelding van "dossierkosten volgens afspraak kosten voor lening"

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of/althans van (een) voorwerp(en), te weten voormelde, althans een of meer, geldbedrag(en), gebruik gemaakt,

en/of/althans van (een) voorwerp(en), te weten voormelde, althans een of meer, geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, en/of/althans heeft hij en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp(en), te weten voormelde, althans een of meer, geldbedrag(en), was/waren of wie bovenomschreven voorwerp(en), te weten voormelde, althans een of meer, geldbedrag(en), voorhanden had(den),

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3.

hij in of omstreeks het tijdvak van april 2009 t/m februari 2010, in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning, krediet heeft aangeboden, onder andere aan:

- [slachtoffer 1] te [woonplaats] en/of

- [benadeelde 2] te [woonplaats] en/of

- [slachtoffer 2] te [woonplaats] en/of

- [benadeelde 3] te [woonplaats] en/of

- [slachtoffer 3] te [woonplaats] en/of

- [slachtoffer 4] te [woonplaats] en/of

- [slachtoffer 5] te [woonplaats];

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks het tijdvak van april 2009 tot en met februari 2010, in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning, heeft bemiddeld, onder andere tussen [bedrijf 2] en/of [bedrijf 1] i.o. en/of [bedrijf 6] en/of [bedrijf 3], althans een of meer bedrijven, en

- [slachtoffer 1] te [woonplaats] en/of

- [benadeelde 2] te [woonplaats] en/of

- [slachtoffer 2] te [woonplaats] en/of

- [benadeelde 3] te [woonplaats] en/of

- [slachtoffer 3] te [woonplaats] en/of

- [slachtoffer 4] te [woonplaats] en/of

- [slachtoffer 5] te [woonplaats];

4.

hij in of omstreeks het tijdvak van januari t/m maart 2010 te [plaats] opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5], hoofdagent(en) van de [benadeelde 1] en/of het openbaar gezag, te weten de politie, in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding heeft beledigd door toen aldaar een foto op Hyves, althans internet, te plaatsen en/of geplaatst te houden, afbeeldende een hakenkruis, met daarbij foto's en de namen van genoemde [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of de teksten "Jeugdagent" en/of "Joden van Knoal" en/of "Vooral deze" (dit laatste, met een pijl naar [benadeelde 5]);

5.

hij op of omstreeks 16 januari 2010 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 6]),

- een in werking zijnde stroomstootwapen op de borst en/of kin heeft gedrukt, althans met een stroomstootwapen heeft geraakt en/of

- heeft gestompt en/of geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

6.

hij op of omstreeks 14 november 2008 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoofdsteun en/of een alcotester en/of een bonnenboekje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Onder 1 wordt verdachte verweten dat hij in of omstreeks de periode april 2009 tot en met februari 2010 een zevental - met naam in de tenlastelegging genoemde - personen heeft opgelicht door zich - kort gezegd - in strijd met de waarheid voor te doen als professioneel kredietverstrekker en deze personen er zodoende toe te bewegen in het kader van een door hem aangeboden geldlening aan hem bedragen over te maken voor kosten, zoals dossier- en notariskosten, die in werkelijkheid nimmer zijn gemaakt. Onder 2 wordt verdachte verweten dat hij een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van bedragen die hem in voornoemde periode zijn overgemaakt door de in de tenlastelegging genoemde personen. Verdachte wordt er eveneens van verdacht dat hij in datzelfde tijdvak in strijd met de hieromtrent bestaande bepalingen in de Wet op het financieel toezicht aan diezelfde personen krediet heeft aangeboden zonder een daartoe verleende vergunning, hetgeen aan verdachte onder 3 primair ten laste is gelegd.

Verdachte heeft zowel ten overstaan van de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep bekend de hem onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten te hebben begaan. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep evenwel bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van deze feiten voor zover het de in de tenlastelegging genoemde persoon [slachtoffer 4] betreft. [slachtoffer 4] zou verdachte buiten de ten laste gelegde periode van april 2009 tot en met februari 2010 hebben benaderd met de vraag om hem een geldlening te verstrekken. [slachtoffer 4] heeft vervolgens ná februari 2010 geld aan verdachte overgemaakt ter voldoening van de kosten die volgens verdachte verbonden zouden zijn aan de door hem nog te verstrekken geldlening.

Volgens aangever [slachtoffer 4] heeft hij op 1 maart 2010 kennis genomen van een advertentie waarin door (een bedrijf van) verdachte een geldlening werd aangeboden. Aangever heeft vervolgens direct contact opgenomen met (het bedrijf van) verdachte, waarna aangever zowel diezelfde dag als op 2 maart 2010 een geldbedrag aan verdachte heeft overgemaakt ten behoeve van de door hem te verkrijgen geldlening, hetgeen eveneens steun vindt in de in het procesdossier aanwezige uitdraaien van de bankgegevens van aangever.

Het hof is - met de advocaat-generaal - van oordeel dat onder de in de tenlastelegging vermelde tijdsaanduiding "op of omstreeks de periode/het tijdvak van april 2009 tot en met februari 2010" de door aangever genoemde data van 1 en 2 maart 2010 kunnen worden begrepen. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen. Het hof acht - mede op grond van vorenstaande - bewezen dat verdachte het hem onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Onder 4 wordt verdachte verweten - zakelijk weergegeven - dat hij opzettelijk twee ambtenaren van politie en/of het openbaar gezag, te weten de politie, heeft beledigd door een foto op verdachtes Hyves-pagina te plaatsen waarop die twee ambtenaren afgebeeld staan in de nabijheid van een hakenkruis en voorzien van de tekst(en) "Jeugdagent" en/of "Joden van Knoal" en/of "Vooral deze", dit laatste met een pijl naar een van de politieambtenaren.

Verdachte heeft eveneens ten aanzien van het hem onder 4 ten laste gelegde bekennende verklaringen afgelegd. De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof echter betoogd dat er met deze handelingen van verdachte geen sprake is geweest van belediging van het openbaar gezag, zoals bedoeld in artikel 267, aanhef en onder 1º, van het Wetboek van Strafrecht, zodat verdachte van deze strafverzwarende omstandigheid dient te worden vrijgesproken.

Het hof is - met de raadsman - van oordeel dat voornoemde ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, aangezien er slechts sprake is van een belediging aangedaan aan twee individuele gezagsdragers. Het hof zal verdachte in zoverre van het hem onder 4 ten laste gelegde vrijspreken.

De bij de foto geplaatste tekst "Jeugdagent" kan naar het oordeel van het hof op zichzelf, alsmede in verband met de overige kenmerken van de afbeelding, - onder de feiten en omstandigheden van onderhavige zaak - niet als beledigend worden aangemerkt. Ook in zoverre zal het hof verdachte vrijspreken van het hem onder 4 ten laste gelegde.

Verdachte wordt onder 5 verweten dat hij aangever [slachtoffer 6] heeft mishandeld door - onder meer - een stroomstootwapen tegen het lichaam van deze [slachtoffer 6] te drukken, althans hem met dit stroomstootwapen te raken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard tijdens een worsteling met [slachtoffer 6] het stroomstootwapen ter hand te hebben genomen en dit tegen [slachtoffer 6] te hebben aangedrukt waardoor deze een schok heeft gekregen. Verdachte heeft echter verklaard uit noodweer te hebben gehandeld.

Op basis van deze bekennende verklaring van verdachte, de aangifte van [slachtoffer 6] en de getuigenverklaring van [getuige] acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer 6] heeft mishandeld. Het door verdachte gedane beroep op noodweer zal (hieronder) bij de bespreking van de strafbaarheid (van verdachte) aan de orde komen.

Tot slot wordt verdachte onder 6 - kort gezegd - verweten dat hij samen met een ander op 14 november 2008 te [plaats] een aantal goederen uit een politieauto heeft gestolen.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het hem onder 6 ten laste gelegde. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte de goederen heeft weggenomen, dan wel dat hij als medepleger is aan te merken van deze diefstal die door de medeverdachte zou zijn gepleegd.

Verdachte heeft telkens ontkend dat hij degene is geweest die de goederen uit de politieauto heeft weggenomen. Zijn vriend, die op dat moment bij hem was, zou verantwoordelijk zijn geweest voor de diefstal. Verdachte zou hier pas naderhand achter zijn gekomen.

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt de volgende feitelijke gang van zaken naar voren.

In de vroege ochtend van 14 november 2008 fietsen verdachte en zijn vriend - na het uitgaan - over de [straat] te [plaats] als zij daar op een gegeven moment een politievoertuig zien staan. Voordat verdachte het weet zit zijn vriend al in de - kennelijk onafgesloten achtergelaten - politieauto. Verdachte maakt met zijn mobiele telefoon enkele foto's van zijn vriend terwijl deze in de betreffende auto zit. Daarna neemt verdachte plaats in de auto en maakt zijn vriend van hem een foto. Verdachtes vriend neemt vervolgens opnieuw plaats in de politieauto. Daarna loopt verdachte naar zijn fiets, even later gevolgd door zijn vriend. Als zij samen wegfietsen, ziet verdachte dat zijn vriend enkele goederen, vermoedelijk afkomstig uit de politieauto, bij zich heeft gestoken. De goederen worden vervolgens meegenomen naar de woning van een gezamenlijke vriend. Op 10 december 2008 wordt aldaar door verbalisanten een uit de betreffende auto weggenomen bonnenboekje aangetroffen.

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde goederen heeft weggenomen. Naar het oordeel van het hof kan verdachte op basis van deze feiten en omstandigheden evenmin als medepleger worden aangemerkt. Voor de stelling van de advocaat-generaal dat verdachte tijdens de door zijn vriend gepleegde diefstal op de uitkijk heeft gestaan en dat hij derhalve zodanig nauw en bewust heeft samengewerkt met de pleger van de diefstal dat hij als medepleger dient te worden aangemerkt, biedt noch het procesdossier noch het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep aanknopingspunten.

Het hof zal verdachte op grond van vorenstaande vrijspreken van het hem onder 6 ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij omstreeks de periode van april 2009 tot en met februari 2010, in de gemeente [gemeente] en elders in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

- [slachtoffer 1], en

- [benadeelde 2], en

- [slachtoffer 2], en

- [benadeelde 3], en

- [slachtoffer 3], en

- [slachtoffer 4], en

- [slachtoffer 5],

heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, hebbende verdachte toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- via internet en/of per telefoon en middels de bedrijfsnamen [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 1] io en/of een andere bedrijfsnaam geldleningen aangeboden, en

- zich (daarbij) voorgedaan als een bonafide verstrekker/bemiddelaar en/of bedrijf in verstrekking/bemiddeling van geldleningen en/of

- meegedeeld dat ook leningen kunnen worden verstrekt als de aanvrager een BKR-registratie heeft en

- meegedeeld dat aan een aanvraag voor een geldlening dossierkosten zijn verbonden, en moeten worden voldaan alvorens een aanvraag in behandeling kan worden genomen en/of

- meegedeeld dat geldleningen notarieel worden vastgelegd en dat de daaraan verbonden kosten dienen te worden voldaan voordat een geldlening kan worden verstrekt en/of

- meegedeeld dat voor het verkrijgen van een geldlening een borgsom moet worden gestort en/of

- de aanvrager(s) van geldleningen persoonlijke bescheiden heeft laten verstrekken en/of

- brieven en/of mails verzonden, inhoudende een akkoordverklaring voor een aangevraagde geldlening en/of

- zich bediend van een of meer valse namen, onder andere [alias 1] en/of [alias 2] en/of [alias 3] en/of [alias 4] en/of

- leenovereenkomsten opgesteld en/of verzonden en/of ondertekend en/of laten ondertekenen

waardoor die benadeelde(n) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij in het tijdvak april 2009 t/m februari 2010, in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, meermalen telkens voorwerpen, te weten geldbedragen,

waaronder de hieronder genoemde, op bankrekening [rekeningnummer], gestorte bedragen:

- 250 euro, bijschrijving 25 mei 2009 door [naam], onder vermelding van "aanvraag lening" en

- 550 euro, bijschrijving 4 juni 2009 door [naam], onder vermelding van "notariskosten" en

- 1800 euro, bijschrijving 30 juni 2009 door J[naam], onder vermelding van "contract [nummer]" en

- 456,89 euro, bijschrijving 19 oktober 2009 door [naam], onder vermelding van "voor notaris lening"

en

waaronder de hieronder genoemde, op bankrekening [rekeningnummer], gestorte bedragen:

- 500 euro, bijschrijving 16 oktober 2009 door [naam], onder vermelding van "ter bevestiging voor de notaris" en

- 250 euro, bijschrijving 18 december 2009 door [slachtoffer 5] en

- 687,50 euro, bijschrijving 28 december 2009 door [naam], onder vermelding van "Spoedbetaling, ons kenmerk [nummer]" en

- 637,50 euro, bijschrijving 8 februari 2010 door [naam], onder vermelding van [nummer]"

en

waaronder de hieronder genoemde, op bankrekening [rekeningnummer], gestorte bedragen:

- 125 euro, bijschrijving 20 april 2009 door [naam], onder vermelding van "afspraak met de heer [alias 3]. Help ons aub met lening" en

- 250 euro, bijschrijving 29 april 2009 door [naam], onder vermelding van "dossierkosten [naam]" en

- 250 euro, bijschrijving 13 mei 2009 door [naam], onder vermelding van "dossierkosten" en

- 250 euro, bijschrijving 14 mei 2009 door [naam], onder vermelding van "dossierkosten volgens afspraak kosten voor lening"

verworven, voorhanden gehad en omgezet,

terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

3.

hij omstreeks het tijdvak van april 2009 t/m februari 2010, in Nederland, opzettelijk, zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning, krediet heeft aangeboden, onder andere aan:

- [slachtoffer 1] te [woonplaats] en

- [benadeelde 2] te [woonplaats] en

- [slachtoffer 2] te [woonplaats] en

- [benadeelde 3] te [woonplaats] en

- [slachtoffer 3] te [woonplaats] en

- [slachtoffer 4] te [woonplaats] en

- [slachtoffer 5] te [woonplaats];

4.

hij in het tijdvak van januari t/m maart 2010 te [plaats] opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [benadeelde 4] en [benadeelde 5], hoofdagenten van de [benadeelde 1], in het openbaar bij afbeelding heeft beledigd door toen aldaar een foto op Hyves te plaatsen en geplaatst te houden, afbeeldende een hakenkruis, met daarbij foto's en de namen van genoemde [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en de teksten "Joden van Knoal" en "Vooral deze" (dit laatste, met een pijl naar [benadeelde 5]);

5.

hij op 16 januari 2010 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon, te weten

[slachtoffer 6],

- een in werking zijnde stroomstootwapen op de borst heeft gedrukt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

Onder 1: Oplichting, meermalen gepleegd;

in eendaadse samenloop met een gedeelte van feit 2, namelijk voor zover het gewoontewitwassen betrekking heeft op het verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen

Onder 2: Van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

Onder 3: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2:60, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

Onder 4: Eenvoudige belediging, meermalen gepleegd;

Onder 5: Mishandeling.

Strafbaarheid

Door en namens verdachte is ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat verdachte het onder 5 bewezen verklaarde feit heeft begaan uit zelfverdediging. De advocaat-generaal heeft aangegeven dit standpunt te delen. Verdachte heeft zijn verklaring ter terechtzitting van het hof nader toegelicht.

Gezien die verklaring, alsmede de inhoud van het procesdossier, is aannemelijk geworden dat verdachte het feit heeft begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer [slachtoffer 6].

Het beroep op noodweer slaagt. Het hof zal de verdachte ter zake van het hem onder 5 ten laste gelegde ontslaan van alle rechtsvervolging.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op vorenomschreven wijze schuldig gemaakt aan oplichting van een zevental personen. Verdachte heeft voorts een gewoonte gemaakt van het plegen van witwassen door het verwerven, voorhanden hebben en omzetten van geldbedragen afkomstig uit deze oplichtingspraktijken. Verdachte heeft daarnaast door het aanbieden van kredieten zonder daartoe verleende vergunning tevens de Wet op het financieel toezicht opzettelijk overtreden.

Het hof neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij op geraffineerde wijze misbruik heeft gemaakt van de slechte financiële positie waarin de personen die hem hebben benaderd voor het verstrekken van een geldlening op dat moment veelal reeds verkeerden. Ondanks eerdere waarschuwingen van de Autoriteit Financiële Markten heeft verdachte nieuwe bedrijven opgericht en heeft hij er alles aan gedaan om op een professioneel ogende manier - zonder zich ook maar een moment om de gevolgen voor anderen te bekommeren - persoonlijk financieel gewin te verkrijgen.

Verdachte heeft daarnaast de politieambtenaren [benadeelde 4] en [benadeelde 5] beledigd door een foto waarop deze personen samen met een hakenkruis en - onder meer - de tekst "Joden van het Knoal" waren afgebeeld op zijn Hyves-pagina te plaatsen en geplaatst te houden. Verdachte heeft deze personen aldus in hun eer en goede naam aangetast.

Het hof heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 10 april 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

Voorts is uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof gebleken dat verdachte zich aan vier andere strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, welke feiten ad informandum zijn gevoegd op de inleidende dagvaarding. Deze ad informandum gevoegde feiten zijn door verdachte erkend als door hem te zijn begaan en worden meegewogen bij de op te leggen straf. Hiermee zijn deze feiten afgedaan.

De door de advocaat-generaal gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van de onder 1 tot en met 3 bewezen verklaarde feiten, zoals hiervoor is uiteengezet. Alles afwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Gelet op het feit dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangegeven op geen enkele wijze mee te willen werken aan een vorm van behandeling, zal het hof - anders dan de rechtbank - de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf achterwege laten.

Benadeelde partijen

[benadeelde 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij,

[benadeelde 2], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens materiële schade als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 2.700,-.

De vordering is van de zijde van verdachte niet weersproken. Nu de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, kan deze worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

[benadeelde 3]

Uit het onderzoek ter hof terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij, [benadeelde 3], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens immateriële en materiële schade als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte. De materiële schade wordt door de benadeelde partij begroot op € 1.525,68, welk bedrag bestaat uit de door de benadeelde partij aan verdachte overgemaakte kosten voor de nimmer verstrekte lening, kosten voor het gebruik van een auto en telefoonkosten. De immateriële schade wordt door de benadeelde partij begroot op

€ 10.000,-.

De vordering is van de zijde van verdachte niet weersproken.

Het hof is van oordeel dat een deel van de gestelde materiële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het onder 1 bewezen verklaarde feit, dat deze aan verdachte als gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Dit deel betreft het bedrag van € 1.375,68, voor de aan verdachte overgemaakte kosten ten behoeve van de lening en de telefoonkosten.

Het hof bepaalt dat het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Het hof acht voornoemde bedragen gegrond en voor toewijzing vatbaar in voege als na te melden.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Het hof zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

[benadeelde 4] en [benadeelde 5]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partijen,

[benadeelde 4] en [benadeelde 5], beide domicilie kiezende te [benadeelde 1], zich in het geding in eerste aanleg hebben gevoegd en dat hun vorderingen in eerste aanleg geheel zijn toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van hun gehele vorderingen tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Beide benadeelde partijen hebben schadevergoeding gevorderd wegens immateriële schade als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schade wordt door beide benadeelde partijen afzonderlijk gewaardeerd op € 75,-.

De vorderingen zijn van de zijde van verdachte niet weersproken. Nu de vorderingen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, kunnen deze worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

[benadeelde 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij, [benadeelde 1], gevestigd te [vestigingsplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Deze benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens materiële schade als gevolg van het onder 6 ten laste gelegde handelen van verdachte. Deze schade wordt door de benadeelde partij gewaardeerd op € 1.161,44.

Nu aan de verdachte ter zake van het hem onder 6 ten laste gelegde geen straf of maatregel wordt opgelegd, terwijl evenmin ten aanzien van dit feit artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 55, 57, 266, 326, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2:60 van de Wet op het financieel toezicht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van een deel van het onder 1 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis, waarvan beroep - en voor zover voor hoger beroep van belang - en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 6 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart deze feiten strafbaar en verklaart verdachte ter zake van de feiten 1, 2, 3 primair en 4 strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart verdachte ter zake van feit 5 niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging,

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van tweeduizend zevenhonderd euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van tweeduizend zevenhonderd euro ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde 2], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zevenendertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 3], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van duizend driehonderdvijfenzeventig euro en achtenzestig cent;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van duizend driehonderdvijfenzeventig euro en achtenzestig cent ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van drieëntwintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 4], domicilie kiezende te [plaats 2], tot een bedrag van vijfenzeventig euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vijfenzeventig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4], domicilie kiezende te [plaats 2];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van één dag zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 5], domicilie kiezende te [plaats 2], tot een bedrag van vijfenzeventig euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vijfenzeventig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 5], domicilie kiezende te [plaats 2];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van één dag zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 1], gevestigd te [vestigingsplaats], niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier.