Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ2887

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
BK 08/00081 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2008:BC7363, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen zijn in hoger beroep nog de antwoorden op de volgende vragen in geschil:

1. Behoort de windturbine en de ondergrond daarvan op grond van het vertrouwensbeginsel tot het inkomen uit sparen en beleggen?

2. Mag belanghebbende de windturbine en de ondergrond daarvan tot het vermogen van de bestaande onderneming rekenen, of vormen deze een afzonderlijke onderneming?

3. Mag de door belanghebbende gerealiseerde winst bij de vervreemding of de onttrekking aan het ondernemingsvermogen van de ondergrond van de windturbine gedoteerd worden aan de herinvesteringsreserve, artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: wet IB 2001) dan wel mag daarop de ruilarresten toegepast worden?

3.2 Belanghebbende is van mening dat op grond van het vertrouwensbeginsel de windturbine tot het inkomen uit sparen en beleggen gerekend mag worden en de herinvesteringsreserve van toepassing is op de gerealiseerde winst. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat de windturbine tot de bestaande onderneming gerekend mag worden, waarbij op gerealiseerde winsten de herinvesteringsreserve of de ruilarresten van toepassing zijn.

3.3 De Inspecteur stelt zich op het standpunt, dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt en de exploitatie van de windturbine een zelfstandige onderneming vormt. Enkel de bij de vervreemding verkregen tegenprestatie mag gedoteerd worden aan de herinvesteringsreserve en toepassing van de ruilarresten komt niet aan de orde

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt verder aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar onder dienovereenkomstige vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning.

3.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 1466 met annotatie van Roerdink
FutD 2011-1044
Belastingadvies 2011/11.3
V-N 2011/35.10 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Sector belastingrecht

nummer 08/00081

uitspraakdatum: 22 februari 2011

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 12 maart 2008, nummer AWB 07/668, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Heerenveen (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.851 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 2.574.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 12 maart 2008 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2011 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord A, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede B, namens de Inspecteur, bijgestaan door C.

1.7 Belanghebbende heeft een pleitnota met bijlage overgelegd.

1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

Voor de feiten verwijst het Hof naar hetgeen onder 2.1 tot en met 2.9 staat vermeld in de uitspraak van de Rechtbank. Daarover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het Hof daarvan zal uitgaan. In die uitspraak zijn de feiten als volgt weergegeven (waarbij het Hof “eiser” heeft vervangen door “belanghebbende” en “verweerder” door “de Inspecteur”).

“2.1 Belanghebbende is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met D. Tezamen met zijn echtgenote en zijn zoon E drijft hij in de vorm van een vennootschap onder firma een melkveehouderij en een pluimveehouderij. De onroerende zaken die ten aanzien van de uitoefening van deze onderneming worden gebruikt, behoren tot het buitenvennootschappelijk[e] ondernemingsvermogen van belanghebbende en zijn echtgenote.

2.2 Belanghebbende en zijn twee medevennoten hebben op 12 augustus 2002 een “overeenkomst gezamenlijke exploitatie windturbine” gesloten. De gezamenlijke exploitatie is reeds per 1 januari 2001 gestart. In het jaar 2002 (…) is een nieuwe windturbine aangekocht voor een bedrag van € 681.535,--. Ter zake hiervan hebben de exploitanten een subsidie ontvangen ten bedrage van € 102.345,--. Voor de aanschaf van de windturbine is een financiering afgesloten van € 540.720,--. De resultaten uit de exploitatie van de windturbine worden aan iedere vennoot voor éénderde deel toegerekend.

2.3 De windturbine is gelegen op het perceel kadastraal bekend gemeente L, sectie D, nummer 85, behorende tot het buitenvennootschappelijk ondernemingvermogen van belanghebbende en zijn echtgenote (ieder voor de helft). Bij notariële akte van 5 juli 2002 hebben belanghebbende en zijn echtgenote éénderde onverdeeld aandeel in ongeveer één are van dit perceel, zijnde de ondergrond van de nieuwe windturbine, geleverd aan hun zoon tegen een koopprijs van € 378,--.

2.4 De ondergrond van de windturbine is namens de Inspecteur door F en namens belanghebbende door G minnelijk getaxeerd naar de peildatum 1 januari 2001. Deze taxateurs hebben de waarde in het economische verkeer van de ondergrond getaxeerd op een bedrag van € 105.000,-- en de waarde in het economische verkeer bij agrarisch gebruik op een bedrag van € 10.000,--.

2.5 Belanghebbende heeft op 7 december 2001 een "contract voor de koop/verkoop van Groencertificaten en duurzame energie" gesloten met H B.V. (H). Op grond van deze overeenkomst wordt (…) met de windturbine geproduceerde elektriciteit verkocht en geleverd aan H tegen afgesproken voorwaarden en een in die overeenkomst vastgelegde vergoeding (prijs per kWh). De looptijd van de overeenkomst eindigt op 31 december 2012, waarna de overeenkomst telkens stilzwijgend wordt verlengd met een periode van één jaar. Krachtens artikel 6 van dit contract is belanghebbende verplicht, als garantie voor een zo maximaal mogelijke elektriciteitsproductie van de installatie, een machinebreukverzekering en een onderhoudscontract af te sluiten voor de installatie. In het onderhoudscontract dient vermeld te zijn de maximale reactietijd tussen een melding van een storing en de aanvang van de reparatie ter plekke.

2.6 Volgens een op 6 december 2001 tussen belanghebbende en de twee mede-exploitanten van de windturbine met I bv (I) gesloten onderhoudscontract verricht I na iedere periode van zes maanden een reguliere onderhoudsbeurt. I verricht eveneens het storingsonderhoud. De exploitanten dienen enige storing in of aan de windturbine binnen vierentwintig uur aan I te melden. Alle kosten voor het storingsonderhoud komen in beginsel voor rekening van I.

2.7 Via moderne communicatietechnieken worden onder meer meterstanden en defecten inzake de windturbine automatisch aan de desbetreffende instanties doorgegeven. Belanghebbende houdt fysiek toezicht op de windturbine en onderhoudt de zaken rondom de turbine. Verder heeft hij werkzaamheden verricht met betrekking tot het aanvragen van de benodigde vergunningen.

2.8 Belanghebbende en zijn echtgenote hebben hun onverdeeld aandeel in de ondergrond van de windturbine, net vóór de overdracht van éénderde gedeelte hiervan aan hun zoon, onttrokken aan hun buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen en vervolgens aangemerkt als bestanddeel van de rendementsgrondslag ter bepaling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Tevens hebben zij de waarde van windturbine beschouwd als een bestanddeel van de rendementsgrondslag, evenals de waarde van de hieraan verbonden lening.

2.9 De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2002 zich op het standpunt gesteld dat de exploitatie van de windturbine moet worden beschouwd als het drijven van een afzonderlijke onderneming. Hiervan uitgaande heeft hij het door belanghebbende behaalde exploitatieresultaat van € 2.556,-- in aanmerking genomen als winst uit onderneming evenals de door belanghebbende bij de onttrekking van zijn onverdeeld aandeel in de ondergrond van de windturbine behaalde boekwinst van € 47.500, .”

In aanvulling op voornoemde feiten stelt het Hof nog de volgende feiten vast.

2.10 De windturbine heeft een totale productie van ongeveer 2.050.000 kWh per jaar, waarvan ongeveer 10.000 kWh wordt gebruikt door de windturbine zelf. Ongeveer 40.000 kWh van de door de windturbine opgewekte stroom heeft belanghebbende gebruikt binnen de melkvee- en een pluimveehouderij en de woning van hem en zijn echtgenote. De resterende stroom heeft belanghebbende geleverd aan H. Belanghebbende heeft in het jaar 2002 geen energie van derden afgenomen. Tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende heeft tot en met 2010 een transformator behoord, die de stroom van de windturbine heeft omgezet naar stroom die binnen de onderneming en de woning gebruikt kan worden.

2.11 De windturbine is geplaatst op het erf tussen de pluimveestallen en de melk- en jongvee-stallen en naast de werktuigenberging. Aan de rand van dit erf bevindt zich de woning van belanghebbende.

2.12 In artikel 10.09 van de onder 2.2. genoemde overeenkomst gezamenlijke exploitatie windturbine is bepaald dat de samenwerkingsovereenkomst eindigt wanneer de zoon de veehouderij en de pluimveehouderij niet voortzet. Artikel 12.01 van de overeenkomst bepaalt vervolgens, dat de ouders dan het voortzettingsrecht hebben. In hetzelfde artikel heeft de zoon zich verplicht de exploitatie van de windturbine voort te zetten, indien hij de vee- en pluimveehouderij (zonder zijn ouders) voortzet.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen zijn in hoger beroep nog de antwoorden op de volgende vragen in geschil:

1. Behoort de windturbine en de ondergrond daarvan op grond van het vertrouwensbeginsel tot het inkomen uit sparen en beleggen?

2. Mag belanghebbende de windturbine en de ondergrond daarvan tot het vermogen van de bestaande onderneming rekenen, of vormen deze een afzonderlijke onderneming?

3. Mag de door belanghebbende gerealiseerde winst bij de vervreemding of de onttrekking aan het ondernemingsvermogen van de ondergrond van de windturbine gedoteerd worden aan de herinvesteringsreserve, artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: wet IB 2001) dan wel mag daarop de ruilarresten toegepast worden?

3.2 Belanghebbende is van mening dat op grond van het vertrouwensbeginsel de windturbine tot het inkomen uit sparen en beleggen gerekend mag worden en de herinvesteringsreserve van toepassing is op de gerealiseerde winst. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat de windturbine tot de bestaande onderneming gerekend mag worden, waarbij op gerealiseerde winsten de herinvesteringsreserve of de ruilarresten van toepassing zijn.

3.3 De Inspecteur stelt zich op het standpunt, dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt en de exploitatie van de windturbine een zelfstandige onderneming vormt. Enkel de bij de vervreemding verkregen tegenprestatie mag gedoteerd worden aan de herinvesteringsreserve en toepassing van de ruilarresten komt niet aan de orde

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt verder aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar onder dienovereenkomstige vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning.

3.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Vertrouwensbeginsel

4.1 Belanghebbende heeft in zijn aangifte de windturbine en de ondergrond daarvan tot het inkomen uit sparen en beleggen gerekend. In het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2010, nr. 08/04843, LJN BJ7956, BNB 2010/244 heeft de Hoge Raad geoordeeld, dat – kort gezegd – de exploitatie van een windturbine, waarbij de opgewekte stroom aan een energieleverancier wordt geleverd, is aan te merken als het drijven van een onderneming. In hoger beroep doet belanghebbende zijn toerekening aan het inkomen uit sparen en beleggen, onder verwijzing naar genoemd arrest, nog enkel steunen op een beroep op het vertrouwensbeginsel welk vertrouwen door de staatssecretaris van Financiën zou zijn gewekt in de beantwoording van Kamervragen en in het Besluit van 28 januari 2003, CPP2002/3807M, BNB 2003/133, inzake de belastbaarheid van beleggingen in teak- en andere houtproducten.

4.2 De Staatssecretaris heeft het volgende geantwoord op de Kamervraag of de Belastingdienst in het landelijke overleg de stelling heeft ingenomen dat de exploitatie van een windturbine in beginsel niet kwalificeert als winst uit onderneming voor de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964), (Persbericht Ministerie van Financiën 7 november 1996, nr. 96/177, V-N 1996/4471):

“In het bedoelde landelijke overleg zijn geen standpunten ingenomen. De uitvoerend portefeuillehouder heeft in het bedoelde overleg slechts de fiscale behandeling van windmolens (voor wat betreft het winst-aspect) geïnventariseerd. Daarbij is gebleken dat het antwoord op de vraag of de exploitatie van een windmolen fiscaal als onderneming kan worden aangemerkt sterk afhankelijk is van feiten en omstandigheden. (…) Liggen de feiten zo dat een particulier louter uit beleggingsoverwegingen geld aanwendt voor een windmolen dan zal er doorgaans geen sprake zijn van een onderneming in fiscale zin. In andere situaties is het mogelijk dat een windmolen deel uitmaakt van het ondernemingsvermogen. Daarvan is in ieder geval sprake indien de exploitatie van de windmolen door middel van een BV geschiedt.”

4.3 Naar het oordeel van het Hof kan belanghebbende aan dit antwoord op de Kamervraag niet het vertrouwen ontlenen dat de Inspecteur de exploitatie van de windturbine in zijn geval niet als een onderneming in fiscale zin zal aanmerken. Belanghebbende, op wie ter zake de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt louter uit beleggingsoverwegingen de windturbine te hebben aangeschaft en geëxploiteerd. Belanghebbende heeft de windturbine mede als ondernemer geplaatst; dit volgt uit het feit dat hij de stroom van de windturbine deels in zijn onderneming heeft gebruikt, de windturbine heeft geplaatst op het bedrijfsterrein en in de samenwerkingsovereenkomst de exploitatie van de windturbine heeft gekoppeld aan de uitoefening van de melkvee- en pluimveehouderij.

4.4 Aan het Besluit van 28 januari 2003, CPP2002/3807M, kan belanghebbende naar het oordeel van het Hof evenmin vertrouwen ontlenen. Het verstrekken van een geldsom aan een aanbieder van een (teak)houtbelegging in ruil voor een reeks van diensten en toezeggingen van toekomstige kapopbrengsten en (tijdelijke) eigendomsrechten is dermate afwijkend van de aankoop en het laten plaatsen van de windturbine zoals belanghebbende heeft gedaan, dat belanghebbende er in redelijkheid niet op heeft kunnen vertrouwen dat hij op dezelfde wijze zou worden behandeld als toegezegd in het Besluit van 28 januari 2003.

Ondernemingsvermogen

4.5 Belanghebbende stelt zich subsidiair op het standpunt dat, als de exploitatie van een windturbine als winst uit onderneming moet worden aangemerkt, hij de windturbine en de ondergrond daarvan tot het vermogen van zijn agrarische onderneming rekent, zodat de ondergrond van de windturbine niet aan het ondernemingsvermogen onttrokken is. De Inspecteur meent dat de exploitatie van de windturbine een afzonderlijke onderneming vormt.

4.6 Belanghebbende heeft de ondergrond onttrokken aan het ondernemingsvermogen in de vooronderstelling, dat de ondergrond tot het inkomen uit sparen en beleggen zou worden gerekend. Na het onder 4.1 genoemde arrest van 23 april 2010 en de afwijzing van het beroep op het vertrouwensbeginsel door het Hof, staat tussen partijen vast dat de ondergrond ondernemingsvermogen vormt. Nu de aanslag voor het jaar van onttrekking nog niet vast staat en gesteld noch gebleken is, dat op aanslagen van volgende jaren onherroepelijk is beslist, kan belanghebbende op zijn keus om de ondergrond aan zijn ondernemingsvermogen te onttrekken nog terugkomen. Belanghebbende heeft aangegeven de ondergrond toe te willen rekenen aan zijn bestaande ondernemingsvermogen en de exploitatieresultaten van de windturbine in de bestaande boekhouding van de onderneming te willen verwerken.

4.7 De windturbine is geplaatst op tot het buitenvennootschappelijke ondernemingsvermogen van belanghebbende en zijn echtgenote behorende grond, die gelegen is tussen de pluimveestallen en de melk- en jongveestallen en naast de werktuigenberging waarin, naar belanghebbende naar het oordeel van het Hof geloofwaardig heeft verklaard, zowel werktuigen ten behoeve van het pluimvee als het melk- en jongvee zijn geplaatst De windturbine is tot en met 2010 gekoppeld geweest aan een tot het ondernemingsvermogen behorende transformator, via welke alle stroom werd geleverd voor de ondernemingsactiviteiten en de woning van belanghebbende. De exploitatieresultaten van de windturbine worden in de reeds bestaande boekhouding verwerkt. In de samenwerkingsovereenkomst tussen belanghebbende, zijn echtgenote en zijn zoon, wordt de exploitatie van de windturbine gekoppeld aan degene die de onderneming uitoefent. Mede gelet op voornoemde omstandigheden heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof met zijn keuze de windturbine alsnog tot het ondernemingsvermogen van zijn agrarische onderneming te rekenen, de grenzen der redelijkheid niet overschreden. Dat voor de ondernemingsactiviteiten en de woning ongeveer 2% van de totale door de windturbine opgewekte stroom wordt gebruikt, doet hier dan niet aan af. De stelling van de Inspecteur dat de pluimveehouderij en de melk- en jongveehouderij twee van elkaar te onderscheiden ondernemingen betreffen maakt dit oordeel van het Hof evenmin anders, aangezien het belanghebbende vrijstaat de exploitatie van de windturbine tot het vermogen van één van deze ondernemingen te rekenen.

4.8 Belanghebbende stelt daarom terecht dat hij het niet door hem vervreemde deel van de ondergrond van de windturbine niet aan zijn buitenvennootschappelijke vermogen heeft onttrokken. De Inspecteur heeft dan ten onrechte een onttrekking in aanmerking genomen. Op grond van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 28 januari 2011, BLKB2011/25, Staatscourant 2011, nr. 2238 zou de onttrekking evenmin tot een afrekenmoment hebben geleid.

Herinvesteringsreserve

4.9 Belanghebbende heeft een derde van de tot het ondernemingsvermogen behorende ondergrond van de windturbine verkocht aan zijn zoon. Tussen partijen is niet in geschil, dat de waarde in het economische verkeer van de ondergrond € 105.000, de WEVAB € 10.000 en de bij de vervreemding verkregen tegenprestatie € 378 bedraagt. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de niet onder de landbouwvrijstelling vallende winst die belanghebbende bij de vervreemding van de ondergrond aan zijn zoon behaalde € 15.833 bedraagt (= (€ 105.000 - € 10.000)/2 * 1/3). Het Hof zal partijen hierin volgen. Belanghebbende wenst deze winst te doteren aan de herinvesteringsreserve.

4.10 Ingevolge artikel 3.54 van de Wet IB 2001 kan, indien bij de vervreemding van een bedrijfsmiddel de opbrengst de boekwaarde van het bedrijfsmiddel overtreft, bij het bepalen van de in het kalenderjaar genoten winst het verschil gereserveerd worden en blijven tot vermindering van de in aanmerking te nemen aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die in het jaar van vervreemding of in de daarop volgende drie jaren worden aangeschaft of voortgebracht, indien en zolang het voornemen tot herinvestering van de opbrengst bestaat.

4.11 De Inspecteur stelt dat belanghebbende geen recht heeft op de herinvesteringsreserve, omdat de opbrengst, die volgens de Inspecteur niet hoger is dan € 378, de boekwaarde dan wel de vrijgestelde waarde van de ondergrond niet overtreft. Belanghebbende brengt hier tegen in, dat de jurisprudentie zoals die gold voor de vervangingsreserve (artikel 14 van de Wet IB 1964), niet geldt voor de herinvesteringsreserve, omdat bij de herinvesteringsreserve niet langer de eis wordt gesteld dat het vervreemde bedrijfsmiddel dient te worden vervangen door een bedrijfsmiddel met dezelfde economische functie (hierna: de vervangingseis).

4.12 In de Memorie van Toelichting bij de Wet ondernemerspakket 2001 is over de verhouding tussen de herinvesteringsreserve en de vervangingsreserve en het doel van de herinvesteringsreserve opgemerkt (MvT, Kamerstukken II 1999/2000, 27?209, nr. 3, blz. 6):

“De huidige vervangingsreserve in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting beoogt de belastingheffing over de gerealiseerde boekwinsten bij verkoop van bedrijfsmiddelen, uit te stellen door de fiscale claim door te schuiven naar nieuwe bedrijfsmiddelen. Daarbij is een belangrijke beperking van de vervangingsreserve dat deze reserve alleen gebruikt kan worden voor nieuwe bedrijfsmiddelen met dezelfde economische functie. Voorgesteld wordt om (…) de eis van dezelfde functie te laten vervallen. Door het laten vervallen van deze eis kan de ondernemer beter reageren op gewijzigde marktomstandigheden".

4.13 In het arrest van 6 juni 2008, nr. 43 534, LJN BA6418, BNB 2008/223 oordeelt de Hoge Raad dat uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 14 Wet IB 1964 moet worden afgeleid dat de wetgever met de vervangingsreserve heeft bedoeld een faciliteit te bieden bestaande in de mogelijkheid tot verschuiving van winst van het ene naar het andere jaar teneinde een liquiditeits- en een rentenadeel voor de ondernemer te voorkomen indien deze een verloren gegaan of vervreemd bedrijfsmiddel wenst te vervangen. Onder het in artikel 14 Wet IB 1964 gebezigde begrip "opbrengst" moet daarom worden verstaan: de bij de vervreemding van een bedrijfsmiddel verkregen tegenprestatie verminderd met de rechtstreeks aan die vervreemding toerekenbare kosten.

4.14 Het Hof overweegt het volgende. Bij de invoering van de herinvesteringsreserve heeft de wetgever voortgebouwd op de vervangingsreserve, waarbij met name de vervangingseis is beperkt. In zowel artikel 3.54 Wet IB 2001 als in artikel 14 Wet IB 1964 wordt het begrip "opbrengst" gebezigd. In de wetshistorie vindt het Hof geen aanleiding voor de veronderstelling, dat dit begrip voor de herinvesteringsreserve anders geïnterpreteerd moet worden dan voor de vervangingsreserve. De ontstaansgeschiedenis van artikel 14 Wet IB 1964 zal het Hof daarom gebruiken voor de duiding van het begrip "opbrengst". Zoals uit het hiervoor - onder 4.13 -genoemde arrest van 6 juni 2008 volgt, hetgeen in de lijn ligt van het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 1970, nr. 16 322, BNB 1970/93, dient onder het begrip "opbrengst" de verkregen tegenprestatie te worden verstaan. Nu de tegenprestatie voor de ondergrond van de windturbine van de zoon slechts € 378 heeft bedragen, overstijgt deze opbrengst niet de boekwaarde dan wel de vrijgestelde waarde van de ondergrond.

4.15 De herinvesteringsreserve is daarom niet van toepassing op de winst die belanghebbende heeft behaald bij de vervreemding van de ondergrond van de windturbine. Deze winst kan evenmin met een beroep op de ruilarresten tot de jaarwinst gerekend worden, omdat ten tijde van de vervreemding van het recht geen concreet plan aanwezig was op grond waarvan welke de belanghebbende in directe samenhang met de vervreemding een ander recht zou verwerven die zowel functioneel als economisch dezelfde plaats zou innemen als het vervreemde recht (Hoge Raad, 12 februari 1986, nr. 22.922, BNB 1986/200).

Berekening belastbaar inkomen uit werk en woning

4.16 Tussen partijen zijn de berekeningen van de belastbare inkomens niet in geschil. Belanghebbende heeft in bijlage 7 bij zijn hogerberoepschrift het belastbare inkomen uit werk en woning berekend op € 27.316 en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op € 1.765, indien geen winst terzake van de windturbine in aanmerking genomen zou worden. Nu het Hof van oordeel is dat de herinvesteringsreserve niet toegepast kan worden op het voordeel groot € 15.833, dient het door belanghebbende berekende belastbare inkomen uit werk en woning, uitgaande van een giftenaftrek van € 140, als volgt te worden aangepast:

Berekend belastbaar inkomen uit werk en woning € 27.316

Bij: winst vervreemding deel windturbine € 15.833

hogere drempel giftenaftrek (1% van € 15.833, maximaal € 140) - 140

toegepaste zelfstandigenaftrek € 4.906

toegestane zelfstandigenaftrek - 3.576 -

- 1.330 +

- 17.303 +

belastbaar inkomen uit werk en woning € 44.619

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5. Kosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 1 punt (bezwaarschrift) ? € 161 ? wegingsfactor 1 = € 161 voor de bezwaarschriftprocedure, op 2 punten (beroepschrift en zitting) ? € 322 ? wegingsfactor 1 = € 644 voor de procedure bij de Rechtbank en op 2 punten (beroepschrift en zitting) ? € 322 ? wegingsfactor 1 = € 644 voor de procedure bij het Hof, derhalve in totaal € 1.449.

6. Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– vermindert de aanslag IB/PVV tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.619 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.765,

– vermindert de in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.449 en

– gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 39 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 107 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 22 februari 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.