Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ2886

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
28-04-2011
Zaaknummer
BK 10/00068 Parkeerbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht de onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2011/657
V-N 2011/27.19.9
FutD 2011-1054
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Kenmerk: 10/00068

Uitspraakdatum: 18 januari 2011

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 08/2870 van de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) van 8 maart 2010, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oldambt

(voorheen de gemeente Winschoten),

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is op 10 mei 2008 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd (belasting € 0,30 en kosten € 49) ter zake van het parkeren van zijn auto aan de a-straat te L.

1.2 De heffingsambtenaar heeft het tegen de naheffingsaanslag ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 8 maart 2010, verzonden op 9 maart 2010, het beroep ongegrond verklaard.

1.4 Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift is op 20 april 2010 bij het Hof ingekomen. De heffingsambtenaar heeft op 8 juni 2010 een verweerschrift ingediend.

1.5 Ter zitting van 18 november 2010 heeft het Hof het hoger beroep behandeld. Ter zitting zijn verschenen belanghebbende en namens de heffingsambtenaar A. Van hetgeen ter zitting is verhandeld is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.6 Van alle genoemde en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

2.1 Belanghebbende is houder van een auto van het merk Peugeot, type 205 cabriolet, kenteken 00-XX-YY. Belanghebbende heeft voormelde auto op 10 mei 2008 op of omstreeks 11.55 uur geparkeerd aan de a-straat te L. Ter plaatste geldt een betaald parkeerbeleid.

2.2 In de auto was geen parkeerkaartje aanwezig en een parkeercontroleur van (toen nog) de gemeente Winschoten heeft aan belanghebbende op voormelde datum ter zake van het parkeren een naheffingsaanslag opgelegd.

3. Geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht de onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend.

3.2 Belanghebbende stelt dat hij ter zake van het parkeren, als onder de feiten omschreven, een parkeerkaartje heeft gekocht. De omstandigheid dat hij de kap van van zijn auto had geopend brengt mee dat hij dit kaartje niet in de auto kon achterlaten. Hij stelt het kaartje daarom in zijn portemonnee te hebben gedaan. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de naheffingsaanslag.

3.3 De heffingambtenaar houdt vast aan zijn standpunt dat de naheffingaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken en in het proces-verbaal van de zitting.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1 De onderhavige naheffingsaanslag is gebaseerd op de “Verordening parkeerbelastingen 2006” (hierna: de Verordening) vastgesteld op 21 december 2005 door de Raad van de gemeente Winschoten, laatstelijk gewijzigd bij Raadsbesluit van 14 november 2007. De bijbehorende Tarieventabel 2006 is vastgesteld bij Raadsbesluit van 21 december 2005.

4.2. Op grond van artikel 2, aanhef en onder a van deze Verordening wordt onder de naam “parkeerbelasting” een belasting geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens de Verordening in de daarin aangewezen gevallen door college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats tijdstip en wijze. Tussen partijen is niet in geschil dat in de a-straat te L betaald parkeren geldt.

4.3. Verweerder, op wie ter zake de bewijslast rust, heeft gesteld dat de naheffingsaanslag in de parkeerbelasting terecht is opgelegd omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de belasting is betaald nu er geen parkeerkaartje in de auto lag en belanghebbende dat kaartje ook niet heeft kunnen tonen. Naar het oordeel van het Hof ligt het, onder deze omstandigheden op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat hij voor het parkeren betaald heeft. Belanghebbende heeft gesteld betaald te hebben, maar het kaartje niet te hebben willen achterlaten in de auto en het kaartje (inmiddels) kwijt te zijn. Belanghebbendes enkele stelling betaald te hebben, acht het Hof onvoldoende om aannemelijk te achten dat de parkeerbelasting is voldaan. Het Hof oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4.4. De omstandigheid dat de auto van belanghebbende een cabriolet is maakt dit oordeel niet anders. De gevolgen van de door belanghebbende gemaakte keuze om het parkeerkaartje niet in de auto achter te laten komen immers, gelijk de rechtbank heeft geoordeeld, voor zijn risico. De stelling van belanghebbende dat een open cabriolet niet geschikt is om een kaartje in achter te laten doet aan dit oordeel evenmin af, aangezien belanghebbende verantwoordelijk is voor het al dan niet sluiten van de kap van de auto. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende in de loop van de procedure bij de rechtbank nog in de gelegenheid gesteld het parkeerkaartje te tonen, maar belanghebbende heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Ter zitting in hoger beroep deelde belanghebbende mee dat hij het kaartje vermoedelijk heeft weggegooid.

4.5 Belanghebbende heeft aangevoerd dat voor het parkeren van motoren niet betaald behoeft te worden en heeft daarmee, naar het hof begrijpt, een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende heeft in het kader hiervan een bewijsaanbod gedaan, inhoudende het horen van twee politieagenten als getuigen. Deze agenten zouden belanghebbende geïnformeerd hebben dat voor het parkeren van motoren geen parkeerbelasting behoeft te worden voldaan. Het Hof gaat aan dit bewijsaanbod voorbij, nu hetgeen belanghebbende hiermee beoogt te bewijzen redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Indien de voorgestelde getuigen bevestigen hetgeen belanghebbende heeft gesteld, brengt dit niet mee dat het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel slaagt. Naar het oordeel van het Hof, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat auto’s van het type cabriolet en motoren in zodanige mate met elkaar vergelijkbaar zijn dat zij op gelijke wijze dienen te worden behandeld.

4.6 Het vorenoverwogene leidt ertoe dat belanghebbendes hoger beroep ongegrond is. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus vastgesteld op 18 januari 2011 door mr. E. Polak, voorzitter, mr. J. Huiskes en mr. D.B. Bijl, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.