Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ2729

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
200.070.534/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Behoeftigheid onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 12 april 2011

Zaaknummer 200.070.534

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. W.R. Kamminga,

kantoorhoudende te Oosterwolde,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H.J.F. Dullemond,

kantoorhoudende te Zwolle.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 2 juni 2010 heeft de rechtbank Leeuwarden de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 3 december 2009 bepaald op € 134,- per maand.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 21 juli 2010, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 2 juni 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende de man te veroordelen ten titel van haar levensonderhoud bij vooruitbetaling aan haar te voldoen een bedrag van € 1.000,- (het hof begrijpt: per maand) subsidiair een alimentatie te bepalen al dan niet in (verschillende) tijdseenheden, kosten rechtens.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 29 juli 2010, heeft de man het verzoek bestreden.

Tevens heeft de man bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 2 juni 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende alsnog het verzoek van de vrouw tot wijziging van de partneralimentatie af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten zowel in prima als in hoger beroep.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 30 augustus 2010, heeft de vrouw het verzoek in het incidenteel beroep bestreden.

Ter zitting van 25 januari 2011 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. Dullemond, en mr. Kamminga. De vrouw is niet verschenen.

De beoordeling

De feiten

1. Het [in 1974] tussen partijen gesloten huwelijk is [in 2005] ontbonden.

2. Bij beschikking van 12 juli 2006 is het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud afgewezen bij gebrek aan

draagkracht van de man. Het hof heeft deze beslissing op 18 april 2007

bekrachtigd.

3. Op 3 december 2009 heeft de vrouw zich opnieuw tot de rechtbank gewend met

het verzoek te bepalen dat de man € 1.000,- per maand partneralimentatie aan haar

dient te betalen. De man heeft zich hiertegen verweerd.

4. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Tegen deze beslissing zijn het principaal appel van de vrouw en het incidenteel appel van de man gericht.

De geschilpunten

5. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de wijziging van omstandigheden;

- de behoefte van de vrouw;

- de behoeftigheid van de vrouw;

- de kostenveroordeling.

De wijziging van omstandigheden

6. Indien een verzoeker in rechte aanvoert dat zich sedert de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht een wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW heeft voorgedaan die een hernieuwde beoordeling van de draagkracht rechtvaardigt, is de verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek. Ingeval de rechter vervolgens vaststelt dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden dient een afwijzing van het verzoek te volgen.

7. Nu de vrouw aan haar inleidend verzoek ten grondslag heeft gelegd dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden is zij terecht in haar inleidende verzoek ontvankelijk verklaard.

8. Vervolgens is aan de orde de vraag of zich na de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht een wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW heeft voorgedaan.

9. Partijen hebben geen grief gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde draagkracht van de man. Daarmee staat vast dat zijn draagkracht sinds 18 april 2007 is toegenomen. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat zich in dit geval een relevante wijziging van omstandigheden in voormelde zin heeft voorgedaan die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigt.

De behoefte van de vrouw

10. Tussen partijen is in geschil op welk bedrag de behoefte van de vrouw, mede gelet

op de welstand tijdens het huwelijk, dient te worden vastgesteld en in hoeverre de

vrouw middels eigen inkomsten in deze behoefte kan voorzien.

11. Als uitgangspunt geldt dat de behoefte van de gewezen echtgeno(o)t(e) wordt gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhouds¬gerechtigde in redelijkheid past, daarbij (mede) gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk.

12. De vrouw heeft in eerste aanleg betoogd dat de behoefte bepaald diende te worden op € 1.377,- netto per maand. In hoger beroep is aangegeven dat tevens rekening gehouden diende te worden met de welstand van partijen tijdens het huwelijk.

13. Partijen exploiteerden tijdens hun huwelijk in een vennootschap onder firma een elektronicawinkel. Namens de vrouw is gesteld dat de afschrijvingen in dit bedrijf tijdens het huwelijk hoog waren, een korte afschrijvingstermijn hadden en niet gepaard gingen met daadwerkelijke herinvesteringen of reserveringen. Mede daardoor hebben partijen aanzienlijke bedragen aan de v.o.f. kunnen onttrekken ten behoeve van hun levensonderhoud, aldus de vrouw. In 2002 betroffen de privéonttrekkingen volgens haar € 42.286,-, in 2003 € 28.620,- en in 2004

€ 26.597,-.

14. Bij, tussen partijen gewezen, beschikking van 18 april 2007 van dit hof is geoordeeld dat de in de verschillende jaarstukken vermelde afschrijvingen marktconform, althans niet ongebruikelijk zijn en dat de vorming van stille reserves niet aannemelijk is geworden. Voorts heeft het hof bij die beschikking aannemelijk geacht dat de door de man gestelde investeringen ook daadwerkelijk worden gedaan, nu deze verplicht worden gesteld door de [keten], waarvan het bedrijf deel uitmaakt.

15. Gelet op dit eerdere oordeel van het hof en overigens bij gebrek aan een cijfermatige specificatie van de privéonttrekkingen, zal het hof voor de berekening van de behoefte van de vrouw aansluiten bij de door haar overgelegde behoefteberekening. Deze dient echter wel te worden gecorrigeerd, omdat een aantal door de vrouw daarin opgenomen componenten verdisconteerd wordt geacht in de op haar van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het hof acht het niet onredelijk aan de zijde van de vrouw rekening te houden met een pensioenvoorziening van € 100,- netto per maand, aangezien de man daar voor zichzelf ook een voorziening voor heeft getroffen. Een en ander leidt tot de volgende behoefteberekening:

Alimentatievrije voet alleenstaande € 702,- (incl. € 44,- ziektekosten)

Woonlasten € 437,-

Resterende ziektekosten € 65,-

Pensioenvoorziening € 100,-

Netto behoefte € 1.304,- per maand

De behoeftigheid van de vrouw

16. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 1 BW heeft een gewezen echtgenoot recht op een uitkering tot levensonderhoud, indien deze niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.

17. De werkelijke of fictieve (dit is: in redelijkheid te verwerven) inkomsten van de onderhoudsgerechtigde verminderen de behoefte aan een bijdrage van de onderhoudsplichtige. Dit zal leiden tot een nihilstelling of vermindering van de alimentatie op grond van de omstandigheid dat de onderhoudsgerechtigde geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud voorziet of kan voorzien.

18. De vrouw heeft onvoldoende inzage gegeven in haar inkomsten. Uit de wel in het dossier aanwezige financiële gegevens leidt het hof af dat zij een werkloosheids-uitkering heeft (gehad), een kleine arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft en inkomen als Alphahulp genereert. De meest recente stukken met betrekking tot deze inkomstenbronnen zijn echter reeds één jaar oud.

19. Met de man is het hof van oordeel dat de door de vrouw overgelegde brief van

8 september 2008 niet afdoende is om aan te nemen dat zij per 2 oktober 2010 geen werkloosheidsuitkering meer ontvangt. Die stelling van de vrouw wordt daarom gepasseerd. Dit betekent dat zij in ieder geval wordt geacht voor een deel van ongeveer € 400,- netto per maand, zoals daarvan blijkt uit de overgelegde betaalspecificatie WW d.d. 13 januari 2010, in haar behoefte te kunnen voorzien. Daarnaast blijkt uit de stukken dat de vrouw circa € 305,- netto per maand verdient als Alphahulp en dat zij ongeveer € 245,- netto per maand ontvangt uit een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit betekent dat de vrouw een resterende behoefte heeft van (€ 1.304,- minus € 400,- minus € 305,- minus € 245,- =)

€ 354,- netto per maand, welk bedrag nog dient te worden verminderd met het rendement dat de vrouw uit het aan haar bij de boedelscheiding uitgekeerde bedrag kan genereren.

20. Partijen zijn in 2005 gescheiden. De vrouw was toen 51 jaar oud. Tijdens het huwelijk van partijen was de vrouw medevennoot van de elektronicawinkel. Partijen werkten samen in die zaak en genoten daar beiden inkomen uit. Bij gebrek aan informatie valt thans niet in te zien waarom de vrouw, desnoods naast haar arbeidsongeschiktheids- en/of werkloosheidsuitkering, niet meer inkomen uit arbeid zou kunnen genereren dan € 245,- netto per maand als Alphahulp. Zij heeft dat tijdens het huwelijk van partijen immers ook gedaan. Sindsdien zijn al ruim vijf jaren verstreken. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in de tussentijd voldoende beschikbaar is geweest voor de arbeidsmarkt, laat staan dat zij actief bezig is geweest om haar werkzaamheden uit te breiden. Sollicitatie-brieven zijn in het geheel niet overgelegd. Bovendien is onbekend gebleven waar de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van de vrouw uit bestaat en dus ook wat de invloed daarvan is op haar (resterende) verdiencapaciteit.

21. Op grond van het vorenstaande heeft de vrouw de stelling dat zij naast genoemde eigen inkomsten nog behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man, in het licht van het verweer van de man, onvoldoende onderbouwd. Daarom moet zij worden geacht geheel in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. Dit betekent dat haar inleidende verzoek alsnog wordt afgewezen en dat het incidenteel appel daarmee doel treft.

De kostenveroordeling

22. Het hof ziet in het door de man gestelde geen aanleiding af te wijken van het

gebruikelijke uitgangspunt. Derhalve zullen, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, de kosten van het geding in hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Slotsom

23. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

wijst het inleidend verzoek van de vrouw af;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in beide instanties draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, voorzitter,

H.J. de Ruijter en J. Hulsebosch, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 12 april 2011 in het bijzijn van de griffier.