Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ1808

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
200.068.520
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek nietigverklaring akte erkenning minderjarige. Benoeming bijzonder curator. Tegenbewijs tegen de juistheid van de akte van erkenning door middel van een handschriftdeskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 12 april 2011

Zaaknummer 200.068.520

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[de vrouw],

wonende op een geheim adres,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S. van de Voorde, kantoorhoudende te Goes,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

zonder advocaat.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 23 maart 2010 heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het verzoek van de vrouw om de doorhaling te gelasten van de erkenningsakte en de latere vermelding op de geboorteakte van de minderjarige [het kind] (hierna: [het kind]), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank tevens het aanvullend verzoek van de vrouw tot nietig verklaring van de door de man gedane erkenning van [het kind] afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 11 juni 2010, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 23 maart 2010 te vernietigen en opnieuw beslissende de door de man gedane erkenning van [het kind] nietig te verklaren, dan wel de doorhaling te gelasten van de erkenningsakte en de latere vermelding op de geboorteakte van [het kind].

Van de zijde van de man is geen verweerschrift binnengekomen.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 12 november 2010 met bijlagen van mr. Van de Voorde.

Ter zitting van 25 november 2010 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vrouw en haar advocaat. Namens de vrouw is ter zitting een pleitnota overgelegd. De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. Partijen hebben van 2004 tot 2007 een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is [het kind] geboren. De man is de biologische vader van [het kind].

2. In haar inleidend verzoekschrift heeft de vrouw gesteld dat de man, zonder haar toestemming, [het kind] heeft erkend op 29 februari 2008 en daarbij tevens haar achternaam heeft laten wijzigen. Zij heeft de rechtbank verzocht doorhaling te gelasten van de akte van erkenning en de latere vermelding op de geboorteakte van [het kind]. Bij aanvullend verzoekschrift heeft de vrouw verzocht de door de man gedane erkenning nietig te verklaren. De man heeft geen verweer gevoerd en is ook niet ter zitting verschenen.

3. De rechtbank heeft beslist zoals hiervoor vermeld onder 'Het geding in eerste aanleg'. De vrouw heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.

Het standpunt van de vrouw

4. De vrouw heeft in haar verzoekschrift in eerste aanleg aangevoerd dat de man zonder haar toestemming [het kind] heeft erkend en dat bij de erkenning tevens de achternaam van [het kind] is gewijzigd. Zij heeft het vermoeden dat de man zich op 29 februari 2008 tot de gemeente Winschoten heeft gewend in het bijzijn van een andere vrouw, die zich voor haar heeft uitgegeven en daarbij mogelijk een vervalst identiteitsbewijs heeft gebruikt, en dat de desbetreffende ambtenaar van de burgerlijke stand aldaar een akte heeft opgemaakt houdende de erkenning en de naamswijziging van [het kind] (en een latere vermelding hiervan op de geboorteakte van [het kind] heeft toegevoegd). De vrouw heeft aangegeven eerst op de hoogte te zijn gekomen van de erkenning en de naamswijziging, toen zij [het kind] wilde laten inschrijven in de gemeente Borsele. Zij heeft daarop de gemeente Winschoten schriftelijk verzocht haar brief in onderzoek te nemen, haar een kopie te verstrekken van het aanvullende stuk van de erkenning waaruit de handtekeningen zouden blijken en de geslachtsnaam van [het kind] weer te veranderen in '[de achternaam van de vrouw]'.

5. De gemeente Winschoten heeft daarop medegedeeld dat de betreffende ambtenaar van de burgerlijke stand geen aanleiding heeft gevonden om te twijfelen aan de echtheid van de overgelegde documenten, noch andere onregelmatigheden heeft ontdekt op grond waarvan hij moest weigeren over te gaan tot het opmaken van de akte van erkenning. Daarnaast heeft de gemeente aangegeven dat het niet gebruikelijk is om van het onderzoek naar de identiteit documentatie vast te leggen. De gemeente heeft geadviseerd om aangifte bij de politie te doen en een verzoek in te dienen bij de rechtbank tot doorhaling van de akte van erkenning en de latere vermelding op de geboorteakte. Ook is de officier van justitie van de rechtbank Groningen op de hoogte gebracht.

6. De vrouw heeft op 20 januari 2009 aangifte gedaan bij de politie. Een kopie van het proces-verbaal maakt deel uit van de processtukken. Daarnaast heeft zij onderhavig verzoek tot doorhaling ingediend bij de rechtbank en nadien nog aangevuld met het verzoek tot nietig verklaring van de door de man gedane erkenning. De vrouw ervaart het als zeer bezwaarlijk dat [het kind] door de man erkend is (en de daardoor ontstane rechtsgevolgen) en thans de achternaam van de man draagt, omdat zij met [het kind] is gevlucht voor de man in verband met huiselijk geweld. Zij verblijft daarom ook op een geheim adres. Zij acht contact tussen [het kind] en de man zeer schadelijk voor de ontwikkeling van [het kind].

7. De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij haar stellingen -dat niet zij, maar een andere persoon in haar plaats mogelijk toestemming heeft gegeven voor de erkenning en de naamswijziging van [het kind]- onvoldoende onderbouwd heeft. Ook is de vrouw van mening dat de rechtbank is voorbijgegaan aan het bepaalde in art. 149 Rv; de rechter had van niet of onvoldoende betwiste gestelde feiten en rechten geen bewijs mogen verlangen en had deze feiten als vaststaand moeten beschouwen.

Het oordeel van het hof

8. Het hof overweegt het volgende.

9. Uit de overgelegde akte van geboorte van de gemeente Winschoten met nummer [nummer] van het jaar 2006 blijkt dat op [geboortedatum] (te [geboorteplaats]) uit de vrouw [het kind met de achternaam van de vrouw] is geboren. Uit de latere vermelding betreffende erkenning, door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakt op 29 februari 2008, blijkt voorts dat [het kind] is erkend door [de man] met toestemming van de vrouw en dat gekozen is voor de geslachtnaam '[van de man]'.

10. Authentieke akten (waaronder akten van de burgerlijke stand) leveren tegen een ieder dwingend bewijs op van hetgeen de ambtenaar binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard (art. 157 Rv jo. art. 1:22 BW). Dwingend bewijs houdt in dat de rechter verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen, dan wel verplicht is de bewijskracht te erkennen die de wet aan bepaalde gegevens verbindt. Op grond van art. 151 lid 2 BW is tegenbewijs evenwel mogelijk. Het tegenbewijs kan door alle middelen worden geleverd (art. 1:152 lid 1 BW).

11. De vrouw heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangevoerd dat zij geen toestemming heeft gegeven voor de erkenning van [het kind] door de man en de geslachtsnaamwijziging. Zij heeft het vermoeden dat een andere persoon in haar plaats -samen met de man- bij de gemeente Winschoten is verschenen en zich voor haar heeft uitgegeven. Zij verzoekt om nietigverklaring, dan wel doorhaling van de akte van erkenning en de latere vermelding op de geboorteakte.

12. Ter onderbouwing van het door haar gestelde heeft de vrouw de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd om de juistheid van de akte van erkenning aan te tasten. Zij heeft aangegeven dat zij na de erkenning geen afschrift heeft ontvangen van de geboorteakte voorzien van de latere vermelding, hetgeen volgens haar normaal gesproken gebruikelijk is. De gemeente heeft in eerste instantie niet voldaan aan haar verzoek om nadere gegevens te verstrekken met betrekking tot de erkenning en de naamswijziging. Eerst tijdens de procedure in hoger beroep heeft de vrouw bericht ontvangen van de gemeente dat -in tegenstelling tot eerdere berichtgeving van de zijde van de gemeente- de akte van erkenning nog niet bleek te zijn vernietigd. De vrouw heeft een afschrift van deze akte als productie ingebracht, alsmede een kopie van haar paspoort en andere documenten waar haar handtekening op staat. Zij heeft betoogd dat de handtekening op de akte afwijkend is van die op haar paspoort en andere documenten. Daarnaast heeft de vrouw opgemerkt dat haar achternaam en die van [het kind] onjuist gespeld staan op de akte van erkenning ([de onjuist gespelde achternaam van de vrouw]), terwijl op de geboorteakte de juiste naam staat ([de juist gespelde achternaam van de vrouw]). De vrouw is van mening dat de ambtenaar deze fout niet zou hebben gemaakt indien hij een juist identiteitsbewijs had gehad en dat zij zelf, indien zij bij de gemeente was geweest, deze spelfout onmiddellijk zou hebben opgemerkt. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat de man tijdens hun relatie meerdere malen de beschikking heeft gehad over haar identiteitsbewijs. De vrouw stelt uitdrukkelijk dat zij geen toestemming heeft gegeven voor de erkenning en de geslachtsnaamwijziging van [het kind].

13. De vrouw heeft voorts een brief overgelegd van het Openbaar Ministerie Groningen van 24 september 2010. Uit deze brief maakt het hof op dat de officier van justitie instemt met de afgifte van de originele akte van erkenning ten behoeve van het laten verrichten van een handschriftvergelijkend onderzoek door een handschriftdeskundige.

14. Nu de vrouw betoogt dat de akte van erkenning onjuist is, zal het hof de vrouw conform haar verzoek in de gelegenheid stellen om bewijs te leveren van haar stelling dat zonder voorafgaande (schriftelijke) toestemming van de vrouw de erkenning is gedaan, waarbij het risico bij de vrouw ligt, door middel van een handschriftvergelijkend onderzoek uitgevoerd door een deskundige die zich ook als zodanig heeft geregistreerd. Voor zover de vrouw het hof heeft verzocht om op kosten van de Staat een handschriftvergelijkend onderzoek te gelasten, ziet het hof hiertoe geen aanleiding. Niet gebleken is dat het maken van kosten in verband met een dergelijk onderzoek niet van haar gevergd kan worden.

15. Ten slotte overweegt het hof dat artikel 1:212 BW voorschrijft dat het minderjarige kind, optredende als verzoeker of belanghebbende, in zaken van afstamming vertegenwoordigd wordt door een bijzondere curator daartoe benoemd door de rechtbank die over de zaak beslist.

16. Het hof constateert dat de rechtbank ten behoeve van [het kind] geen bijzondere curator heeft benoemd.

17. Het hof is evenwel van oordeel dat [het kind] belanghebbende is in een zaak van (nietigheid van de) erkenning als bedoeld in artikel 1:204 lid 1, sub c, BW. Derhalve had op de voet van het bepaalde in artikel 1:212 BW door de rechtbank een bijzondere curator voor [het kind] benoemd moeten worden. Nu de rechtbank dit heeft nagelaten, zal het hof (alsnog) een bijzondere curator voor [het kind] benoemen.

De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

laat de vrouw toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de juistheid van de akte van erkenning door middel van een handschriftdeskundige als bedoeld in rechtsoverweging 14;

bepaalt dat, indien en voor zover de vrouw dit schriftelijk bewijs wenst te leveren van haar stellingen, zij dit bewijs uiterlijk vóór 1 augustus 2011 in het geding dient te brengen;

benoemt [de curator] te Groningen tot bijzondere curator van[[het kind]], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], om de belangen van deze minderjarige te behartigen;

stelt de bijzondere curator in de gelegenheid om zich vóór 15 augustus 2011 schriftelijk uit te laten over de onderhavige zaak;

stelt de man in de gelegenheid om zich binnen twee weken na ontvangst van zowel de bovenbedoelde reactie van de vrouw als die van de bijzondere curator daarover uit te laten;

stelt de vrouw in de gelegenheid om zich binnen twee weken na ontvangst van de reactie van de bijzondere curator daarover uit te laten;

bepaalt dat het hof na ontvangst van de reactie van de vrouw, de man en de bijzondere curator, dan wel bij het uitblijven van deze reactie(s), de zaak zonder nadere behandeling ter terechtzitting zal afdoen, tenzij het hof op verzoek van (één van) partijen, dan wel ambtshalve anders beslist;

bepaalt dat een eventuele mondelinge behandeling van de zaak zal plaatsvinden op dinsdag 13 september 2011;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, voorzitter, A.W. Beversluis en K.R. Kuiken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 12 april 2011 in bijzijn van de griffier.