Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ1748

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-04-2011
Datum publicatie
19-04-2011
Zaaknummer
24-000637-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is als bestuurder van een auto betrokken geweest bij een ongeval. Verdachte heeft bewust onaanvaardbare risico's genomen door met zeer hoge snelheid en onder invloed van alcohol een auto te besturen. Dergelijk handelen is als roekloos verkeersgedrag aan te merken.

Door zo te handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 7 maanden en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000637-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-670443-08

Arrest van 18 april 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 23 februari 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1960] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], Dr. [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. L.S. Wachters, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren, met aftrek.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 30 maart 2008, in de gemeente [gemeente], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (merk BMW), daarmede rijdende over (de gezien verdachtes rijrichting linker rijstrook van de rechter rijbaan van) de weg, de A7, - gaande in de richting van de stad Groningen - zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met een zeer hoge, althans aanmerkelijke snelheid, althans met een, gelet op de omstandigheden ter plaatse, te hoge snelheid, en/of in plaats van tijdig en/of voldoende zijn, verdachtes, snelheid te verminderen en/of tijdig en/of voldoende uit te wijken voor en/of voldoende afstand te bewaren tot en/of voldoende rekening te houden met een voor het door verdachte bestuurde motorrijtuig op die weg, de A7, rijdend ander motorrijtuig (merk Ford), tegen dat ander motorrijtuig (merk Ford) is gereden en/of gebotst, waardoor een inzittende van dat ander motorrijtuig (merk Ford) (genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van de 2e halswervel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

A. hij op of omstreeks 30 maart 2008, in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 755 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

B. hij op of omstreeks 30 maart 2008, in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende over (de gezien verdachtes rijrichting linker rijstrook van de rechter rijbaan van) de weg, de A7, - gaande in de richting van de stad Groningen - met een zeer hoge, althans aanmerkelijke snelheid, althans met een, gelet op de omstandigheden ter plaatse, te hoge snelheid, en/of in plaats van tijdig en/of voldoende zijn, verdachtes, snelheid te verminderen en/of tijdig en/of voldoende uit te wijken voor en/of voldoende afstand te bewaren tot en/of voldoende rekening te houden met een voor het door verdachte bestuurde motorrijtuig op die A7 rijdend ander motorrijtuig (merk Ford), tegen dat ander motorrijtuig (merk Ford) is gereden en/of gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken ter zake van het primair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het ademonderzoek niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Dit brengt mee dat overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW 1994) niet kan worden bewezen, aldus de raadsvrouw. Daarnaast kan op basis van de getuigenverklaringen niet worden aangenomen dat verdachte te hard heeft gereden. Daar komt bij dat los van het feit of verdachte te hard reed of niet, hij de botsing niet kon voorkomen, doordat de bestuurder van de Ford een inschattingsfout heeft gemaakt door in te gaan halen op het moment dat verdachte aan het inhalen was. Er is geen causaal verband tussen het mogelijk te hard rijden en het ongeval. Gelet op het vorengenoemde is er geen sprake van culpa in de zin van roekeloos, aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend gedrag, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt als volgt.

Op 30 maart 2008 is verdachte als bestuurder van een personenauto betrokken geweest bij een ongeval op de rijksweg A7 ter hoogte van [plaats]. Verdachte botste met zijn auto (merk BMW type M3) tegen de auto van [slachtoffer 2] (merk Ford type Focus). [slachtoffer 2] en zijn partner zijn hierbij gewond geraakt.

Voor het antwoord op de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW 1994 zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.

Uit het ademonderzoek blijkt dat verdachte tijdens het ongeval onder invloed van alcohol verkeerde. Verdachte heeft meegewerkt aan een (voltooid) ademonderzoek, waarvan het resultaat 755 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bedroeg. Verdachte heeft nadat hem de uitslag van het ademonderzoek was meegedeeld verzocht om een tegenonderzoek ingevolge artikel 10a van het Besluit alcoholonderzoeken (hierna: het Besluit). Met het oog hierop is bij verdachte bloed afgenomen, het bloedmonster is overeenkomstig de gestelde eisen gewaarmerkt, verpakt en verzegeld en vervolgens naar het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk verzonden. Verdachte heeft de betaling voor het onderzoek contant voldaan.

Het hof is - in tegenstelling tot de raadsvrouw - van oordeel dat het ademonderzoek voor het bewijs kan worden gebruikt.

Voorop gesteld moet worden dat het verweer van de raadsvrouw miskent dat de toepasselijke regeling niet voorziet in een verplichting voor de politie om betrokkene het resultaat van het tegenonderzoek mee te delen, en - daarmee samenhangende - het resultaat toe te doen voegen aan het strafdossier, zodat het reeds om die reden dient te worden verworpen. De mededeling van het resultaat aan verdachte geschiedt rechtstreeks door het NFI, nu niet de politie, maar de verdachte de opdrachtgever is. Het is aan de verdachte om te bepalen of het resultaat wordt aangeboden ter voeging in het dossier.

Ook overigens treft het verweer geen doel. Het aldus toegekende recht om een tegenonderzoek te doen verrichten moet weliswaar worden gerekend tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee de wetgever het onderzoek ter bepaling van het alcoholgehalte van de adem van de verdachte heeft omringd. Daaruit volgt dat, indien een verdachte op het daartoe in artikel 10a van het Besluit aangewezen moment te kennen heeft gegeven van dat recht gebruik te willen maken, het onderzoek van diens adem in beginsel niet kan gelden als een 'onderzoek' in de zin van artikel 8, tweede lid, onder a, van het WVW 1994 indien een zodanig tegenonderzoek niet is verricht. In dit geval heeft echter een dergelijk onderzoek juist wel plaatsgevonden, maar komt het voor rekening van verdachte dat de resultaten van het tegenonderzoek niet bekend zijn.

Het hof is voorts - met de rechtbank - van oordeel dat op grond van de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] vaststaat dat verdachte op het moment van het ongeval met zeer hoge snelheid over de A7 reed. Dat de getuigen, die hebben verklaard over verdachtes snelheid kort voor het ongeval, niet gekwalificeerd zijn om de precieze snelheid vast te stellen doet hier niet aan af. Uit de verklaringen blijkt duidelijk dat verdachte met zeer hoge snelheid heeft gereden.

Verdachte heeft bewust onaanvaardbare risico's genomen door met zeer hoge snelheid en onder ernstige invloed van alcohol een auto te besturen. Dergelijk handelen is als roekeloos verkeersgedrag aan te merken. Er is sprake van causaal verband tussen het rijgedrag van verdachte en het ongeval. Het rijgedrag van verdachte was voorts zodanig dat medeweggebruikers hiermee geen rekening konden en behoefden te houden. Ondanks een mogelijke inschattingsfout van [slachtoffer 2] blijven de gedragingen van verdachte in onverminderde mate roekeloos. De mate van schuld vermindert hierdoor niet.

Gelet op vorenstaande acht het hof het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Het hof verwerpt de verweren.

Afwijzing verzoek van de raadsvrouw

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting, teneinde het NFI te benaderen om te onderzoeken waarom het resultaat van het tegenonderzoek niet aan het dossier is toegevoegd.

Ten aanzien van het verzoek om aanhouding overweegt het hof dat de verdediging ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om bij het NFI na te gaan wat het resultaat van het tegenonderzoek is en - indien gewenst - dit resultaat aan te bieden ter voeging in het dossier. Het had op de weg van verdachte, die werd bijgestaan door een advocaat, gelegen om actie te ondernemen. Dat verdachte dit niet heeft gedaan moet voor zijn rekening blijven. Het hof acht toewijzing van het verzoek op de daartoe aangevoerde gronden noch ambtshalve noodzakelijk en wijst het verzoek af.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

primair

hij op 30 maart 2008, in de gemeente [gemeente], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (merk BMW), daarmede rijdende over de gezien verdachtes rijrichting linker rijstrook van de rechter rijbaan van de weg, de A7, - gaande in de richting van de stad Groningen - zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, met een zeer hoge snelheid, en in plaats van voldoende zijn, verdachtes, snelheid te verminderen en voldoende rekening te houden met een voor het door verdachte bestuurde motorrijtuig op die weg, de A7, rijdend ander motorrijtuig (merk Ford), tegen dat andere motorrijtuig (merk Ford) is gebotst,

waardoor een inzittende van dat andere motorrijtuig (merk Ford) (genaamd [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat werd toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 30 maart 2008 schuldig gemaakt aan roekeloos rijgedrag door met zeer hoge snelheid en onder invloed van alcohol - te weten: ruim driemaal de toegestane hoeveelheid - aan het verkeer deel te nemen als gevolg waarvan een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Door de botsing is de bestuurder van de Ford, [slachtoffer 2], de controle over zijn auto kwijtgeraakt, over de kop geslagen en in de berm tot stilstand gekomen. De bijrijder van de Ford, [slachtoffer], heeft ten gevolge van het ongeval zes weken een nekkraag gedragen en moest fysiotherapie ondergaan. Uit de aanvullende schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 15 maart 2011 blijkt dat [slachtoffer] weliswaar lichamelijk is hersteld, maar nog steeds psychische klachten heeft.

Door op deze manier aan het verkeer deel te nemen heeft verdachte volstrekt geen verantwoordelijkheid getoond ten opzichte van zijn medeweggebruikers en de inzittende van de door hem bestuurde auto. Hij heeft door zijn handelen niet alleen de verkeersveiligheid op zeer ernstige wijze in gevaar gebracht, maar ook letsel bij een ander veroorzaakt.

Voorts blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 22 januari 2009 dat verdachte na het ongeval contact heeft opgenomen met [slachtoffer 2] en [slachtoffer]. Verdachte had gevraagd of hij bloemen mocht sturen en belde later dat hij wilde langskomen om dingen te regelen. Toen [slachtoffer 2] vertelde dat [slachtoffer] nog zes weken met een nekkraag moest lopen reageerde verdachte met de woorden: "Ook dat nog. Dat gaat mij klauwen met geld kosten". Die woorden hebben [slachtoffer] erg gekwetst. En bloemen heeft ze nooit gekregen.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 februari 2011 blijkt, dat verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het rijden onder invloed.

Het hof heeft ook gelet op het reclasseringsadvies d.d. 30 maart 2011, waaruit blijkt dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om verdachte in het kader van bijzondere voorwaarden succesvol te begeleiden. Indien verdachte zijn leven ongewijzigd voortzet en niet oprecht openstaat om zich klinisch te laten behandelen voor zijn alcoholafhankelijkheid, dan schat de reclassering de kans op recidive hooggemiddeld.

Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van de landelijk geldende oriëntatiepunten ter zake van artikel 6 van de WVW 1994 "veroorzaken verkeersongeval", waaruit volgt dat indien verdachte ten gevolge van roekeloos rijden bij het slachtoffer tijdelijke ziekte veroorzaakt en het alcoholgebruik hoger was dan 570 µg/l een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden in combinatie met een ontzegging voor de rijbevoegdheid van drie jaren een passende bestraffing is.

De ontzegging is noodzakelijk in verband met het gevaarzettende gedrag van verdachte op de weg, alsmede uit het oogpunt van verkeersveiligheid.

Het hof stelt voorts vast dat in de appèlfase de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM is overschreden, nu niet binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel een eindarrest is gewezen. Gelet op de geringe overschrijding van die termijn zal het hof volstaan met de constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 van het EVRM.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van drie jaren.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.J. Beswerda, voorzitter, mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. E. de Witt, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier.