Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ1631

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-04-2011
Datum publicatie
18-04-2011
Zaaknummer
24-002478-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolging wegens openlijke geweldpleging tegen personen en goederen.

In hoger beroep algehele vrijspraak. Geen bewijs ten aanzien van verdachte dat hij een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het gepleegdge geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002478-09

Parketnummer eerste aanleg: 18-651539-09

Arrest van 15 april 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 18 september 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

opgegeven ter terechtzitting: verblijvende te [verblijfplaats],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.J.E. van Haarst, advocaat te Winschoten.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van honderdveertig uren, subsidiair zeventig dagen hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 07 februari 2009 te [plaats], gemeente [gemeente], met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten jeugdsoos [naam], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen het meubilair en/of de inventaris van die jeugdsoos en/of tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit

- het omgooien/omduwen van een tafel en/of

- het schoppen naar een televisietoestel en/of

- het vernielen van glazen en/of een lichtbord en/of een tafel en/of

- het urineren op de dansvloer

en/of

- het marcheren door de jeugdsoos en/of het brengen van de hitlergroet en/of het ten gehore brengen van Duitse liederen en daarmee een bedreigende sfeer scheppen voor die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- het schreeuwen tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]: "Als je dat doet, weet ik je wel te vinden en dan krijg ik je wel" of woorden van gelijke strekking en/of

- het schreeuwen tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]: "Als jullie geen drinken meer inschenken doen we jullie wat en breken we de tent af", of woorden van gelijke strekking.

Vrijspraak

Voorop staat hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 20 juni 2006 (NJ 2006, 381) dat eveneens betrekking heeft op het misdrijf van artikel 141 Sr, heeft overwogen:

"Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet van 25 april 2000 (Stb. 2000, 173), waarbij art. 141 Sr werd gewijzigd (wetsvoorstel 26 519), is van het "in vereniging" plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt (vgl. HR 11 november 2003, LJN AL6209, rov. 3.8)."

In de onderhavige zaak kan naar het oordeel van het hof op grond van de stukken in het dossier (waaronder de aangiften en de verklaringen van de diverse getuigen) ten aanzien van verdachte niet worden bewezen dat hij een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld dat op 7 februari 2009 in jeugdsoos [naam] te [plaats] heeft plaatsgevonden. De enkele omstandigheid dat verdachte ten tijde van het geweld in de jeugdsoos aanwezig was en dat hij luidruchtig was, is daarvoor onvoldoende.

Hieruit vloeit voort dat het hof niet bewezen acht hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. F.R. Vermeer, in tegenwoordigheid van mr. A. Meester als griffier, zijnde mr. F.R. Vermeer buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.