Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ1325

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
15-04-2011
Zaaknummer
200.039.700/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekering. Verjaring (7:942 lid 3 oud BW). Verzwijging door verzekerde brengt mee dat verzekeraar zich terecht beroept op artikel 7:930 lid 4 BW. Terugbetaling voorschot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTE,

advocaat: mr. F.I. Piternella, te Dongen,

t e g e n

de naamloze vennootschap

ABN AMRO SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Zwolle,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M.F.H.M. van Haastert, te Zwolle.

De partijen worden hierna [appellante] en ABN AMRO genoemd.

Bij dagvaarding van 24 juli 2009 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 1 juli 2009 (zaak/rolnummer 148228 HA ZA 08-936) van de rechtbank te Zwolle-Lelystad, gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en ABN AMRO als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie.

[appellante] heeft bij memorie dertien grieven geformuleerd en bewijs aangeboden, met conclusie dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [appellante] alsnog zal toewijzen en de vorderingen van ABN AMRO zal afwijzen, met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft ABN AMRO de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

Vervolgens heeft [appellante] nog een akte overlegging producties genomen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.8 een aantal feiten vermeld.

[appellante] heeft een grief opgeworpen tegen de vaststelling in rechtsoverweging 2.2. Die grief komt hierna aan de orde.

Omtrent de feiten bestaat voor het overige geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan, zo nodig aangevuld met eveneens tussen partijen vaststaande feiten.

3. Beoordeling

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1 [appellante] heeft op 13 oktober 2004 bij ABN AMRO een inboedelverzekering afgesloten voor de woning aan het adres [adres] in [plaats] (hierna: de woning). Op diezelfde datum heeft [appellante] bij ABN AMRO een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten. De verzekeringen zijn gesloten via de tussenpersoon ABN AMRO Bank.

3.1.2 In het kader van het aanvragen van de inboedelverzekering heeft [appellante] een aanvraagformulier ondertekend, waarin onder meer het volgende staat opgenomen:

“(…) Er zijn nooit door een verzekeringsmaatschappij verzekeringen opgezegd of geweigerd, dan wel verzwarende condities gesteld. (…)”

En in het slot van het aanvraagformulier is vermeld:

“De ondergetekende, mede gelet op de inhoud van artikel 251 van het wetboek van Koophandel, verklaart dat de gegevens volledig en juist zijn.

Geen omstandigheden welke voor verzekeraars van belang kunnen zijn, zoals bijvoorbeeld een opzegging van een verzekering door een verzekeraar gedurende de laatste jaren of een strafrechtelijke veroordeling tijdens de laatste 8 jaar, zijn verzwegen of verkeerd voorgesteld.”

3.1.3 Op 18 december 2006 is er brand ontstaan in de woning. Hierna is door CED Nomex en [het schade-onderzoekbureau] (hierna: [het schade-onderzoeksbureau]) een onderzoek ingesteld naar de oorzaak en de gevolgen van de brand.

3.1.4 Op 22 december 2006 heeft ABN AMRO een voorschot uitgekeerd aan [appellante] van € 10.000,--.

3.1.5 In het kader van haar onderzoek heeft een medewerker van [het schade-onderzoeksbureau] met [appellante] gesproken en vervolgens in haar rapport van 3 januari 2007 vermeld:

“(…) Opgemerkt wordt voorts dat verzekeringnemer een conflict heeft met een verzekeringsmaatschappij betreffende de uitkering in verband met een autoschade. (…)”

3.1.6 Op 17 januari 2007 heeft ABN AMRO, afdeling “Particulier Pakket” een aangetekende brief aan [appellante] geschreven; in die brief staat, voor zover van belang:

“U hebt u op 13 oktober 2004 schuldig gemaakt aan misleiding. Hierdoor kunt u geen rechten ontlenen aan bovenvermelde verzekeringen. Op grond van artikel 929 van het Burgerlijk Wetboek zeggen wij de verzekeringen op per 17 januari 2007.

(…)

Nu blijkt dat u bij het aangaan van de verzekering verzwegen heeft dat er een autoverzekering nietig is verklaard in verband met verzwijging. Daarnaast hebt u verzwegen dat er een verzekering is opgezegd in verband met het niet of niet op tijd betalen van de premie. (…)”

3.1.7 Eveneens op 17 januari 2007 heeft ABN AMRO, afdeling “Schade Brand” per aangetekende brief aan [appellante] geschreven dat inzake de inboedelverzekering de onderzoeken voor nadere schadevaststelling en naar de toedracht van de brand zijn afgerond en dat daaruit is gebleken dat [appellante] zich aan misleiding heeft schuldig gemaakt. De misleiding bestaat uit verzwijging van de feiten zoals geciteerd onder 3.1.6. Voorts vermeldt deze brief, voor zover van belang:

“ (…) Die feiten zijn doorgegeven aan onze acceptatieafdeling. Op grond hiervan hebben zij deze verzekering (…) opgezegd. Aan deze verzekering kunt u dan ook geen rechten ontlenen.

Het zal inmiddels duidelijk zijn dat wij de schade niet verder zullen vergoeden.

Daarentegen stellen wij u aansprakelijk voor de kosten van het verrichte onderzoek die EUR 3.844,50 bedragen. Het verleende voorschot van EUR 10.000,-- zullen wij ook terugvorderen.

(…)

Tot slot wijzen wij u op het feit dat naar huidig recht een vordering tegen de verzekeraar door verloop van 6 maanden verjaart. Dat betekent dat als u binnen 6 maanden na heden geen rechtsvordering instelt en evenmin overgaat tot stuiting van de verjaring, u al op grond daarvan geen aanspraak meer kunt maken op een uitkering. (…)”

3.1.8 Op deze brieven heeft de advocaat van [appellante] gereageerd naar ABN AMRO bij brieven van 13 februari 2007, 20 april 2007, 21 mei 2007 en 23 mei 2008.

3.1.9 Op 8 augustus 2008 heeft [appellante] ABN AMRO doen dagvaarden.

3.2 In eerste aanleg heeft [appellante] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, vergoeding gevorderd van de door haar geleden brandschade, verminderd met het uitgekeerde voorschot en van immateriële schade wegens gederfde levensvreugde, vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van het geding.

3.3 In reconventie heeft ABN AMRO bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, terugbetaling gevorderd van het door haar onverschuldigd betaalde voorschot en vergoeding van de door haar gemaakte kosten, vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure.

3.4. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van [appellante] afgewezen en de vorderingen van ABN AMRO toegewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld, zowel in conventie als in reconventie.

Verjaring

3.5 Met de grieven III en V tot en met VIII komt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de aanspraak van [appellante] op uitkering is verjaard en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.5.1 Het hof stelt voorop dat ABN AMRO op 17 januari 2007 twee brieven aan [appellante] heeft gestuurd:

- de eerste, onder 3.1.6 genoemde brief bevat een opzegging van de inboedelverzekering per 17 januari 2007;

- de tweede, onder 3.1.7 genoemde brief bevat (onder meer) het besluit van ABN AMRO tot afwijzing van de aanspraak van [appellante] op uitkeringen, terugvordering van het verleende voorschot en de mededeling dat een vordering tegen de verzekeraar binnen zes maanden verjaart.

3.5.2 Uit beide brieven, mede in onderlinge samenhang bezien, volgt dat de stelling van [appellante] als zou ABN AMRO door de opzegging van de verzekering niet meer kunnen toekomen aan afwijzing van [appellante]’s aanspraak op uitkering (en daarmee dus niet aan de verjaring van die aanspraak), niet kan slagen. [appellante] miskent hiermee immers dat de opzegging van de verzekeringsovereenkomst (“per 17 januari 2007”) geen terugwerkende kracht heeft en dat ABN AMRO derhalve een beslissing moest nemen en heeft genomen over de aanspraak op uitkering naar aanleiding van het schadevoorval, de brand van 18 december 2006, tijdens de looptijd van de verzekering.

3.5.3 Voor zover [appellante] met een beroep op artikel 3:307 BW betoogt dat voor de verjaring van de vordering een termijn van vijf jaar zou gelden, gaat zij eraan voorbij dat op grond van artikel 7:942 lid 3 (oud) een rechtsvordering tegen de verzekeraar bij afwijzing van de aanspraak verjaart door verloop van zes maanden. Dit betekent, zoals ABN AMRO ook in haar afwijzingsbrief van 17 januari 2007 heeft vermeld, dat [appellante] vanaf die datum iedere zes maanden de verjaring had moeten stuiten om de rechtsvordering niet te laten verjaren. [appellante] heeft evenwel na haar brief van 21 mei 2007 tot haar eerstvolgende brief van 23 mei 2008 geen stuitingshandelingen verricht. Daarmee is haar vordering verjaard.

3.5.4 Een beroep van [appellante] op de (inmiddels in werking getreden) wijziging van de verjaringsregeling van artikel 7:942 BW kan haar niet baten. Daargelaten dat de door [appellante] bedoelde wijziging slechts betrekking heeft op verzekering tegen aansprakelijkheid, was deze regeling in de voor dit geschil relevante periode – 17 januari 2007 tot de dagvaarding van 8 augustus 2008 - nog geen wet; evenmin biedt het overgangsrecht de mogelijkheid tot toepassing van deze regeling op dit geschil.

3.5.5 Ten overvloede merkt het hof opdat [appellante] geen grief heeft opgeworpen tegen de uitleg die de rechtbank aan de door haar advocaat verzonden brieven van 13 februari 2007, 20 april 2007 en 21 mei 2007 heeft gegeven. Derhalve kan in het midden blijven of aan deze brieven, gelet op daaraan te stellen eisen, stuitende werking kan worden toegekend. Overigens zou het slagen van zo’n grief [appellante] niet kunnen baten aangezien, zoals hiervoor reeds overwogen, in de periode van 21 mei 2007 tot de eerstvolgende brief van [appellante] van 23 mei 2008 door haar geen enkele stuitingshandeling is verricht.

3.5.6 De conclusie is derhalve dat de vordering is verjaard. De grieven falen.

Verzwijging

3.6 De grieven I, II, IV en IX tot en met XIII lenen zich eveneens voor gezamenlijke behandeling. Deze grieven bestrijden het oordeel van de rechtbank dat [appellante] zich schuldig heeft gemaakt aan verzwijging en derhalve door schending van haar mededelingsplicht geen recht heeft op uitkering en ABN AMRO aanspraak heeft op terugbetaling van het voorschot en op schadevergoeding, bestaande uit de door haar gemaakte kosten.

3.6.1 [appellante] betwist dat bij het aangaan van de inboedelverzekering een vragenlijst met haar zou zijn doorgenomen. Zij stelt zich op het standpunt dat haar geen vragen zijn gesteld en dat niet zij, maar een functionaris van ABN AMRO de vragenlijst heeft ingevuld, dat zij erop vertrouwde dat hij dat correct had gedaan en dat zij op aanraden van deze functionaris het formulier heeft ondertekend. Van het door haar verzwijgen van relevante informatie is derhalve geen sprake, aldus [appellante].

3.6.2 Het hof kan [appellante] hierin niet volgen. Zo valt uit de uitdraai van de vragenlijst (Productie 1 CvA) op te maken dat [appellante] vragen van persoonlijke aard moeten zijn gesteld, zoals de leeftijd/geboortedatum van eventuele kinderen, waarvan het antwoord ook is ingevuld. Nu voorts tussen partijen vaststaat dat [appellante] het aanvraagformulier heeft ondertekend, had [appellante] moeten controleren of de vragen correct en volledig waren ingevuld (zie 3.1.2: “De ondergetekende (…) verklaart dat de gegevens volledig en juist zijn”). Het niet-nakomen van deze verplichting en daarmee het (mogelijk) verzwijgen van relevante informatie komt voor haar rekening en risico.

3.6.3 Gelet op het vorenstaande verwerpt het hof de stelling van [appellante] dat ABN AMRO na het aanvragen van de verzekering in 2004 zelf had moeten nagaan of er beletselen waren om een verzekering met [appellante] aan te gaan. [appellante] miskent aldus dat ABN AMRO door het stellen van de vragen in het aanvraagformulier dat onderzoek nu juist heeft verricht en op haar de plicht rustte die vragen volledig en juist te beantwoorden. Dat ABN AMRO zonder een uitgebreid onderzoek naar het verzekeringsverleden van [appellante] tot uitkering van een voorschot is overgegaan, rechtvaardigde niet het vertrouwen dat ABN AMRO geen beroep op verzwijging meer zou doen. Het is immers niet in het belang van verzekerden als verzekeringsmaatschappijen met het doen van voorschotbetalingen zouden (moeten) wachten totdat dat uitgebreidere onderzoek is voltooid.

3.6.4 Tegen de haar verweten verzwijging van vernietiging (door [een verzekeringsbedrijf]) van een autoverzekering op grond van een verzwegen malusregistratie, voert [appellante] aan dat deze malusregistratie ten onrechte is gedaan en dat ABN AMRO ten onrechte een beroep doet op artikel 7:930 lid 4 BW.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellante] aldus erkent dat er een malusregistratie is gedaan. Van deze (al dan niet terechte) malusregistratie en van de vernietiging van de latere verzekering door [een verzekeringsbedrijf] had [appellante] bij het aangaan van de verzekering met ABN AMRO melding moeten maken. Uit de slotregel van het door [appellante] ondertekende aanvraagformulier (zie 3.1.2) blijkt het belang van deze informatie voor ABN AMRO (“Geen omstandigheden welke voor verzekeraars van belang kunnen zijn, zoals bijvoorbeeld een opzegging van een verzekering door een verzekeraar gedurende de laatste jaren (…) zijn verzwegen of verkeerd voorgesteld”).

Daar komt bij dat [appellante] haar standpunt dat de malusregistratie ten onrechte is gedaan (“omdat appellante de premie van de autoverzekering tardief heeft betaald”) ten enenmale onvoldoende heeft gemotiveerd tegen de achtergrond van de inhoud van de door haarzelf overgelegde brieven van FBTO, waaruit blijkt dat de malusregistratie samenhangt met een negatief aantal schadevrije jaren bij het einde van de polis.

3.6.5 [appellante] heeft in hoger beroep niet bestreden dat een redelijk handelend verzekeraar onder deze omstandigheden geen verzekering met [appellante] zou hebben gesloten als zij de genoemde vragen juist zou hebben beantwoord. Dit brengt mee dat ABN AMRO terecht een beroep heeft gedaan op artikel 7:930 lid 4 BW. [appellante] heeft derhalve geen recht op uitkering, zodat ABN AMRO aanspraak kan maken op terugbetaling van het door haar reeds verleende voorschot.

3.6.6 Aan de stelling dat ABN AMRO geen hoor en wederhoor zou hebben toegepast, gaat het hof voorbij nu ABN AMRO onweersproken heeft gesteld dat er op 10 januari 2007 telefonisch contact is geweest tussen de fraudecoördinator van ABN AMRO en [appellante]. Het hof laat dan nog daar dat [appellante] niet gemotiveerd heeft toegelicht waarom het beginsel van hoor en wederhoor tussen partijen zou gelden en welke juridisch relevante gevolgen zij aan schending van dit beginsel meent te moeten verbinden.

3.6.7 De door ABN AMRO gemaakte en met facturen onderbouwde kosten zijn naar ’s hofs oordeel door [appellante] onvoldoende weersproken. De enkele stelling van [appellante] dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld en geen opdracht heeft gegeven voor de (naar het hof begrijpt: door [het schade-onderzoeksbureau] en CED Nomex verrichte) werkzaamheden, acht het hof ontoereikend. Het hof laat ook die veroordeling derhalve in stand.

4. Slotsom

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd. Het bewijsaanbod zal worden gepasseerd omdat dit niet is gebaseerd op voldoende geconcretiseerde stellingen die, indien al bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. [appellante] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Zwolle-Lelystad van 1 juli 2009;

veroordeelt [appellante] in de kosten van hoger beroep, aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 1.035,-- aan verschotten en

€ 1.158,-- aan salaris;

verklaart de veroordeling tot betaling van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, J.C.W. Rang en E.M. Polak en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 april 2011.