Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0952

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
12-04-2011
Zaaknummer
200.075.272/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident artikel 130 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 29 maart 2011

Zaaknummer 200.075.272/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in het incident, als bedoeld in art. 130 lid 1 Rv, in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

tevens eiseres in het incident,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [de vrouw],

toevoeging aangevraagd,

advocaat: mr. P.A.K. van Eck, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellant in het incidenteel appel,

tevens verweerder in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [de man],

toevoeging,

advocaat: mr. J.W.F. van Horssen, kantoorhoudende te Leek.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 7 juli 2010 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 6 oktober 2010 is door [de vrouw] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [de man] tegen de zitting van 19 oktober 2010.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende de grieven, luidt:

"(…) het vonnis van de rechtbank Leeuwarden gedeeltelijk te vernietigen en, alsnog zelf recht doende:

I. Om, met instandhouding van de veroordeling in conventie uit het vonnis d.d. 7 juli 2010, de man te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een bedrag van

€ 23.755,-- te vermeerderen met heffingsrente en eventueel door de fiscus op te leggen boete, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 december 2009 tot aan de datum van volledige betaling aan de vrouw te betalen, althans zodanig te bepalen als uw Hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

II. Het vonnis van de rechtbank Leeuwarden d.d. 7 juli 2010 te vernietigen, voor zover de vrouw in reconventie is veroordeeld om aan de man een bedrag van € 7.921,-- te voldoen en de man alsnog in zijn inleidende vordering in reconventie niet ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen, althans zodanig te bepalen als uw Hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

III. Met instandlating van al hetgeen meer of anders in conventie en reconventie is bepaald.

IV. De man te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste en tweede aanleg."

Bij memorie van antwoord, tevens (voorwaardelijke) wijziging van eis, heeft [de man] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"(…) het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 7 juli 2010 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de Wet zulks toelaat:

I. de vrouw veroordeelt om aan de man te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting de navolgende bedragen:

- terzake bijtelling auto € 3.303,00

- ter zake kosten kinderopvang € 9.085,00

- terzake bekeuringen € 147,00

- terzake kosten brandstof €1.835,82

- terzake kosten BDO € 3.437,00

- terzake kosten Vlotweg, opslag € 2.634,30

- terzake de bakfiets € 2.323,00

- terzake kosten mobiele telefonie € 1.469,88

- terzake opnames van de en/of rekening € 2.273,00

II. te bepalen, dat de man terzake de polis van levensverzekering gehouden is om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 11.895,00 met afwijzing van het overige gevorderde;

III. de vrouw veroordeelt om aan de man te voldoen tegen behoorlijk bewijs van kwijting, voor het geval dat het Gerechtshof van oordeel is dat de man gehouden is om de fiscale (na)heffing aan de zijde van de vrouw in verband met de door hem opgevoerde alimentatiebetaling voor zijn rekening te nemen, danwel de vrouw terzake hiervan schadeloos te stellen, de vrouw te veroordelen aan de man te betalen een bedrag van € 43.239,33 te vermeerderen met de wettelijke rente per 31 juli 2007;

IV. met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedures in beide instanties."

[de vrouw] heeft in het incidenteel appel geantwoord en tevens een reactie gegeven op de vermeerdering van eis, met als conclusie:

(…) de man in het incidenteel appel niet ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen, althans zodanig te bepalen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren."

Voorts heeft [de vrouw] op 8 februari 2011 twee akten genomen, een akte houdende afwijzing (voorwaardelijke) vermeerdering van eis en een antwoordakte, en [de man] één akte.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident.

De beoordeling

1. [de man] heeft bij 'memorie van antwoord, tevens (voorwaardelijke) wijziging van eis, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel', zijn vordering voorwaardelijk vermeerderd c.q. gewijzigd als hiervoor vermeld.

1.1. [de vrouw] heeft in de door haar op 8 februari 2011 genomen akte houdende afwijzing (voorwaardelijke) vermeerdering van eis bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis, doch uitsluitend voor zover die wijziging betrekking heeft op de door [de man] voorwaardelijk, namelijk voor het geval de fiscale heffing alsnog voor zijn rekening komt, onder III ingestelde vordering.

Het hof zal thans alleen op het bezwaar tegen die wijziging beslissen.

2. [de vrouw] heeft aangevoerd dat [de man] zijn eis voorwaardelijk heeft aangevuld met een geheel nieuwe vordering, die niet in eerste aanleg is geformuleerd. [de vrouw] verzet zich tegen de wijziging in dit stadium. Volgens [de vrouw] betreft die wijziging niet alleen een verhoging van het gevorderde geldbedrag op basis van dezelfde feiten, maar een vordering op basis van heel andere uitgangspunten. [de man] stelt thans - aldus [de vrouw] - dat sprake is van onverschuldigde betalingen en/of ongerechtvaardigde verrijking wanneer de fiscale heffing voor zijn rekening komt.

[de vrouw] is van mening dat deze uitgangspunten onjuist zijn.

3. Ingevolge artikel 130 lid 1 Rv - welke bepaling ingevolge artikel 353, lid 1 Rv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is - is een (oorspronkelijk) eiser, zolang nog geen eindvonnis is gewezen, bevoegd zijn eis of de gronden daarvan te wijzigen. Deze bevoegdheid is in hoger beroep beperkt in die zin dat de wijziging in beginsel uiterlijk bij memorie van grieven respectievelijk van antwoord kan plaatsvinden.

De wederpartij is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

4. [de man] heeft in hoger beroep bij de voor hem als eerst mogelijke gelegenheid zijn eis (voorwaardelijk) gewijzigd, namelijk bij de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel.

De wijziging is daarmee tijdig gedaan.

Deze wijziging behelst een vordering tot betaling van een geldbedrag door

[de vrouw] aan [de man] op andere juridische grondslagen dan in eerste aanleg.

Het hof constateert echter dat aan die vordering geen ander feitencomplex of een andere rechtsverhouding ten grondslag ligt dan in eerste aanleg het geval is geweest.

Nu voorts niet is gesteld of gebleken dat [de vrouw] door die (voorwaardelijke) wijziging van eis in haar verdediging wordt belemmerd, bestaat geen aanleiding om die wijziging als strijdig met een goede procesorde aan te merken.

De slotsom

5. Het hof zal daarom de eiswijziging toestaan.

De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden genomen tegelijk met de beslissing omtrent de kosten in de hoofdzaak.

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor voortprocederen.

De beslissing

Het gerechtshof:

in het incident

staat de eiswijziging toe;

houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan tot de beslissing omtrent de kosten in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak - ambtshalve peremptoir - naar de rolzitting van

dinsdag 26 april 2011 voor akte houdende uitlating producties aan de zijde van beide partijen.

Aldus gewezen door mrs. R. Ch.Verschuur, voorzitter, W. Breemhaar en

M.W. Zandbergen, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 29 maart 2011 in bijzijn van de griffier.