Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0926

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-04-2011
Datum publicatie
12-04-2011
Zaaknummer
24-002223-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 416 Sr. Meeprofiteren van de aan medeverdachte verstrekte WWB-uitkering. Het hof verwerpt het verweer dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, WWB maar van mantelzorg. Medeverdachte Verdachte wordt veroordeel tot een werkstraf van 70 uur, subsidiair 35 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Leeuwarden

Parketnummer: 24-002223-10

Parketnummer eerste aanleg: 19-081379-09

Arrest van 8 april 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, enkelvoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 20 september 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1967] te [geboorteplaats],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

van wie als adres in de GBA is vermeld: [GBA adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.T. Schlepers, advocaat te Stadskanaal.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg, ten laste gelegd, dat:

hij in of omstreeks de periode van 2 oktober 2007 tot en met 31 mei 2009 te [plaats], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de door [medeverdachte] bewoonde woning aan de [adres] en/of opzettelijk eet- en/of drinkwaren heeft genuttigd, wetende dat woning en/of eet- en/of drinkwaren geheel of gedeeltelijk werd(en) betaald van een uitkering krachtens een WWB-uitkering via de gemeente [gemeente], welke door [medeverdachte] - met wie verdachte op bovengenoemd adres een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 lid 3 van de Wet werk en bijstand voerde - door valsheid in geschrifte en/of door het opzettelijk nalaten tijdig inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 227b Wetboek van Strafrecht en/of door oplichting of door verduistering, in elk geval door enig misdrijf was verkregen, hebbende verdachte aldus (telkens) opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken;

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Verdachte voert aan dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de Wet werk en bijstand. Hij woonde niet met [medeverdachte] samen. Hij is wel gedurende een langere periode dagelijks bij haar geweest omdat zij gelet op gezondheidstoestand hulp nodig had. Hij verleende mantelzorg. Er is geen sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en hij heeft ook niet de wens om de rest van zijn leven met haar samen te wonen. Hij heeft altijd eigen woongelegenheid gehad en neemt gedurende langere periodes rust. Ook is er geen sprake van enige door misdrijf verkregen goed aangezien de aan [medeverdachte] verstrekte bijstand leenbijstand is en hij en [medeverdachte] vanaf dag één aan de gemeente duidelijk hebben gemaakt dat er geen twijfel over zou bestaan dat zij het geld terug zou betalen. Bij de Gemeente was ook bekend dat hij veel bij [medeverdachte] verbleef wegens haar toestand.

Bij de beoordeling van deze zaak stelt het hof het volgende voorop.

Artikel 3, derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) luidt:

"Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins."

Artikel 48 WWB luidt voor zover hier van belang:

'1. Tenzij in deze wet anders is bepaald, wordt de bijstand verleend om niet.

2. Bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien:

a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; "

Uit de hiervoor vermelde artikelen volgt dat bijstand verleend in de vorm van een geldlening, zogenaamde leenbijstand, ook bijstand is. De voor de belanghebbende geldende inlichtingenplicht is ook daarop van toepassing.

Het hof overweegt dat [medeverdachte] tijdens de beide verhoren op 23 juni 2009 tegenover de sociale recherche het volgende heeft verklaard. [verdachte] woont al twee jaar bij haar in de woning. Hij is haar steun en toeverlaat. Hij heeft een woning in Duitsland, maar verblijft daar nooit. Hij gaat 's ochtends naar zijn werk en keert

s' avonds terug naar haar huis. Zij betaalt de huur en het gas en licht voor de woning. Zij doen wel eens samen boodschappen en soms betaalt [verdachte] die. Een deel van zijn kleding ligt bij haar en zij wast zijn kleding ook voor hem. In de weekeinden neemt [verdachte] haar regelmatig mee uit eten en soms springt hij financieel bij als zij niet helemaal uitkomt met haar geld. Verder heeft zij verklaard dat zij

[verdachte] tijdens het invullen van het rechtmatigheidsonderzoeksformulier wel eens heeft gevraagd of zij moest opgeven dat hij zo vaak bij haar was.

De verklaring van [medeverdachte] wordt ondersteund door de verklaring die [verdachte] op 23 juni 2009 tegenover de sociale recherche heeft afgelegd. Ook hij heeft verklaard dat hij in ieder geval twee jaar hoofdzakelijk bij verdachte verblijft en bij haar slaapt. Zijn kleding ligt in haar huis. Hij neemt meestal eten mee en doet ook boodschappen waarvan hij zelf mee-eet.

Aan de verklaring van [medeverdachte] en [verdachte] kan het bewijs worden ontleend dat [verdachte] gedurende de ten laste gelegde periode zijn hoofdverblijf bij [medeverdachte] had en [medeverdachte] daarmee gelet op artikel 3, de

rde lid, van de Wet werk en bijstand met [verdachte] een gezamenlijke huishouding voerde. Dat de reden daarvoor ligt in de gestelde bijzonder medische en psychische toestand van verdachte, dat zij geen affectieve relatie hebben en dat verdachte elders (ook) eigen woongelegenheid had, doet daaraan niet af.

[medeverdachte] had redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze omstandigheden van belang waren voor het vaststellen van haar recht op een uitkering of de hoogte daarvan en derhalve had zij deze moeten melden aan de sociale dienst, opdat de sociale dienst de feitelijke situatie kon beoordelen. Zij heeft dit nagelaten. Tijdens haar verhoor op 23 juni 2009 heeft zij verklaard tijdens de aanvraag van de uitkering niet expliciet te hebben aangegeven dat zij samenwoont met [verdachte]. Getuige [getuige], sociaal rechercheur, heeft verklaard [verdachte] tijdens het gesprek bij verdachte thuis over de aanvraag van de uitkering desgevraagd heeft verklaard niet op het adres van verdachte te wonen. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat deze weergave van [getuige] correct is. Op het formulier Aanvraag bijstandsuitkering WWB heeft zij ingevuld dat zij alleenwonend is en op de door haar ingevulde rechtmatigheidsonderzoeksformulieren WWB heeft zij bij de vragen naar een partner (en of die in hoofdzaak op het opgegeven adres verblijft) telkens ingevuld "n.v.t." en ook bij de vraag of er in deze periode een wijziging is gekomen in haar woonsituatie heeft zij telkens "nee" ingevuld. Ook heeft zij verklaard dat zij tijdens het invullen van een dergelijk formulier wel eens aan [verdachte] heeft gevraagd of zij niet moest vermelden dat hij zo vaak bij haar verbleef.

Gelet op het voorgaande heeft [medeverdachte] opzettelijk nagelaten tijdig inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 227b wetboek van Strafrechtacht. Verdachte, die haar adviseur was en bij het gesprek over de aanvraag van de uitkering aanwezig was, wist dat en heeft tijdens zijn verblijf bij [medeverdachte] (in meerdere of mindere mate) meegeprofiteerd van de aan haar verstrekte uitkering. Het hof acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij in de periode van 2 oktober 2007 tot en met 31 mei 2009 te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de door [medeverdachte] bewoonde woning aan de [aadres] en opzettelijk eet- of drinkwaren heeft genuttigd, wetende dat die woning en eet- of drinkwaren geheel of gedeeltelijk werden betaald van een WWB-uitkering via de gemeente [gemeente], welke door [medeverdachte] - met wie verdachte op bovengenoemd adres een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 lid 3 van de Wet werk en bijstand voerde - door het opzettelijk nalaten tijdig inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 227b Wetboek van Strafrecht was verkregen, hebbende verdachte aldus opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 februari 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Gelet op het vorenstaande acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde en in eerste aanleg opgelegde straf passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van zeventig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfendertig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W. Foppen, in tegenwoordigheid van mr. G.H. Smeitink als griffier.