Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0858

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-04-2011
Datum publicatie
11-04-2011
Zaaknummer
24-001284-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenmalig verkoop van gebruikershoeveelheid cocaïne. Geldboete passend en geboden. Ivm onredelijke vertraging in de afdoening van de zaak, wordt de geldboete voorwaardelijk opgelegd. Anders dan A-G, ziet het hof geen reden voor toepassing van artikel 9a Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001284-10

Parketnummer eerste aanleg: 18-080747-04

Arrest van 11 april 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 18 november 2004 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1978] te [geboorteplaats],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

niet ter terechtzitting verschenen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en heeft beslist met betrekking tot het inbeslaggenomen geldbedrag, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep. In het geval dat het hof dit standpunt niet volgt en tot een veroordeling komt, vordert de advocaat-generaal dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, verdachte schuldig zal verklaren zonder oplegging van straf.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 9 februari 2004, in de gemeente [gemeente], opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 0,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij op 9 februari 2004, in de gemeente [gemeente], opzettelijk heeft verkocht 0,142 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkoop van cocaïne. Uit de stukken blijkt dat verdachte aan een persoon een gebruikershoeveelheid cocaïne heeft verkocht. Door het plegen van dit feit heeft verdachte het gebruik van cocaïne, een stof die schadelijk is voor de volksgezondheid, bevorderd en de gezondheid van de gebruiker in gevaar gebracht.

Het hof houdt rekening met een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 19 januari 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een geldboete van € 300,-, subsidiair 6 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het slechts een eenmalige verkoop van een geringe hoeveelheid cocaïne betrof - een gebruikershoeveelheid - en overigens niet is gebleken dat verdachte zich aan omvangrijker handel in harddrugs schuldig heeft gemaakt.

Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafvordering verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van zulke bijzondere omstandigheden of zo'n gering feit dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof stelt nog vast dat verdachte gedurende een lange tijd in onzekerheid heeft verkeerd omtrent de afloop van deze zaak. Er is inmiddels sprake van een feit van meer

dan zeven jaren geleden. Ook heeft de betekening van het vonnis van de eerste rechter langdurig stilgelegen. Derhalve is naar het oordeel van het hof sprake van een onredelijke vertraging in de afdoening van de zaak. Het hof zal de straf die op zijn plaats wordt geacht van een geldboete van € 300,- daarom voorwaardelijk opleggen.

Teruggave

Aangezien op grond van het dossier onduidelijkheid bestaat of de officier van justitie heeft beslist tot teruggave ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag en of het (correcte) in beslag genomen geldbedrag aan verdachte is teruggegeven, zal het hof - nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet - de teruggave gelasten aan de verdachte van het in beslag genomen geldbedrag ad € 82,-.

Verbeurdverklaring

Het door het hof verbeurd te verklaren geldbedrag van € 10,- is daarvoor vatbaar, nu dat geldbedrag geheel door middel van het bewezen verklaarde feit is verkregen en uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat dat geldbedrag aan verdachte toebehoort.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en

de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van driehonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zes dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

gelast de teruggave aan verdachte van € 82,-;

verklaart verbeurd € 10,-.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. P.W.J. Sekeris en mr. W. van Houtum, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Kuiper als griffier, zijnde mr. W. van Houtum buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.