Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0826

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
11-04-2011
Zaaknummer
200.073.011/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2007:BB3977, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Saniet is huurder van een bedrijfspand. In geschil is of de verschuldigde huurpenningen een boedelschuld zijn, omdat er sprake zou zijn van een bedrijfsactiviteit, dan wel omdat de schuld door toedoen van de bewindvoerder is ontstaan dan wel omdat de boedel door de huurovereenkomst is gebaat.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 24
Faillissementswet 302
Faillissementswet 311
Faillissementswet 313
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2012/194
RVR 2011/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 15 februari 2011

Zaaknummer 200.073.011/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[curator],

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

[gefailleerde], wonende te [adres],

wonende te [adres],

appellant in het principaal en verweerder in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: (opvolgend) eiser in conventie, verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna te noemen: de curator,

advocaat: mr. S.L. Elzinga, kantoorhoudende te Heerenveen,

tegen

Troostwijk Waardering en Advies B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna te noemen: Troostwijk,

advocaat: mr. R.L.J. Gustenhoven, kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 8 juni 2010 gewezen tussen [bewindvoerder] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in de wettelijke schuldsanering van [gefailleerde] als eiser in het principaal appel en verweerder in het incidenteel appel en Troostwijk als geïntimeerde in het principaal appel en appellante in het incidenteel appel wordt hier overgenomen.

Nu de memorie van grieven is genomen door de bewindvoerder, zal het hof bij de bespreking van de grieven bij die benaming aansluiten.

Het verdere procesverloop

De curator heeft bij exploot van 17 augustus 2010 verklaard dat voornoemd geding tussen [bewindvoerder] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in de wettelijke schuldsanering van [gefailleerde], ten aanzien van wie de betrekkingen waarin hij het geding voerde zijn opgehouden te bestaan doordat de schuldsaneringsregeling van [gefailleerde] tussentijds is geëindigd nu [gefailleerde] op 2 september 2008 in staat van faillissement is verklaard met benoeming van mr. [X] tot curator, en Troostwijk wordt hervat en Troostwijk opgeroepen ter zitting van het hof van dinsdag 7 september 2010 te verschijnen teneinde het geding in de stand waarin het zich tijdens de schorsing bevond, te hervatten.

De curator heeft vervolgens een akte genomen en gevorderd om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:

in het principaal appel:

het vonnis, op 19 september 2007 onder zaak- en rolnummer 209315 CV EXPL 06-1689 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Sneek, tussen partijen gewezen in reconventie, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vordering van Troostwijk in reconventie alsnog af te wijzen, primair voor zover deze een bedrag van € 2.766,63 te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 5 februari 2007, te boven gaat en subsidiair, voor zover deze een bedrag van € 10.155,74 te boven gaat, met veroordeling van Troostwijk in de kosten van het geding in beide instanties.

in het incidenteel appel:

het vonnis waarvan beroep, zo nodig onder verbetering van de gronden, te bevestigen en Troostwijk te veroordelen aan de bewindvoerder te betalen een bedrag van

€ 10.790,32 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van

€ 10.505,00 vanaf 21 maart 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Troostwijk in de kosten van het geding in beide instanties.

Troostwijk heeft vervolgens een antwoordakte genomen.

Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De beoordeling

Ten aanzien van de feiten

1. Ten aanzien van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1. tot en met 2.8. van genoemd vonnis is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Het hof zal die feiten herhalen, aangevuld met enige feiten die in hoger beroep tevens als vaststaand hebben te gelden.

1.1. [gefailleerde] heeft onder de naam “Royal Keukens” aan [adres] een keukenzaak geëxploiteerd. [gefailleerde] huurde de hiervoor genoemde panden met ingang van 1 juli 1999 van de besloten vennootschap [naam] Advies & Beheer B.V. en later van [verhuurder] (hierna: [verhuurder]). De huurprijs voor deze panden bedroeg in 2006 € 1.949,22 per maand. [gefailleerde] was al voor juli 2006 met de betaling van de huurpenningen in gebreke. [gefailleerde] heeft in juni 2006 de bedrijfsvoering gestaakt.

1.2. Bij overeenkomst van 27 juni 2006 heeft [gefailleerde] door tussenkomst van Troostwijk aan Friesland Bank N.V. (hierna: Friesland Bank) zijn machines, inventaris en voorraden in vuistpand gegeven. Om te voorkomen dat de roerende zaken door het afvoeren beschadigd zouden worden, heeft [gefailleerde] aan Troostwijk met ingang van 27 juni 2006 het pand aan [adres] verhuurd tegen een huurprijs van € 55,00 per dag exclusief BTW. Daarbij is overeengekomen dat de huursom van de eerste 30 dagen zal worden verrekend met het openstaande saldo van Friesland Bank.

1.3. Bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 4 juli 2006 is aan [gefailleerde] surseance van betaling verleend. Bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 17 augustus 2006 is op [gefailleerde] de definitieve schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard met benoeming van [bewindvoerder] tot bewindvoerder (hierna: de bewindvoerder).

1.4. De bewindvoerder heeft bij brief van 24 augustus 2006 aan Friesland Bank de huurovereenkomst van het pand aan [adres] opgezegd. Toen het de bewindvoerder gebleken was, dat Friesland Bank geen huurder van dit pand was, heeft hij bij brief van 8 november 2006 aan Troostwijk de huur tegen 1 maart 2007 opgezegd.

1.5. Tijdens de surseance van betaling en de wettelijke schuldsaneringsregeling is de huur niet aan [verhuurder] betaald. [verhuurder] heeft zijn vordering op [gefailleerde] ter zake van niet betaalde huur over de periode vanaf 1 juli 2006 aan Troostwijk verkocht. Van deze overdracht is op 1 februari 2007 een akte van cessie opgemaakt die op 5 februari 2007 is herzien. De cessie van 1 februari 2007 is bij brief van 2 februari 2007 aan de bewindvoerder meegedeeld. Troostwijk heeft in deze brief tevens een beroep gedaan op verrekening van de vordering van de bewindvoerder op haar met haar vordering op de boedel. Troostwijk heeft nadien ook van de herziene akte aan de bewindvoerder mededeling gedaan.

1.6. De huurovereenkomst met Troostwijk is per 2 februari 2007 door schriftelijke opzegging aan de bewindvoerder geëindigd. De sleutels van het gehuurde zijn aan de bewindvoerder overhandigd.

1.7. De huurovereenkomst met [verhuurder] is als gevolg van de opzegging door [verhuurder] op 28 februari 2007 geëindigd.

1.8. De schuldsaneringsregeling ten aanzien van [gefailleerde] is op 2 september 2008 tussentijds beëindigd en [gefailleerde] is bij vonnis van dezelfde datum in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. [X] tot curator.

1.9. [verhuurder] had over de periode tot en met 3 juli 2006 een concurrente vordering op de boedel van € 141,48 en over de periode van 4 juli tot en met 16 augustus 2006 een boedelvordering van € 2.074,98. De aan [verhuurder]/Troostwijk over de periode van 17 augustus 2006 tot en met 28 februari 2007 verschuldigde huur bedraagt € 12.638,49.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2. De bewindvoerder heeft bij exploot van 28 november 2006 gevorderd - verkort weergegeven - Troostwijk te veroordelen aan hem te betalen:

a) een bedrag van € 5.335,00 vermeerderd met de wettelijke handelsrente en

b) een bedrag van € 55,00 per dag vanaf 1 december 2006 totdat de huurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, uiterlijk 1 maart 2007

met veroordeling van Troostwijk in de kosten van de procedure.

De bewindvoerder heeft zijn vordering gegrond op nakoming van de tussen [gefailleerde] en Troostwijk gesloten huurovereenkomst.

2.1. Troostwijk heeft in conventie de vordering betwist en in voorwaardelijke reconventie gevorderd - verkort weergegeven - de bewindvoerder te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 15.405,12 althans een bedrag van € 2.766,63 met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van de procedure.

Troostwijk heeft ter onderbouwing van haar vordering aangevoerd dat zij ter zake van de huur tot en met 3 juli 2006 een concurrente vordering op [gefailleerde] heeft en dat de vanaf 4 juli 2006 verschuldigde huur een boedelvordering is. Troostwijk heeft in hoger beroep zijn vordering vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de huurtermijnen vanaf 4 juli 2006 tot en met 28 februari 2007.

2.2. De bewindvoerder heeft de vordering in reconventie betwist.

2.3. De kantonrechter heeft in genoemd vonnis van 19 september 2007 in conventie Troostwijk veroordeeld om aan de bewindvoerder te betalen het bedrag van

€ 10.790,32 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over het bedrag van

€ 10.505,00 vanaf 21 maart 2007 tot de dag der voldoening en met veroordeling van Troostwijk in de kosten van de procedure. In reconventie is de bewindvoerder veroordeeld om aan Troostwijk een bedrag van € 15.405,12 te betalen met veroordeling van de bewindvoerder in de proceskosten.

Met betrekking tot de grieven

1. De bewindvoerder heeft met de grieven 1, 2 en 3 in principaal appel betoogd dat de door [gefailleerde] aan [verhuurder] over de periode van 17 augustus 2006 tot en met 28 februari 2007 verschuldigde huurpenningen geen boedelschuld zijn.

De bewindvoerder heeft ter toelichting aangevoerd dat er geen wettelijke bepalingen zijn die deze huurschuld als boedelschuld aanwijzen. Ook heeft de bewindvoerder geen handelingen (doen of nalaten) namens de boedel verricht die deze huurpenningen tot een boedelschuld maken. De boedel is evenmin aansprakelijk op grond van het bepaalde in art. 298 oud van de Faillissementswet (verder Fw.) omdat de vordering niet voortvloeit uit een verbintenis van [gefailleerde] die is ontstaan na de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bovendien is de boedel niet gebaat door de verbintenis tussen [gefailleerde] en [verhuurder].

2. Het hof overweegt alvorens de grieven te behandelen, dat de procedure in eerste aanleg en aanvankelijk ook in hoger beroep tussen de bewindvoerder en Troostwijk is gevoerd. De curator heeft de procedure na het faillissement van [gefailleerde] voortgezet en zich achter het standpunt van de bewindvoerder geschaard. Hiervoor heeft het hof al overwogen dat ter wille van de leesbaarheid bij de behandeling van de grieven de bewindvoerder als partij zal worden aangemerkt.

3. Vast staat dat de huurovereenkomst tussen [verhuurder] en [gefailleerde] ten tijde van de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling op [gefailleerde] nog bestond. Uit art. 305 Fw. volgt dat na de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling huurovereenkomsten doorlopen en dat de huurprijs door de huurder/saniet moet worden betaald. In genoemd wetsartikel wordt op dat punt geen onderscheid gemaakt tussen een huurovereenkomst van woonruimte en die van bedrijfsruimte. Dat betekent dat ook de huurprijs voor bedrijfsruimten door de saniet moet worden voldaan en dat huurschulden – tenzij er sprake is van een voortzetting van het bedrijf als bedoeld in art. 311 lid 1 Fw. – geen boedelschulden zijn.

4. Troostwijk heeft gesteld dat er in het onderhavige geval van een voorzetting van het bedrijf sprake is geweest nu [gefailleerde] het pand heeft onderverhuurd. Deze onderhuur vormde volgens Troostwijk de bedrijfsactiviteit van [gefailleerde].

Het hof overweegt dat uit de overeenkomst van 27 juni 2006 blijkt dat Troostwijk en [gefailleerde] de huurovereenkomst zijn aangegaan ter voorkoming van schade die mogelijk zou ontstaan wanneer de roerende zaken die door Friesland Bank in vuistpand waren genomen, zouden moeten worden afgevoerd. De overeenkomst strekte primair ten voordele van Friesland Bank en in enigerlei mate ook ten voordele van [gefailleerde]. Beiden hadden in elk geval belang bij een zo hoog mogelijke opbrengst in geval van een verkoop van de roerende zaken. Gelet op deze feiten kan niet als juist worden aanvaard dat er - ondanks het feit dat [gefailleerde] de bedrijfsvoering van zijn keukenzaak had gestaakt - er toch sprake is geweest van een voortzetting van het bedrijf als bedoeld in art. 311 lid 1 Fw. en dat de huurschuld aan [verhuurder] op die grond een boedelschuld is.

5. Tussen partijen is verder in geschil of de schuld aan [verhuurder] door toedoen van de bewindvoerder is ontstaan waardoor er sprake zou zijn van een boedelschuld. Volgens Troostwijk bestaat dat "toedoen" er in dat de bewindvoerder bewust heeft besloten de huurovereenkomst met [verhuurder] nog niet op te zeggen. Niet ter discussie staat het "toedoen" van de bewindvoerder niet is gelegen in het door de bewindvoerder verrichten van een rechtshandeling Het hof is van oordeel dat het niet opzeggen van de huurovereenkomst door de bewindvoerder aan [verhuurder] niet als een "toedoen" van de bewindvoerder moet worden aangemerkt die maakt dat de niet betaalde huurpenningen een boedelschuld zijn. Een dergelijke uitleg past niet in het systeem van de wet. Art. 305 lid 3 Fw. biedt de verhuurder de mogelijkheid om, indien tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling de huur niet wordt betaald, de overeenkomst met inachtneming van een termijn van ten hoogste drie maanden op te zeggen. Het hof overweegt daarbij nog dat er geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan [verhuurder] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de huurpenningen na de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling op [gefailleerde] (door de boedel dan wel door [gefailleerde]) zouden worden voldaan. De huur was tijdens de surseance van betaling immers ook niet betaald. [verhuurder] had zijn schade derhalve kunnen beperken door de huurovereenkomst eerder dan hij heeft gedaan op te zeggen. Om hem moverende redenen heeft hij daarvan kennelijk afgezien.

6. Partijen hebben verder gedebatteerd over de vraag of er geen sprake is van een verbintenis van [gefailleerde] in de zin van art. 298 oud Fw. en of de boedel door de huurovereenkomst tussen [verhuurder] en [gefailleerde] is gebaat als bedoeld in art. 298 oud Fw. omdat [gefailleerde] het pand alleen aan Troostwijk kon verhuren dankzij het bestaan van de huurovereenkomst met [verhuurder]. Deze regel is thans vastgelegd in art. 24 jo art. 313 Fw.

7. Het hof overweegt dat [gefailleerde] de huurovereenkomst met [verhuurder] heeft gesloten voordat aan hem ([gefailleerde]) surseance van betaling is verleend en op hem (aansluitend) de definitieve schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard. Dat neemt niet weg dat de na de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling opeisbaar geworden huurtermijnen als ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst nog toekomstige vorderingen - verbintenissen zijn die na die uitspraak zijn ontstaan in de zin van art. 298 oud Fw. Waar het nu nog om gaat, is of de boedel door deze inkomsten is gebaat. Hiervoor is al overwogen dat huurovereenkomsten in beginsel niet onder de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling vallen en dat de huurschuld geen boedelschuld is. Het gebruik van het gehuurde door de saniet, in casu [gefailleerde], is daarmee geen "baat" in de zin van art. 298 oud Fw. Dat is niet anders als het gebruik bestaat in onderverhuur. Het hof heeft bij hetgeen hiervoor is overwogen in aanmerking genomen dat de huurovereenkomst niet is aangegaan in het kader van de vereffening van de boedel. [verhuurder] is dan ook geen toevallige derde die bij de vereffening van de boedel werd betrokken.

8. Troostwijk heeft bij de onderbouwing van haar stelling dat de schuld als een boedelschuld moet worden aangemerkt ten slotte nog gewezen op het bepaalde in art. 247c sub b Fw. Het hof overweegt dat deze stelling van Troostwijk niet op gaat. In dit wetsartikel is immers geregeld dat boedelschulden die tijdens de surseance zijn ontstaan - zoals in dit geval de huurschuld van [gefailleerde] aan [verhuurder] - ook in de schuldsaneringsregeling als boedelschulden hebben te gelden. Daaruit volgt echter niet dat deze regel ook van toepassing is op nieuwe schulden in het geval deze hun oorsprong vinden in een vóór de surseance gesloten huurovereenkomst.

9. Het hof overweegt volledigheidshalve nog dat op grond van het bepaalde in art. 359

1 sub c Fw. nieuwe schulden die gedurende de toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn ontstaan, niet zijnde boedelschulden, in het nadien uitgesproken faillissement van [gefailleerde] als verifieerbare schulden gelden. De omzetting van de toepassing van de schuldsanerings-regeling in het faillissement van [gefailleerde] leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

10. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vanaf 17 augustus 2006 aan [verhuurder] verschuldigde huurpenningen geen boedelschuld vormen.

11. Nu [gefailleerde] in dit geding geen partij is, kan niet worden ingegaan op de gevolgen van dit oordeel voor [gefailleerde]. Bovendien maakt het enkele feit dat het oordeel dat de huurschuld aan [verhuurder] vanaf de aanvang van de schuldsaneringsregeling geen boedelschuld is en dat dit oordeel [gefailleerde] mogelijk hard treft, niet dat de huurschuld aan Troostwijk als een boedelschuld moet worden aangemerkt. Volledigheidshalve wordt nog overwogen dat de privé schulden van [gefailleerde] alsnog onder het faillissement vallen.

12. De grieven 1 tot en met 3 slagen derhalve.

13. Nu deze grieven slagen, behoeft de voorwaardelijk door de bewindvoerder/curator ingestelde grief 4 in principaal appel geen behandeling.

14. Troostwijk heeft met de grieven I tot en met III in het incidenteel appel de verrekening van haar vordering op de boedel met de vordering van de bewindvoerder op haar ter discussie gesteld.

15. Nu hiervoor is overwogen dat de over de periode van 17 augustus 2006 tot en met 28 februari 2007 aan Troostwijk verschuldigde huur ad € 12.638,49 geen boedelschuld is, komt deze vordering uit dien hoofde niet voor verrekening met de vordering van de boedel op Troostwijk in aanmerking.

Vast staat dat de door [gefailleerde] verschuldigde huur over de periode van 4 juli 2006 tot en met 16 augustus 2006 ad € 2.766,63 wel een boedelschuld is en ook dat Troostwijk deze vordering van [verhuurder] op [gefailleerde] na de aanvang van de surseance van betaling heeft overgenomen. De bewindvoerder heeft in dat kader verwezen naar het bepaalde in art. 235 lid 2 Fw.

Het hof overweegt dat art. 234 Fw. volgt uit het bepaalde in art. 53 Fw. zoals ook art. 235 lid 2 Fw. volgt uit art. 54 Fw. Het bepaalde in de artikelen 53 en 54 Fw. ziet op concurrente en niet op boedelvorderingen. Zo ziet ook het bepaalde in de artikelen 234 en 235 Fw. op vorderingen ten aanzien waarvan de surseance werkt (kort gezegd: concurrente vorderingen) en niet op boedelvorderingen. Nu niet is gesteld of gebleken dat Troostwijk door het overnemen van de vordering van [verhuurder] op [gefailleerde] onrechtmatig jegens medeboedelschuldeisers heeft gehandeld, heeft Troostwijk ten aanzien van deze vordering terecht een beroep op verrekening gedaan.

16. De grieven I tot en met III slagen derhalve voor zover zij betrekking hebben op de vordering ad € 2.766,63 maar falen voor zover zij zien op de vordering ad € 12.638,49.

17. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het in conventie door Troostwijk gevoerde verweer voor zover dit ziet op genoemd bedrag van € 2.766,63 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente door het hof zal moeten worden behandeld.

18. Hiervoor is al overwogen dat Troostwijk tot het bedrag van € 2.766,63 op goede gronden een beroep heeft gedaan op verrekening van de door de bewindvoerder gepretendeerde vordering met haar vordering op de boedel. Op grond van art. 6: 127 BW zijn door de hiervoor onder 1.5 genoemde brief van Troostwijk van 2 februari 2007 beide verbintenissen tot laatstgenoemd bedrag teniet gegaan. De vordering van de bewindvoerder op Troostwijk bedroeg in hoofdsom € 10.505,00 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de vanaf 27 juli 2006 verschuldigd geworden huurtermijnen. Deze rente bedroeg volgens de bewindvoerder vanaf de dag van de verschuldigdheid van de huurpenningen tot en met 20 maart 2007 € 285,32. De vordering van de curator kan derhalve worden toegewezen tot het bedrag van

€ 10.505,00 - € 2.766,63 ofwel € 7.738,37 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de met ingang van 27 juli 2006 verschuldigd geworden huurtermijnen tot 2 februari 2007 en over het bedrag van € 7.738,37 vanaf 2 februari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening.

Nu de vordering van Troostwijk ad € 2.766,63 op 2 februari 2007 door verrekening is teniet gegaan, dient haar vordering met betrekking tot de wettelijke handelsrente over dit bedrag als ongegrond te worden afgewezen. De over het bedrag van € 12.638,49 gevorderde wettelijke handelsrente volgt het lot van deze vordering.

De slotsom.

19. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het vonnis in reconventie waarvan principaal beroep dient te worden vernietigd en dat de vordering van Troostwijk alsnog zal worden afgewezen.

Troostwijk zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in het principaal appel.

20. Het vonnis in conventie waarvan incidenteel beroep dient eveneens te worden vernietigd voor zover in dit vonnis bij de vaststelling van het door Troostwijk aan de boedel verschuldigde bedrag voor het bedrag van € 2.766,63 geen rekening is gehouden met het door Troostwijk gedane beroep op verrekening.

Nu beide partijen in het incidenteel appel over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in het incidenteel hoger beroep worden gecompenseerd in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal appel

vernietigt het vonnis in reconventie waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van Troostwijk af;

veroordeelt Troostwijk in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator:

in eerste aanleg op nihil aan verschotten en € 600,00 aan geliquideerd salaris voor de advocaat,

in hoger beroep in het principaal appel op € 325,32 aan verschotten en € 1.788,00 aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel appel

vernietigt het vonnis in conventie waarvan beroep voor zover Troostwijk in dit vonnis is veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 10.790,32 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 10.505,00 vanaf 21 maart 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Troostwijk om aan de curator te betalen het bedrag van € 7.738,37 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de met ingang van 27 juli 2006 verschuldigde geworden huurtermijnen tot 2 februari 2007 en over het bedrag van

€ 7.738,37 vanaf 2 februari 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep zal dragen.

Aldus gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, H. de Hek en M.C.D. Boon-Niks,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 15 februari 2011 in bijzijn van de griffier.