Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0647

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
200.022.688/01 eindarrest
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest na tussenarrest waarin is beslist over de inschaling van werknemers. Het gaat nu om de hoogte van de vorderingen. Gelet op het tijdsverloop en belang van de werknemers bij het achterstallig loon wordt het verzoek van de werkgever om het arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 29 maart 2011

Zaaknummer 200.022.688/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in voorwaardelijke reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. S.G.M. van Veldhuizen, kantoorhoudende te Woerden,

tegen

Privateer Yachts B.V.,

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: Privateer Yachts,

advocaat: mr. D. Kuijken, kantoorhoudende te Groningen.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 7 december 2010 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ter voldoening aan genoemd arrest hebben [appellanten] een akte genomen en gevorderd:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het aangevallen vonnis te vernietigen, voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van de loonvordering van [appellanten] en Privateer Yachts te veroordelen tot:

- betaling aan [appellant 1] van een bedrag aan loon van € 10.384,59 bruto;

- betaling aan [appellant 2] van een bedrag aan loon van € 1.424,52 bruto;

- betaling aan [appellant 3] van een bedrag aan loon van € 7.858,11 bruto;

- betaling van de wettelijke verhoging ex art. 7: 625 BW van 50% aan respectievelijk [appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3] over bovenstaande bedragen;

- betaling van de wettelijke rente aan [appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3] over de hiervoor gevorderde bedragen, vanaf de dag na de vervaldag van elk door Privateer Yachts verschuldigde betalingen tot de dag der algehele voldoening;

- betaling van de proceskosten in beide instanties."

Privateer Yachts heeft een antwoordakte genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. [appellant 1] en [appellant 3] hebben naar aanleidingen van de overweging van het hof in genoemd arrest van 7 december 2010 hun loonvorderingen verminderd.

[appellanten] hebben daartoe onder meer gesteld dat de vordering van [appellant 3] betrekking heeft op de periode vanaf 17 februari 2003, dat deze vordering dus nog niet was verjaard en daarmee op het oorspronkelijke bedrag kan worden gehandhaafd.

2. Privateer Yachts heeft in haar antwoordakte gesteld dat zij niet behoefde te verwachten dat het hof zo welwillend met de memorie van grieven zou omgaan als het hof heeft gedaan. Nu het hof in de memorie van grieven een verholen grief heeft gelezen, had Privateer Yachts in de gelegenheid moeten worden gesteld daarop te reageren. Het hof dient Privateer Yachts alsnog in de gelegenheid te stellen om op de wijze als bedoeld in art. 8 van de HISWA CAO (hierna: de CAO) aan te geven welke werkzaamheden [appellanten] verrichtten en op welke wijze inschaling had moeten plaats vinden. Privateer Yachts biedt aan deze beschrijving alsnog in het geding te brengen. Ook biedt Privateer Yachts bewijs van haar stellingen aan. Indien Privateer Yachts daartoe niet wordt toegelaten, dient het arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te worden verklaard omdat Privateer Yachts in dat geval cassatie wil instellen.

Privateer Yachts heeft voorts aangevoerd dat de berekening van de vordering van [appellant 3] niet juist is. [appellant 3] is aangenomen als leerling-timmerman. Hoewel [appellant 3] bij zijn indiensttreding geen enkele ervaring had, heeft [appellant 3] daarmee in zijn berekening geen rekening gehouden. De door [appellant 3] gestelde referentiefunctie is niet correct. De functie van meubelmaker met functiegroep IV is een functiegroep voor ervaren meubelmakers en dat was [appellant 3] bij indiensttreding niet en ook in de jaren nadien niet. In elk geval dient bij de berekening van de vordering geen rekening te worden gehouden met het door hem gestelde tekort over de periode februari tot en met juli 2003.

Privateer Yachts heeft ten slotte verweer gevoerd tegen de door [appellanten] gevorderde wettelijke verhoging. In elk geval dient deze te worden gematigd tot niet meer dan 25%. Ten tijde van het ontstaan van de vorderingen verkeerden partijen in de veronderstelling dat de CAO niet van toepassing was. [appellanten] hebben eerst eind 2004 gesteld dat dit wel het geval is. Privateer Yachts heeft de CAO vervolgens met ingang van 1 januari 2005 toegepast.

3. Het hof heeft in genoemd tussenarrest van 7 december 2010 naar aanleiding van de verholen grief van [appellanten] overwogen dat Privateer Yachts in haar memorie van antwoord op deze verholen grief is ingegaan. Vervolgens heeft het hof deze grief van [appellanten] behandeld en in r.o. 3.7. overwogen dat van de juistheid van de stellingen van [appellanten] omtrent de juiste functiewaardering en inschaling van [appellant 1], [appellant 3] en [appellant 2] moet worden uitgegaan. Het hof ziet in hetgeen Privateer Yachts in haar antwoordakte heeft aangevoerd geen aanleiding om terug te komen op hetgeen in genoemd tussenarrest dienaangaande zonder enig voorbehoud is overwogen en beslist. Privateer Yachts zal derhalve niet meer in de gelegenheid worden gesteld om een beschrijving van de door [appellanten] verrichte werkzaamheden als bedoeld in art. 8 van de CAO in het geding te brengen en/of alsnog worden toegelaten tot het leveren van bewijs van haar stellingen omtrent de juiste functiewaardering en/of inschaling van [appellanten] met dien verstande dat het hof nog terugkomt op het nog niet behandelde verweer van Privateer Yachts met betrekking tot de inschaling van [appellant 3] gedurende de periode van februari tot en met juli 2003.

4. [appellanten] zijn in grief 1 opgekomen tegen de overweging van de kantonrechter dat de vorderingen van [appellanten] niet kunnen worden toegewezen omdat op basis van het feitelijk geleverde bewijs niet vast te stellen zou zijn welke werkzaamheden door hen feitelijk zijn verricht en ook niet in welke functieklasse zij zouden moeten worden ingedeeld.

5. Het hof overweegt dat, nu de verholen grief van [appellanten] omtrent de aan hen gegeven bewijsopdracht slaagt, en het door Privateer Yachts gedane beroep op verjaring eveneens doel heeft getroffen, thans beoordeeld moet worden of de loonvorderingen van [appellanten], zoals deze na de vermindering van eis luiden, kunnen worden toegewezen.

6. [appellant 1] heeft zijn loonvordering verminderd tot het bedrag van € 10.384,59 bruto en [appellant 2] tot het bedrag van € 1.424,52 bruto. Nu Privateer Yachts tegen deze verminderde loonvorderingen geen verweer heeft gevoerd, kunnen deze worden toegewezen.

7. [appellant 3] heeft zijn loonvordering gehandhaafd op het bedrag van € 7.858,11 bruto. Het hof overweegt dat de vordering [appellant 3] betrekking heeft op de periode van 17 februari 2003 tot 1 januari 2005. De vordering van [appellant 3] is dus - anders dan het hof in r.o. 3.11. in zijn tussenarrest van 7 december 2010 heeft overwogen - niet voor een gedeelte verjaard.

8. Privateer Yachts heeft tegen de vordering van [appellant 3] verweer gevoerd. Gelet op hetgeen het hof hiervoor in r.o. 3 heeft overwogen, moet worden uitgegaan van de door [appellant 3] gestelde feiten aangaande de functiewaardering en inschaling met dien verstande dat Privateer Yachts zowel in het geding in eerste aanleg als in hoger beroep onbetwist heeft gesteld dat de door [appellant 3] opgegeven referentiefunctie van meubelmaker met functiegroep IV niet passend is omdat dit een functie is voor ervaren meubelmakers en dat [appellant 3] dit in 2003 niet was. Het hof overweegt dat uit bijlage II bij de CAO blijkt dat een ervaren meubelmaker in salarisklasse IV wordt ingedeeld (zie r.o. 1.12. arrest van het hof van 7 december 2010). Uit de door [appellant 3] opgestelde beschrijving van zijn werkzaamheden (overgelegd ter gelegenheid van de comparitie van partijen op 5 september 2007) blijkt verder dat hij in 2003 geen ervaren meubelmaker was. Op de loonvordering van [appellant 3] die voor het overige niet is betwist, moet dan ook het door Privateer Yachts vermelde bedrag van € 2.050,00 in mindering worden gebracht zodat de vordering tot het bedrag van € 5.808,11 (€ 7.858,11 - € 2.050,00) zal worden toegewezen.

9. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat grief 1 met verbetering van de gronden slaagt.

10. Het hof overweegt volledigheidshalve dat Privateer Yachts in het geding in eerste instantie geen verweren tegen de loonvorderingen van [appellanten] heeft aangevoerd, die nog niet zijn behandeld.

11. Het hof overweegt aangaande het verweer van Privateer Yachts over de door [appellanten] gevorderde wettelijke verhoging dat art. 7: 625 BW een sanctie stelt op het niet tijdig betalen van het loon. Er is onvoldoende gesteld om deze sanctie tot nihil te matigen. Wel is het hof van oordeel dat gelet op de omstandigheden van het geval de wettelijke verhoging moet worden beperkt tot 10% over het achterstallige salaris van [appellanten]

12. De gevorderde wettelijke rente kan als niet betwist worden toegewezen.

De slotsom

13. Het vonnis in reconventie waarvan beroep dient te worden vernietigd. De vorderingen van [appellanten] worden toegewezen tot de bedragen als hiervoor overwogen.

14. Privateer Yachts heeft verweer gevoerd tegen de vordering van [appellanten] dat het arrest uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. Zij wil tegen het (tussen)arrest cassatie instellen.

15. Het hof overweegt dat er in beginsel geen belemmeringen bestaan om het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Bij de beoordeling van de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad moeten de belangen van partijen in het licht van de omstandigheden van het geval worden afgewogen. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijv. in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient daarbij in de regel buiten beschouwing te blijven. Zie HR 29-11-1996 NJ 1997, 684, LJN ZC2215.

16. Het hof overweegt dat het in deze zaak gaat om loonvorderingen die betrekking hebben op de periode van 29 maart 2001 ([appellant 1] en [appellant 2]) dan wel 17 februari 2003 ([appellant 3]) tot 1 oktober 2004 ([appellant 2]) dan wel tot 1 januari 2005 ([appellant 1] en [appellant 3]). Het belang van Privateer Yachts om cassatie in te stellen weegt niet op tegen het belang van [appellanten] om het te weinig betaalde loon over een periode die al geruime tijd achter hen ligt, te ontvangen. Het arrest zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

17. Privateer Yachts zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties. Het geliquideerd salaris van de gemachtigde in het geding in eerste aanleg zal worden gesteld op 7 punten à

€ 400,00 per punt en het geliquideerd salaris van de advocaat in het geding in hoger beroep op 1,5 punt tariefgroep III.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis in reconventie waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Privateer Yachts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

- aan [appellant 1] een bedrag van € 10.384,59 bruto te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en de wettelijke rente vanaf de dag na de vervaldag van elke door Privateer Yachts verschuldigde betaling tot de dag der algehele voldoening;

- aan [appellant 2] een bedrag van € 1.424,52 bruto te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en de wettelijke rente vanaf de dag na de vervaldag van elke door Privateer Yachts verschuldigde betaling tot de dag der algehele voldoening;

- aan [appellant 3] een bedrag van € 5.808,11 bruto te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en de wettelijke rente vanaf de dag na de vervaldag van elke door Privateer Yachts verschuldigde betaling tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Privateer Yachts in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten]:

in eerste aanleg op € 285,64 aan verschotten en € 2.800,00 aan geliquideerd salaris voor de gemachtigde;

in hoger beroep op € 339,44 aan verschotten en € 1.737,00 aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. M.E.L. Fikkers, H. de Hek en M.C.D. Boon-Niks, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 29 maart 2011 in bijzijn van de griffier.