Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0619

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
200.012.599/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Onderwijsovereenkomst. Algemene voorwaarden. Opzegging. Restitutie lesgelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 29 maart 2011

Zaaknummer 200.012.599/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,

voor wie gepleit heeft mr. R.H. Kuiper, advocaat te Zoetermeer,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te Groningen,

hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te Groningen,

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in voorwaardelijke reconventie,

hierna gezamenlijk in enkelvoud te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. P.W. Huitema, kantoorhoudende te Groningen, die ook gepleit heeft.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 2 mei 2007 en 28 mei 2008 door de rechtbank Assen, hierna te noemen de rechtbank.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 13 augustus 2008 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het genoemde vonnis van 28 mei 2008, hierna te noemen het beroepen vonnis, met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 2 september 2008.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

'Het vonnis van 28 mei 2008, door de rechtbank te Assen, sector civiel recht, tussen partijen op tegenspraak gewezen onder rolnummer 60366/HA ZA 07-80, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zonodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te vernietigen, althans vernietigd te verklaren als onredelijk bezwarend de bedingen als vermeld in artikel 4.1. en 4.2. van de tussen partijen gesloten leerovereenkomst;

2. te verklaren voor recht dat geïntimeerden toerekenbaar tekort zijn geschoten jegens appellant in de nakoming van de tussen partijen gesloten leerovereenkomst;

3. de tussen partijen gesloten leerovereenkomst te ontbinden, althans ontbonden te verklaren;

4. geïntimeerden hoofdelijk, des dat de één betalende de andere bevrijd zal zijn, te veroordelen om aan appellant tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van € 106.580,-, althans een zodanig bedrag als rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 79.412,- vanaf 13 juli 2004, althans met ingang van de dag van dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van algehele voldoening en de wettelijke rente over € 27.168,-- vanaf 18 mei 2006, althans vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der algehele voldoening;

5. geïntimeerden te veroordelen tot betaling van de door appellant geleden en te lijden schade wegens het niet kunnen uitoefenen van het beroep van verkeersvlieger, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

6. geïntimeerden te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, de kosten van de gelegde beslagen daaronder uitdrukkelijk begrepen;'

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd met als conclusie:

'bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] [lees toegevoegd: in, hof] zijn vordering in conventie in hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren dan wel hem deze te ontzeggen, en voorts om, zonodig met aanvulling of verbetering van de gronden, het vonnis van de rechtbank Assen van 28 mei 2008 te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.'

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.

Tenslotte hebben partijen de stukken gefourneerd en heeft het hof een dag bepaald voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft vijf grieven opgeworpen.

De beoordeling

Omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep

1. [appellant] heeft als oorspronkelijk eiser in conventie de vorderingen ingesteld, zoals hij die opnieuw heeft omschreven in de hiervoor onder het opschrift 'Het geding in hoger beroep' weergegeven conclusie van de memorie van grieven. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. [appellant] komt in hoger beroep daartegen op, zodat de toewijsbaarheid van de vorderingen van [appellant] in hoger beroep opnieuw aan de orde is.

2. [geïntimeerden] heeft in eerste aanleg in reconventie na vermeerdering van eis gevorderd:

' Gedaagde in voorwaardelijke reconventie te veroordelen om aan eisers in voorwaardelijke reconventie bij wege van waardevergoeding op grond van artikel 6:271 BW jo 6:272 BW voor de door hen op grond van de leerovereenkomst verrichte werkzaamheden, alsmede de vergoeding voor het extra onderricht te voldoen een bedrag ad € 117.492,--, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen vergoeding, met veroordeling van gedaagde in voorwaardelijke reconventie in de kosten van deze procedure.'

3. De voorwaarde waaronder [geïntimeerden] de reconventionele vordering heeft ingesteld, behelst de ontbinding van de overeenkomst tussen partijen en de veroordeling van [geïntimeerden] uit dien hoofde tot terugbetaling van de door [appellant] voldane lesgelden.

4. Aangezien de voorwaarde zich in eerste aanleg niet heeft vervuld, behoefde de toewijsbaarheid van de reconventionele vordering van [geïntimeerden] - gelijk de rechtbank in rechtsoverweging 6.19 van het beroepen vonnis heeft overwogen - door haar niet te worden onderzocht.

5. Het vorenstaande betekent dat indien zich in hoger beroep de vorenstaande voorwaarde alsnog zou vervullen - of zulks het geval zal zijn, zal hierna moeten blijken -, het hof ook over de toewijsbaarheid van de vordering van [geïntimeerden] als oorspronkelijk eiseres in voorwaardelijke reconventie zal moeten oordelen.

De vaststaande feiten

6. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.21 van het beroepen vonnis, welk vonnis aan dit arrest is vastgehecht, is, behoudens ten aanzien van de vaststelling waartegen de grieven I en II zijn gericht, geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, zulks met inachtneming van hetgeen hierna met betrekking tot de grieven I en II zal worden overwogen.

7. Met grief I komt [appellant] op tegen hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld in rechtsoverweging 2.15, eerste zin, van het beroepen vonnis ('[geïntimeerden] heeft eind augustus 2003 laten weten dat [appellant] weer psychologische hulp ging zoeken'). Gelet op het debat van partijen op dit punt, houdt het hof het ervoor dat vaststaat dat [appellant] eind augustus 2003 heeft toegezegd weer psychologische hulp te gaan zoeken. Grief I is derhalve terecht opgeworpen. Of dat [appellant] zal baten, zal hierna moeten blijken.

8. Grief II is gericht tegen hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld in rechtsoverweging 2.19, tweede zin van het beroepen vonnis ('De instructeur [de instructeur] heeft op 22 november 2003 de vluchtvoorbereiding als zwaar onvoldoende beoordeeld'). [appellant] heeft in hoger beroep gesteld dat de instructeur [de instructeur] hem op 20 november 2003 in plaats van 22 november 2003 heeft beoordeeld. [geïntimeerden] heeft zulks erkend, zodat het hof ervan zal uitgaan dat bedoelde beoordeling op 20 november 2003 heeft plaats gehad. Grief II is derhalve in zoverre terecht opgeworpen. Eveneens zal hierna moeten blijken, of dat [appellant] zal baten.

9. [appellant] heeft voorts gesteld dat de beoordeling 'onvoldoende' luidde. Ter staving van zijn stelling verwijst hij naar een handgeschreven stuk waarvan het slot vermeldt 'Oordeel: Onvoldoende'. Bedoeld stuk is volgens [appellant] een handgeschreven verslag van [geïntimeerde 2]. Het stuk is als onderdeel van productie 61 bij conclusie van antwoord tevens eis in voorwaardelijke reconventie in het geding gebracht. [geïntimeerden] heeft tegengeworpen dat het eveneens als onderdeel van genoemde productie 61 uitmakende verslag van genoemde instructeur [de instructeur] aan het eind de zinsnede vermeldt: 'Kortom: deze vluchtvoorbereiding was zwaar onvoldoende.' [appellant] heeft deze met een productie gestaafde tegenwerping ter gelegenheid van de pleidooien niet meer betwist, zodat het hof van de juistheid van de bedoelde vaststelling door de rechtbank zal uitgaan. Grief II faalt derhalve in zoverre.

10. Naast de aldus als vaststaand aan te merken feiten is in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

(i) [appellant] was begin 2001 19 jaar oud.

(ii) Art 1 van de overeenkomst vermeldt:

'de Dutch Flight Academy verzorgt ten behoeve van de leerling een geïntegreerde opleiding tot verkeersvlieger volgens de [geïntimeerden] syllabus en de regelgeving zoals beschreven in JAR-FCL part. 1, met als doel de leerling zodanig op te (doen) leiden dat hij/zij naar het oordeel van de Dutch Flight Academy, in staat wordt geacht de theorie- en praktijkexamens van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, Divisie Luchtvaart voor het brevet Verkeersvlieger (ATPL-A frozen) en Beroepsvlieger (CPL-A) met de Bevoegdverklaring Blindvliegen en Meermotorige vliegtuigen (IR/MEA) af te leggen.

Het programma als bedoeld in artikel 1.1 is onderverdeeld in 4 fasen:

Fase 1 is de Propedeuse en duurt 4 weken.

Fase 2 is deel 1 Praktijk en Theorie ATP en duurt 24 weken.

Fase 3 is deel 2 Praktijk en Theorie ATP en duurt 18 weken,

Fase 4 is de voortgezette vliegopleiding en de Multi Crew Cooperation Course en duurt 19 weken.'

(iii) Art. 12 lid 1 van de overeenkomst vermeldt:

'De prijs welke de leerling verschuldigd is ter zake van de opleiding tot aan de MCC fase bedraagt EURO 79.412,- (…) of NLG 175.000,- (…).' De verschuldigdheid van dit bedrag is er met de ondertekening van deze overeenkomst.'

(iv) [geïntimeerden] heeft aan [appellant] een viertal facturen verzonden, te weten op 15 september 2001 ten belope van ƒ 43.750,--, op 6 december 2001 eveneens ten belope van ƒ 43.750,--, op 6 maart 2002 ten belope van € 19.853,-- en 18 juni 2002 eveneens ten belope van € 19.853,-- onder vermelding van eerste, tweede, derde resp. vierde termijn opleiding tot verkeersvlieger.

11. Voorts hebben partijen ter gelegenheid van de pleidooien op de vraag zijdens het hof, in welke fase de opzegging van de overeenkomst tussen partijen door [geïntimeerden] heeft plaatsgevonden, eenparig verklaard dat dit 'tussen fase 2 en 3' in was. Het hof begrijpt dat bedoelde opzegging door [geïntimeerden] is geschied, nadat [appellant] fase 2, maar voordat hij fase 3 had voltooid.

Met betrekking tot grief V:

12. Deze grief luidt als volgt:

'Ten onrechte overweegt de rechtbank dat de rechtbank ervan uitgaat dat [appellant] ook aan de rechtbank de vraag heeft willen voorleggen of [geïntimeerden] in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen de overeenkomst op te zeggen.

13. Het hof leidt uit de rechtsoverwegingen 6.5. tot en met 6.16 van het beroepen vonnis af dat de rechtbank van oordeel is dat [geïntimeerden] in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de overeenkomst op te zeggen. Uit de toelichting op de grief kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat [appellant] in hoger beroep met de grief een ontkennende beantwoording door het hof van bedoelde vraag nastreeft in plaats van het bevestigend antwoord dat in de genoemde rechtsoverwegingen van het beroepen vonnis ligt besloten, zodat [appellant] geen belang heeft bij verdere behandeling van de grief.

14. De grief faalt derhalve.

Met betrekking tot grief IV en de toelichting daarop:

15. De grief luidt als volgt:

'Ten onrechte overweegt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerden] zodanig toerekenbaar tekort is geschoten bij de nakoming van de op haar rustende verplichtingen (wanprestatie) dat dit een ontbinding van de (inmiddels al beëindigde) opleiding rechtvaardigt.'

Met deze grief komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] niet toerekenbaar tekortgeschoten is in de uitvoering van de overeenkomst.

16. Blijkens de inleidende dagvaarding is [geïntimeerden] volgens [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten in de uitvoering van de overeenkomst, omdat zij zich volstrekt onvoldoende zou hebben ingespannen om hem bij haar de opleiding te laten afronden (inleidende dagvaarding, p. 38).

17. Aangezien [appellant] [geïntimeerden] verwijt dat [geïntimeerden] zich onvoldoende heeft ingespannen, zal het hof hetgeen [appellant] ter onderbouwing van de door hem gestelde toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerden] heeft aangevoerd bezien in het licht van de door [appellant] aan [geïntimeerden] verweten onvoldoende inspanning.

18. Behoudens hetgeen het hof hierna in de rechtsoverwegingen 19 e.v. overweegt, leest het hof in de grieven en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg zijn aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing dat [geïntimeerden] niet toerekenbaar is tekortgeschoten heeft overwogen en neemt die motivering over met verbetering van een vermelding '[geïntimeerden]', waar [appellant] dient te staan (12e regel van rechtsoverweging 6.11 van het beroepen vonnis).

19. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende. In de toelichting op grief IV komt [appellant] op tegen rechtsoverweging 6.9 van het beroepen vonnis waarin de rechtbank heeft overwogen dat 'wanneer het geheel van feiten in aanmerking wordt genomen, ' vaststaat 'dat [appellant] erg veel moeite met zijn theorie heeft gehad en dat hij regelmatig vakken (herhaalde) malen moest overdoen alvorens daarop een voldoende te behalen.'

20. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] niet voldoende inzichtelijk gemaakt, in welk opzicht het oordeel van de rechtbank niet juist zou zijn, zodat het hof aan de bestrijding van hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 6.9. van het beroepen vonnis heeft overwogen, voorbij moet gaan. ' Het feit dat hij de theoretische vakken uiteindelijk heeft gehaald. doet daaraan niet af.

21. Voorts komt [appellant] op tegen rechtsoverweging 6.14 van het beroepen vonnis met de stelling dat de rechtbank ten onrechte ervan uitgaat dat de vliegverboden - al dan niet formeel - alleen gegeven zijn naar aanleiding van het niet melden door [appellant] van psychologische coaching. Wat daarvan verder ook zij, naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom gelet op zijn functioneren, [geïntimeerden] in dit opzicht zonder voldoende grond daarvoor zou hebben gehandeld.

22. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat [geïntimeerden] zich onvoldoende heeft ingespannen om hem bij haar de opleiding te laten afronden, de stelling opgeworpen dat [geïntimeerden] hem willens en wetens zou hebben tegengewerkt, ter adstructie waarvan hij verklaringen van [X] en [Y] in de memorie van grieven heeft aangehaald (nr. 55 en 56). Het hof acht deze verklaringen behoudens het hierna volgende te weinig geconcretiseerd om te kunnen dienen als voldoende onderbouwing van de stelling van [appellant] dat [geïntimeerden] zich onvoldoende heeft ingespannen om hem bij haar de opleiding te laten afronden. Aan het relaas van [X] dat [geïntimeerde 2] bij het afnemen van de mondelinge tests door de chef-vlieger ging zitten met de wetenschap dat [appellant] daar erg zenuwachtig van werd, terwijl ze hoopte dat hij zou falen, gaat het hof voorbij, omdat niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde 2] zich tijdens het afnemen van deze tests onheus tegenover [appellant] heeft gedragen. Ook als andere studenten bij de praktijklessen voorgingen, zoals [appellant] heeft opgeworpen, betekent dit naar het oordeel van het hof nog niet dat [geïntimeerden] [appellant] zou hebben tegengewerkt.

23. Gelet op het hiervoor overwogene, moet het hof voorbijgaan aan het gedane bewijsaanbod.

24. De grief treft evenmin doel.

Met betrekking tot grief III:

25. Deze grief luidt als volgt:

'Ten onrechte verwerpt de rechtbank de stelling van [appellant] dat het beding van artikel 4 lid 2 van de algemene voorwaarden van [geïntimeerden] als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt. Daarnaast laat de rechtbank na om te beslissen of artikel 4 lid 1 van de algemene voorwaarden tevens als een onredelijk bezwarend beding moet worden aangemerkt.'

26. Met deze grief stelt [appellant] in hoger beroep opnieuw aan de orde zijn standpunt dat art. 4 lid 2 van de overeenkomst tussen partijen, hierna te noemen de overeenkomst, welke artikel is aangehaald in rechtsoverweging 2.4 van het beroepen vonnis, voor hem een onredelijk bezwarend beding is als bedoeld in art. 6:233 aanhef en onder a BW en derhalve als nietig moet worden aangemerkt, nu hij een beroep op de vernietigbaarheid ervan heeft gedaan.

27. Veronderstellenderwijs uitgaande van het slagen van de onderhavige grief zal het hof in verband met de devolutieve werking van het appel eerst het verweer van [geïntimeerden] behandelen, dat bij het beding van art. 4 lid 2 van de overeenkomst geen sprake zou zijn van een algemene voorwaarde, maar van een kernbeding.

28. Anders dan [geïntimeerden] ingang tracht te doen vinden, is het hof van oordeel dat bij het beding van art. 4 lid 2 van de overeenkomst geen sprake is van een kernbeding. Niet is voldoende gemotiveerd gesteld dat de overeenkomst zonder dit beding niet tot stand zou zijn gekomen of zonder dit beding niet van wilsovereenstemming omtrent het wezen van de overeenkomst sprake zou zijn (vgl. HR 19 september 1997, NJ 1998, 6).

29. Het voor hem onredelijk bezwarend karakter is, naar [appellant] betoogt, gelegen in de omstandigheid dat ingeval van een opzegging door [geïntimeerden] op de voet van art. 4 lid 2 van de overeenkomst, [geïntimeerden] in gevolge dit artikellid niet gehouden is de reeds vooruitbetaalde lesgelden te restitueren. Naar de rechtbank in rechtsoverweging 2.21 van het beroepen vonnis als vaststaand feit heeft aangemerkt, welke vaststelling door geen van partijen in hoger beroep is bestreden, heeft [geïntimeerden] de overeenkomst op 19 mei 2004 opgezegd. Het hof leidt uit het debat van partijen af dat het bij deze opzegging gaat om een opzegging, als bedoeld in art. 4 lid 2 van de overeenkomst.

30. Het hof constateert dat op dit door [appellant] in rechte ingenomen standpunt zijn in de conclusie van de memorie van grieven onder 1 omschreven vordering steunt. De genoemde conclusie is hiervoor onder het opschrift 'Het geding in hoger beroep' aangehaald.

31. Voorts stelt het hof vast dat [appellant] zijn in de conclusie van de memorie van grieven onder 4 omschreven vordering, naar het hof zijn stellingen verstaat, enkel doet steunen op de door hem aan [geïntimeerden] verweten toerekenbare tekortkoming in de uitvoering van de overeenkomst en niet ook op het volgens hem onredelijk bezwarend karakter van art. 4 lid 2 van de overeenkomst. Uit de gedingstukken van de zijde van [geïntimeerden], meer het bijzonder uit de inhoud van de voorwaarde waaronder [geïntimeerden] zijn vordering in reconventie heeft ingesteld, leidt het hof af dat [geïntimeerden] bedoelde vordering ook zo heeft verstaan. [geïntimeerden] heeft naar het oordeel van het hof die vordering van [appellant] ook zo mogen verstaan.

32. Voor zover [appellant] met zijn grief het naar zijn stellingen voor hem onredelijk bezwarend karakter van art. 4 lid 1 van de overeenkomst in hoger beroep aan de orde beoogt te stellen, faalt de grief, aangezien dit artikellid betrekking heeft op het hier niet aan de orde zijnde geval dat [appellant] de overeenkomst tussen partijen zou hebben opgezegd.

33. Blijkens het slot van de toelichting op de grief neemt [appellant] subsidiair het standpunt in dat een beroep zijdens [geïntimeerden] op art. 4 van de overeenkomst krachtens art. 6:248 lid 2 BW in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

34. Wat daarvan verder ook zij, nu [appellant] op dit subsidiair ingenomen standpunt (memorie van grieven, nr. 46) geen vordering doet steunen en daardoor belang bij de beoordeling van dat standpunt door het hof ontbeert, moet het hof daaraan voorbijgaan.

35. Het hof zal thans op de voet van art. 6:233 aanhef en a BW onderzoeken of, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de algemene voorwaarden van [geïntimeerden] zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, het beding van art. 4 lid 2 van de overeenkomst voor [appellant] onredelijk bezwarend is.

36. Tot de omstandigheden van het geval als hiervoor bedoeld is naar het oordeel van het hof ook te rekenen het antwoord op de vraag, of het bedrag van € 79.412,--, tot betaling waarvan de door [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst op zich genomen verbintenis strekt, telkens voor een gedeelte aan de onderscheiden fasen van de opleiding kan worden toegerekend.

37. Het hof zal daarvoor te rade gaan bij de inhoud van de overeenkomst, in welk verband de uitleg daarvan van belang is. In dit verband moet vooropgesteld worden dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel kan worden beantwoord op grond van de taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Het komt immers steeds aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635).

38. Blijkens art. 11.2 van de overeenkomst, dat in rechtsoverweging 2.4 van het beroepen vonnis is aangehaald, is 'toelating tot de fase of programmaonderdeel waarop de betreffende nota betrekking heeft, (..) slechts mogelijk nadat alle op dat moment vervallen rekeningen zijn voldaan.

39. Uit de inhoud van de overeenkomst is naar het oordeel van het hof af te leiden dat de hiervoor in rechtsoverweging 36 bedoelde vraag bevestigend moet worden beantwoord. Bij dit oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat zulks uit de bewoordingen van art. 11.2 van de overeenkomst volgt en niet voldoende gemotiveerd is gesteld of anderszins is gebleken dat sprake is geweest van verklaringen en gedragingen van partijen over en weer, op grond waarvan zij in dit opzicht een andere zin aan de overeenkomst mochten toekennen dan het hof hiervoor uit de bewoordingen van de overeenkomst heeft afgeleid. Evenmin mochten zij naar het oordeel van het hof in dit opzicht redelijkerwijs iets anders van elkaar verwachten. Aan vorenstaand oordeel kan niet afdoen de wijze waarop [geïntimeerden] nadien heeft gefactureerd.

40. Gelet op het hiervoor overwogene, is het hof van oordeel dat art. 4 lid 2 van de overeenkomst voor [appellant] als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt, voor zover het beding de restitutie uitsluit van lesgelden die zijn toe te rekenen aan het deel van de bedongen, door [geïntimeerden] te verrichten prestatie, dat in verband met opzegging niet meer verricht is. Bij dit oordeel heeft het hof tevens in aanmerking dat het bij de overeenkomst om een leerovereenkomst gaat. In dit opzicht leert de ervaring dat in het algemeen het aantal leerlingen dat een opleiding aanvangt, groter is dan het aantal leerlingen dat een opleiding met succes afsluit. Bezien in het licht van de wederzijdse kenbare belangen weegt naar het oordeel van het hof het belang van [appellant], mede gelet op zijn leeftijd, bij vorenbedoelde restitutie van het lesgeld zwaarder dan het belang van [geïntimeerden] bij niet-restitutie. De rechtbank heeft weliswaar overwogen, welke overweging in hoger beroep niet voldoende is betwist, dat de kosten van het aanbieden van een vliegopleiding hoog zijn, maar niet is gesteld of gebleken dat voor [appellant] kenbaar was dat de opleiding van [geïntimeerden] staat of valt met de non-restitutie respectievelijk restitutie van reeds vooruitbetaald lesgeld in geval van opzegging door [geïntimeerden] van de overeenkomst op de voet van art. 4 lid 2 van de overeenkomst. De wijze waarop de algemene voorwaarden tot stand zijn gekomen, draagt niet bij aan vorenstaand oordeel, maar doet er ook niet aan af.

41. In het midden kan worden gelaten, welk gedeelte van het door [appellant] voldane bedrag ten belope van € 79.412,-- is toe te rekenen aan het deel van de bedongen, door [geïntimeerden] te verrichten prestatie, dat in verband met opzegging niet meer verricht is, nu een vordering van [appellant] tot restitutie daarvan niet ingesteld en bovendien de gedingstukken daarvoor ook onvoldoende aanknopingspunten bevatten om zulks thans vast te stellen.

42. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de grief doel treft.

Met betrekking tot de vordering van [geïntimeerden] als oorspronkelijk eiseres in voorwaardelijke reconventie:

43. Nu de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering van [geïntimeerden] is ingesteld, zich ook in hoger beroep niet heeft vervuld, behoeft deze vordering thans evenmin verdere behandeling.

De slotsom

44. De vordering van [appellant] als oorspronkelijk eiser in conventie als vermeld onder punt 1. in de conclusie van de memorie grieven moet derhalve worden toegewezen, voor zover de vordering art. 4.2 van de overeenkomst betreft. Het hof zal echter om proceseconomische redenen het gehele vonnis vernietigen en opnieuw rechtdoen. Aangezien partijen over en weer op onderdelen van het door elk van hen gevorderde in het ongelijk zullen worden gesteld, zullen de kosten van het geding in beide instanties worden gecompenseerd in die zin dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het beroepen vonnis

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat art. 4 lid 2 van de overeenkomst nietig is als een voor [appellant] onredelijk bezwarend beding¸voor zover het beding de restitutie van lesgelden uitsluit, die zijn toe te rekenen aan het deel van de bedongen, door [geïntimeerden] te verrichten prestatie, dat in verband met opzegging niet meer verricht is;

wijst af het anders of meer door [appellant] gevorderde;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs. J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter, W. Breemhaar en W.F. Zondag, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 29 maart 2011 in bijzijn van de griffier.