Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0555

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
07-04-2011
Zaaknummer
24-000103-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt ter zake van het aanwezig hebben van een hennepkwekerij, veroordeeld tot een werkstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000103-10

Parketnummer eerste aanleg: 19-606606-08

Arrest van 29 maart 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 13 januari 2010 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1983] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsman mr. M. Baijens, advocaat te Oude Willem.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat zij:

op of omstreeks 23 juni 2008 te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [straat]) (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 1800, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

Verweer ter zake verkregen bewijs

De raadsman heeft betoogd dat het binnengaan van de schuur waar de hennepkwekerij werd aangetroffen onrechtmatig was, omdat verdachte op dat moment zodanig in de war was dat aan de door haar gegeven toestemming geen betekenis kan worden gehecht.

Het verweer van de raadsman mist feitelijke grondslag. Verdachte heeft immers ter terechtzitting in hoger beroep benadrukt dat zij juist uit vrije wil de verbalisanten heeft gewezen op de aanwezigheid van de hennepkwekerij. Door de verbalisanten de kwekerij te laten ontdekken, zag verdachte de mogelijkheid, zo heeft zij verklaard, om er vanaf te komen. Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat verdachte:

op 23 juni 2008 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [straat] een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid

De raadsman heeft aangevoerd dat sprake zou zijn van een "noodsituatie" - aldus de raadsman -, omdat verdachte onder dwang en bedreiging haar schuur ter beschikking zou hebben gesteld voor de aanleg van de hennepkwekerij. Het hof begrijpt het betoog van de raadsman als een beroep op overmacht.

Het verweer mist echter feitelijke grondslag. Verdachte heeft immers ter terechtzitting van het hof verklaard dat zij in overleg heeft besloten haar schuur te verhuren ten behoeve van de aanleg van de hennepkwekerij. In een later stadium heeft verdachte

- aldus haar verklaring ter terechtzitting van het hof - besloten zich terug te trekken. Van een aanleg onder dwang is derhalve geen sprake. Overigens is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat bedreigingen zijn geuit in verband met het voornemen van verdachte om de kwekerij te beëindigen. Uit het samenstel van verklaringen van verdachte en hetgeen de raadsman heeft aangevoerd leidt het hof af dat sprake was van verwikkelingen vooral in de relationele sfeer, die zich met name - aldus verdachte - voordeden nadat de hennepkwekerij bij verdachte werd ontdekt. Van enige vorm van overmacht is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake geweest. Ook dit verweer verwerpt het hof.

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden ook overigens niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Gelet op de oriëntatiepunten met betrekking tot hennepteelt zou voor het aanwezig hebben van een kwekerij van een dergelijke omvang (ruim 1300 planten) in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 weken op zijn plaats zijn.

Het verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 januari 2011 geeft aan dat zij niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Aannemelijk is geworden dat verdachte vooral een faciliterende rol in de kwekerij heeft gespeeld door haar schuur ter beschikking te stellen. Bovendien heeft verdachte haar woon- en leefsituatie inmiddels in positieve zin gewijzigd.

Het hof ziet in voormelde omstandigheden aanleiding te oordelen dat kan worden volstaan met oplegging van een werkstraf van 150 uren, zoals in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaat-generaal opnieuw is gevorderd.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdvijftig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfenzeventig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. J. Dolfing en mr. W.F. van Zant, in tegenwoordigheid van mr. H. de Ruijter als griffier, zijnde mr. Van Zant voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.