Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0478

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
07-04-2011
Zaaknummer
200.040.192/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Installatiewerkzaamheden. Vaste aanneemsom of niet? Meerwerk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 8 februari 2011

Zaaknummer 200.040.192/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [adres],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. W.M. Sturms, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende te [adres],

geïntimeerden in het principaal en appellanten in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. O.A. van Oorschot, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 31 mei 2006, 21 maart 2007 en 13 mei 2009 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 6 augustus 2009 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 1 september 2009.

De conclusie van de memorie van grieven, tevens houdende akte tot vermindering van eis, luidt:

"dat het uw Hof moge behagen bij arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, te vernietigen de tussen partijen door de Rechtbank Leeuwarden gewezen vonnissen onder zaak-/rolnummer 71423/HA ZA 05-664 en opnieuw recht doende [geïntimeerden] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting van [appellant] te betalen het bedrag van € 40.536,23, te vermeerderen met de wettelijke rent daarover vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der algehele voldoening en onder veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen de kosten van beslaglegging".

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

IN PRINCIPIAAL BEROEP

1. alle grieven van [appellant] ongegrond te verklaren en alle vorderingen van [appellant] af te wijzen;

IN INCIDENTEEL APPEL

2. het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 13 mei 2009 te vernietigen en opnieuw rechtdoende [appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde 1] van een bedrag van € 23.689,06 incl. BTW, vermeerder met de wettelijke rente vanaf de datum van de conclusie van antwoord, danwel voor recht verklaren, dat dit bedrag is verrekend met enig bedrag dat [appellant] op [geïntimeerden] uit het tot betaling aan [geïntimeerden] van het bedrag dat resteert, na verrekening met de vordering van [appellant], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de conclusie van antwoord;

IN PRINCIPIAAL BEROEP EN INCIDENTEEL APPEL

3. [appellant] te veroordelen in de kosten voor de procedures in beide instanties".

Door [appellant] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"het arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover dit de Wet zulks toelaat, [geïntimeerden] niet ontvankelijk te verklaren in diens incidenteel appel, althans dit af te wijzen onder veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het incidenteel appel".

Ten slotte heeft [appellant] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel zes grieven opgeworpen.

[geïntimeerden] hebben in het incidenteel appel vijf grieven opgeworpen.

De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

De feiten

1. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 t/m 2.8) van het bestreden vonnis d.d. 31 mei 2006 een aantal feiten vastgesteld. Hierover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

2. Samengevat gaat het in deze zaak om het volgende.

2.1. In verband met het uitvoeren van installatiewerkzaamheden in de woning van [geïntimeerden] te [adres] heeft [appellant] op 15 april 2004 aan [geïntimeerden] een offerte uitgebracht. In de offerte zijn materialen ten behoeve van het aanleggen van de cv, vloerverwarming, electra-materialen waaronder 100 wandcontactdozen, waterleidingmateriaal en rioleringmateriaal opgenomen. Verder zijn er 400 werkuren opgenomen. Dit betrof 180 uur werk aan de cv installatie, 40 uur werk aan de vloerverwarming en 180 uur werk aan de electra. Als totaalbedrag is voor dit materiaal en de werkuren een bedrag van € 31.049,00 exclusief BTW opgenomen.

In de offerte staat vervolgens onder meer vermeld:

"(…)

Dakwerk inclusief uurloon en materiaal exclusief btw

dakbedekking per m2 30,-

zinken goten per mtr 30,-

zinken deklijstjes per mtr 12,50

zinken afvoer per stuk 80,-

Dit alles is exclusief:

te leveren en monteren sanitair. U kunt deze uitkiezen bij onze leverancier

Hak-breek-en sloopwerk, afvoer asbest

Alle meer en/of minder uren en/of materiaal worden verrekend.

(…)"

Partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerden] een korting op het uurloon konden verdienen als zij vóór 1 juli 2004 € 10.000,00 contant zouden betalen en dat er in twee tranches zou worden gefactureerd. De eerste tranche zou € 21.000,00 bedragen.

2.2. Op 19 juli 2004 is door [appellant] een opdrachtbevestiging aan [geïntimeerden] gestuurd ter zake van de montage van sanitair, welke opdrachtbevestiging op 11 september 2004 door [geïntimeerden] - met kanttekening - is getekend en geretourneerd.

2.3. [geïntimeerden] hebben de eerste tranche van € 21.000,00 volledig betaald. Van de eerste termijn van de tweede tranche hebben zij in december 2004 € 5.000,00 contant betaald.

2.4. Voorts hebben [geïntimeerden] een bedrag van € 8.314,33 betaald in mindering op facturen ter zake van separaat gegeven opdrachten die tussen partijen niet in geschil zijn.

2.5. [geïntimeerden] hebben diverse facturen van [appellant] onbetaald gelaten. Hierop heeft [appellant] het werk gestaakt.

2.6. Nadat [appellant] zijn werk had gestaakt, heeft (onder meer) [Installatiebedrijf X] diverse werkzaamheden verricht.

Het geschil in eerste aanleg

3. In eerste aanleg heeft [appellant] in conventie betaling gevorderd van een bedrag van € 46.514,56, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 dagen na "de factuurdatum" dan wel (subsidiair) vanaf de dag der dagvaarding, uit hoofde van tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomsten dan wel opgedragen meerwerk ter zake van werkzaamheden in de woning van [geïntimeerden].

[geïntimeerden] hebben zich in conventie op het standpunt gesteld dat zij nog slechts een bedrag van € 3.200,- aan [appellant] verschuldigd zijn. Voorts hebben zij zich op het standpunt gesteld dat zij als gevolg van toerekenbaar tekortschieten in de uitvoering van de werkzaamheden door [appellant] schade hebben geleden ad in totaal een bedrag van € 45.257,09, welk bedrag zij wensen te verrekenen met het door hen nog verschuldigde bedrag van € 3.200,-, zodat een aan hen te betalen bedrag van € 42.057,09 resteert. In reconventie hebben zij primair veroordeling tot betaling van dit bedrag van € 42.057,09 gevorderd en subsidiair, voor zover de rechtbank het beroep op verrekening niet mocht honoreren veroordeling tot betaling van een bedrag van € 45.257,09, genoemde bedragen vermeerderd met de wettelijke rente per datum conclusie van antwoord. Meer subsidiair hebben zij gevorderd veroordeling tot betaling van een schadebedrag dat door de rechtbank in goede justitie wordt bepaald.

4. Bij tussenvonnis d.d. 31 mei 2006 heeft de rechtbank [geïntimeerden] op drie punten bewijs opgedragen. [geïntimeerden] hebben getuigen doen horen. Ook [appellant] heeft getuigen doen horen. Bij tussenvonnis van 21 maart 2007 heeft de rechtbank de heer P.W. Maring van Bouwadvies- en Calculatiebureau Maring & Woud B.V. te Leek tot deskundige benoemd (hierna: de deskundige). Deze heeft op 20 november 2007 een definitief rapport uitgebracht (hierna: het deskundigenrapport). Bij eindvonnis van 13 mei 2009 heeft de rechtbank in conventie [geïntimeerden] veroordeeld, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen bewijs van kwijting aan [appellant] te voldoen een bedrag van in totaal € 3.115,99, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding, 12 juli 2005, tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering in reconventie heeft de rechtbank afgewezen met als motivering dat alle gestelde schadeposten, voor zover door de rechtbank gegrond geacht, reeds met de vordering in conventie zijn verrekend.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid in het principaal appel

5. Nu alle grieven in het principaal zich richten tegen het eindvonnis van 13 mei 2009, is [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de tussenvonnissen d.d. 31 mei 2006 en 21 maart 2007.

Grief I in het principaal appel

6. Deze grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte [geïntimeerden] geslaagd heeft geacht in het bewijs dat er een vaste aanneemsom van € 31.000,- inclusief BTW is overeengekomen en ten onrechte overweegt gelijk zij heeft gedaan onder rechtsoverweging 2.1.2 in het eindvonnis van 13 mei 2009.

7. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

7.1. [geïntimeerde 1] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

"(…) Uiteindelijk heb ik met mevrouw [appellant] de betreffende prijsafspraak van € 31.000,00 gemaakt, te betalen op de volgende wijze: € 10.000,00 contant en € 21.000,00 op factuur. In de offerte van [appellant] waren afzonderlijke bedragen voor dakwerk opgenomen. In het exemplaar van de offerte die ik heb overgelegd in de procedure ziet u achter die bedragen met de hand bijgeschreven de maten en bedragen waarom het volgens mij in concreto zou gaan. In ieder geval leverde het dakwerk volgens mijn calculatie een bedrag op van € 6.467,00 inclusief BTW en zou het totaalbedrag volgens de offerte uitkomen op € 43.000,00 inclusief BTW. Tegen de achtergrond van die berekeningen heb ik verder onderhandeld met de heer en mevrouw [appellant]. Van het laatste gesprek heeft mijn vrouw handgeschreven aantekeningen gemaakt die als laatste deel van mijn productie 2 zijn overgelegd. Uit die aantekeningen blijkt dat het ging om een prijsafspraak waarin ook de dakbedekking meegenomen was, de zinken goten en de afvoeren, de lampen buiten en het alarm. Een en ander hadden wij becijferd op een bedrag van € 35.000,00 exclusief BTW en dat bedrag staat ook op dat papier vermeld, evenals het bedrag inclusief BTW van € 41.825,00. In het gesprek met mevrouw [appellant] hebben wij elkaar zoals ik al zei weten te vinden op een vast bedrag van € 31.000,00, te betalen op de hiervoor vermelde wijze. Daarvoor zou dus alles wat aan installatiewerk in het bestek was vermeld, inclusief voornoemde werkzaamheden, verricht worden. Overigens was in de offerte van [appellant] ook al de riolering vermeld. (…)"

7.2. [geïntimeerde 2] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

"(…) Op een gegeven moment kwam er een prijs op tafel van € 35.000,- exclusief BTW en dat is daarna opgesplitst in een bedrag van € 10.000,00 contant en € 21.000,00 op rekening. Voor dat bedrag van € 31.000,00 (met daarop nog een deel BTW) zou alles plaatsvinden. Ik weet nog goed dat mevrouw [appellant] daarmee akkoord is gegaan toen mijn man dat telefonisch aan haar voorstelde. Ik kon natuurlijk haar antwoord niet horen, maar begreep dat uit de reactie van mijn man. Bij dat telefoongesprek heb ik nog wat aantekeningen gemaakt die ook zijn overgelegd in de procedure als productie 2. U kunt daarin zien het door mij genoemde bedrag van € 35.000,00 en daarboven heb ik geschreven dat het ook was met dakbedekking, zinken goten en afvoeren. Het op dat papier vermelde bedrag van € 5.080,00 is ongeveer de verschuldigde BTW. (…) Ook het alarm en buitenlampen hoorden bij de prijsafspraak en dat heb ik in het kort ook op dat papier geschreven. Het was dus duidelijk dat we een vaste aanneemsom voor al het werk van [appellant] hadden afgesproken.[echtgenote van appellant], echtgenote van [appellant], heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

"(…) N.a.v. de offerte heeft [geïntimeerden] mij gebeld. Hij wilde wat van de prijs af hebben en daarover hebben wij gesproken. Ook wilde hij graag het dakwerk in de prijs hebben. Over dat laatste was met mij niet te praten, want dat zou betekenen dat wij het geld moesten brengen. Dan zou het echt niet uit kunnen. Ik heb toen met hem afgesproken dat we het werk exclusief dakwerk en sanitair, voor € 31.000,-- excl. BTW konden gaan doen. Al pratend hebben we toen afgesproken dat hij € 10.000,-- contant zou gaan betalen en € 21.000,-- op facturen. Over dat laatste bedrag zou dan BTW berekend gaan worden, over de € 10.000,00 niet, dat zou dan incl. BTW zijn. Dat zeg ik nu wel, maar voor dat bedrag zouden wij geen factuur schrijven. Bij deze afspraak hoorde dat de € 10.000,00 snel in 2 termijnen betaald zou worden, te weten een eerste termijn in juni en een tweede termijn in juli/augustus. Aan die afspraak heeft [geïntimeerden] zich niet gehouden, want na veel aandringen, ontvingen wij de eerste termijn van € 5.000,-- pas in november. Ik voeg hier nog aan toe dat als die € 10.000,-- niet binnen de termijnen betaald zou worden, wij alsnog een factuur verhoogd met BTW zouden sturen. Dit zijn de afspraken die wij gemaakt hebben. Bij het werk hoorde dus niet het dakwerk, de goten, de buitenriolering en de grondkabels. Dat werk is er later allemaal bij gekomen en gold als meerwerk. (…)"

7.4. [appellant] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

"(…) Hij [dat is [geïntimeerden]; toev. hof] wilde graag een prijsopgave hebben voor het binnenwerk, dat zijn de vloerverwarming, de elektra, water en gas, binnenriool en CV-installatie. (…) In de offerte is het dakwerk opgenomen voor een vierkante meter prijs. (…) Het sanitair zat helemaal niet in de offerte. (…) N.a.v. de offerte heeft [geïntimeerde 1] de zaak verder afgekaart met mijn vrouw. Dat is telefonisch gegaan en ik heb van haar begrepen dat het op het bedrag van de offerte afgemaakt is met dien verstande dat [geïntimeerden] een deel van € 10.000,-- contant zou betalen. Volgens mij zijn daarover verder geen andere afspraken gemaakt. Ik zou voor die prijs al het binnenwerk zoals hiervoor vermeld verrichten Het dakwerk zat niet bij die prijs in. (…)"

8. Het hof stelt voorop dat aan de verklaringen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ingevolge het bepaalde in art. 164 lid 2 Rv slechts bewijskracht toekomt indien sprake is van aanvullend bewijzen die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaringen voldoende geloofwaardig maken.

Het hof acht niet bewezen dat partijen een vaste aanneemsom van € 31.000,00 inclusief BTW zijn overeengekomen. [geïntimeerde 2] verklaart zelf dat alles voor een bedrag van € 31.000,00 met daarop nog een deel BTW zou plaatsvinden. De getuigen [aannemer geïntimeerden], aannemer van [geïntimeerden], en [architect geïntimeerden], architect van [geïntimeerden], hebben slechts verklaard van [geïntimeerde 1] gehoord te hebben dat hij met [appellant] was overeengekomen dat deze het werk voor een bedrag van € 31.000,00 zou doen, terwijl zij bovendien geen van beiden aangeven of dit inclusief of exclusief BTW was. Deze verklaringen leveren dan ook geen aanvullend bewijs op in de hiervoor bedoelde zin. [echtgenote van appellant] heeft als getuige verklaard dat zij het werk - exclusief dakwerk en sanitair - voor € 31.000,00 exclusief BTW konden gaan doen, waarbij de afspraak is gemaakt dat [geïntimeerden] € 10.000,00 contant zouden gaan betalen en € 21.000,00 op facturen. Over dat laatste bedrag zou BTW berekend gaan worden, en over die € 10.000,- niet, mits dit bedrag snel in twee termijnen, in juni en in juli/augustus betaald zou worden. Bij niet tijdige betaling zouden zij alsnog een factuur voor dat bedrag verhoogd met BTW sturen, aldus [appellant]-Draaimsa. Vaststaat dat [geïntimeerden] het bedrag van € 10.000,- niet tijdig hebben betaald (zie hiervoor onder 2.3). [appellant] heeft als getuige verklaard dat hij van zijn vrouw heeft begrepen dat deze het met [geïntimeerde 1] op het bedrag van de offerte heeft afgemaakt, met dien verstande dat [geïntimeerden] een deel van € 10.000,00 contant zou betalen. Weliswaar verklaart hij tevens dat daarover volgens hem daarover verder geen andere afspraken zijn gemaakt, doch wat dit betreft kent het hof meer gewicht toe aan de getuigenverklaring van [echtgenote van appellant] die de desbetreffende afspraken met [geïntimeerde 1] heeft gemaakt.

9. Wél acht het hof bewezen dat partijen een vaste aanneemsom van € 31.000,00 exclusief BTW (€ 36.890,00 inclusief BTW) zijn overeengekomen. Nu het door [appellant] ter zake van de aangenomen werkzaamheden gefactureerde bedrag ad in totaal € 36.750,00 inclusief BTW lager is dan deze aanneemsom, zal het hof uitgaan van dit lagere bedrag. Waar tussen partijen vaststaat dat [geïntimeerden] op het bedrag van € 36.750,00 in totaal een bedrag van € 26.000,00 hebben betaald (zie r.o. 2.4 van het rechtbankvonnis d.d. 31 mei 2006), resteert ter zake een bedrag van € 10.750,00.

10. Grief I in het principaal appel slaagt derhalve.

Grief II in het principaal appel

11. Deze grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat onder de aanneemsom de volledige elektrische installatie binnenshuis viel. In de toelichting op deze grief stelt [appellant] dat in opdracht van [geïntimeerden] veel meer elektrisch installatiewerk binnenshuis moest worden verricht dan geoffreerd, bijvoorbeeld 169 wandcontactdozen in plaats van de geoffreerde 100.

12. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

12.1. [echtgenote van appellant] heeft als getuige onder meer verklaard dat zij bij het opstellen van de offerte voor de elektrische installatie is uitgegaan van de normen en prijzen van een standaardwoning en dat zij voor wat betreft de contactdozen e.d. wel iets hoger is gaan zitten dan de standaardnormen, en voorts dat zij voor het uitbrengen van een offerte ook niet precies op de hoogte hoeft te zijn van de grootte van het desbetreffende pand. Voorts heeft zij als getuige verklaard, dat zij naar aanleiding van de offerte met [geïntimeerde 1] heeft afgesproken dat zij het werk exclusief dakwerk en sanitair voor € 31.000,00 exclusief BTW konden gaan doen.

12.2. [appellant] heeft als getuige onder meer verklaard dat hij het pand tevoren twee keer heeft bezichtigd en voorts dat hij in verband met het uitbrengen van een offerte voor het binnenwerk, dat zijn volgens [appellant] "de vloerverwarming, de elektra, water en gas, binnenriool en CV-installatie", wat metingen heeft verricht. Voorts heeft hij verklaard dat hij voor die prijs "al het binnenwerk zoals hiervoor vermeld" zou verrichten, en dat het dakwerk niet bij die prijs in zat.

13. Het hof acht op grond van deze getuigenverklaringen bewezen dat de volledige elektrische installatie binnenshuis onder de aanneemsom van € 31.000,00 exclusief BTW valt. De stelling van [appellant] dat hij als getuige bedoeld heeft te verklaren dat hij voor het overeengekomen bedrag slechts het oorspronkelijk geoffreerde elektrisch installatiewerk binnenshuis zou verrichten, strookt niet met zijn getuigenverklaring, zoals hiervoor weergegeven, noch met de getuigenverklaring van zijn echtgenote. Het hof passeert het in dit verband door [appellant] gedane bewijsaanbod, nu [appellant] niet aangeeft wat de reeds gehoorde getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij reeds hebben verklaard.

Naar het oordeel van het hof is derhalve geen sprake van meerwerk. Waar [appellant] het aantal contactdozen en overige materialen te krap heeft ingeschat, komt dit naar de aard van de overeenkomst voor zijn risico.

14. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat van factuur 05-025-014 ad € 9.684,22 een bedrag van € 8.006,32 niet toewijsbaar is (wel toewijsbaar een bedrag van € 1.677,90).

15. Grief II in het principaal appel faalt derhalve.

Grief I in het incidenteel appel

16. Deze grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de werkzaamheden aan het dak, de goten, de buitenriolering en de grondkabels niet onder de vaste aanneemsom vallen.

17. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Aan de getuigenverklaringen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] komt, zoals reeds overwogen, de beperkte bewijskracht van art. 164 lid 2 Rv toe. [appellant] en [echtgenote van appellant] hebben als getuigen uitdrukkelijk verklaard dat het dakwerk buiten het overeengekomen bedrag van € 31.000,00 exclusief BTW viel. Ook in de offerte waren deze werkzaamheden buiten het geoffreerde bedrag van € 31.049,00 exclusief BTW gehouden.

Het hof acht dan ook niet bewezen dat de werkzaamheden aan het dak en de goten onder de aanneemsom vielen. [geïntimeerden] hebben onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat zij er gerechtvaardigd op hebben mogen vertrouwen dat deze werkzaamheden onder de aanneemsom vielen. De enkele omstandigheid dat het gebruikelijk zou zijn dat onder de installatiewerkzaamheden ook de werkzaamheden met betrekking tot de goten, afvoeren en dakbedekking horen, zoals de getuige [architect geïntimeerden] verklaart, is daartoe ontoereikend. Dit geldt temeer nu [echtgenote van appellant] als getuige heeft verklaard dat [geïntimeerde 1] jegens haar heeft aangegeven dat hij het dakwerk in de prijs wilde hebben, doch dat daarover met haar niet te praten viel. [geïntimeerden] hebben derhalve naar het oordeel van het hof redelijkerwijs dienen te begrijpen dat het dakwerk buiten de aanneemsom viel.

18. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat factuur 04-21-025 ad € 9.250,23 toewijsbaar is..

19. Hetzelfde geldt voor factuur 05-25-007 (buitenriolering) ad € 3.909,51 en factuur 05-25-008 (grondkabel) ad € 2.097,79, nu niet bewezen kan worden geacht dat de desbetreffende werkzaamheden onder de aanneemsom vielen.

20. Grief I in het in het incidenteel appel faalt derhalve.

Grief II in het incidenteel appel

21. Deze grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte de vordering van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 6.828,04 voor het plaatsen van sanitair heeft toegewezen. Volgens [geïntimeerden] zijn partijen overeengekomen dat [appellant] het sanitair zou plaatsen in ruil voor de provisie die hij krijgt op het gekochte sanitair. Dat [geïntimeerden] het door hen gewenste sanitair niet hebben kunnen kopen bij de door [appellant] voorgestelde leverancier Plieger, maar het sanitair hebben gekocht bij de leverancier Raab-Kärcher, verandert niets aan deze afspraak, aldus [geïntimeerden]

22. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

22.1. Aan de getuigenverklaringen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] komt, zoals reeds overwogen, de beperkte bewijskracht van art. 164 lid 2 Rv toe.

[aannemer geïntimeerden] verklaart slechts dat hij van [geïntimeerde 1] gehoord heeft dat [appellant] voor het monteren van het sanitair 10 à 15% provisie over de inkoopprijs van dat sanitair zou krijgen. Deze verklaring is geen aanvullend bewijs als bedoeld in de eerste alinea van rechtsoverweging 8.

22.2. [echtgenote van appellant] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

"(…) Die offerte is uitgebracht omdat wij het sanitair niet gratis monteren. Dat zouden we ook niet gedaan hebben als [geïntimeerde 1] wel via ons besteld had. Het is niet zo dat wij dan monteren voor het bedrag van de korting. Er is ook niet door mijn man met [geïntimeerde 1] een afspraak gemaakt dat [geïntimeerde 1] die korting aan ons zou betalen en dat mijn man daarvoor het werk zou verrichten. [geïntimeerde 1] heeft gewoon onze offerte geaccepteerd en getekend. Hij had daarop nog wel geschreven dat hij kennelijk met de betalingstermijn van 14 dagen niet akkoord was. Ik heb dat wel gezien, maar begreep die opmerking niet. Mijn man begreep het evenmin. Onze betalingstermijn is altijd 14 dagen. (…)"

22.3. [appellant] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

"(…) [geïntimeerde 1] vond dat ik het gratis moest monteren. Daar kon natuurlijk geen sprake van zijn. Het is niet zo dat hij mij aangeboden had de provisie te betalen en dat ik in ruil daarvoor het sanitair moest plaatsen. Ook als ik de provisie wel gehad zou hebben, zou ik niet gratis geplaatst hebben. Het was veel werk, ik moest alles wegwerken en het betrof veel sanitair. (…)"

23. Het hof acht op grond van het vorenstaande niet bewezen dat tussen partijen de afspraak is gemaakt dat [appellant] voor het bedrag van de commissie het sanitair zou monteren.

24. Grief II in het incidenteel appel faalt derhalve.

Grief III in het principaal appel

25. Deze grief houdt in dat de rechtbank met betrekking tot factuur 05-25-006 ter zake van het sanitair van het gefactureerde bedrag van € 9.969,64 slechts € 6.828,04 toewijsbaar heeft geacht. In de toelichting op de grief stelt [appellant] het volgende. De rechtbank heeft deze vermindering toegepast, omdat volgens het rapport van de deskundige 135 uur redelijk is voor de aanleg van sanitair in plaats van de gefactureerde 223 uur. Daarbij is de rechtbank vergeten de in deze factuur betrokken uren voor hakwerk, pomp en ijzernetten (37,5 uur), welke werkzaamheden geen betrekking hebben op het monteren van sanitair. Ook laat de rechtbank ten onrechte buiten beschouwing dat [geïntimeerden] na het sluiten van de overeenkomst een sauna met toebehoren wilde, hetgeen tot gevolg had dat er een zwaardere meterkast moest worden geplaatst, wat tot meer kosten heeft geleid. Als het oordeel van de deskundige nog altijd gevolgd wordt, dan dienen 88 uur (223 minus 135) te worden gecrediteerd en resteert nog altijd te betalen € 8.632,00 (welke berekening [appellant] niet nader toelicht).

26. Het hof stelt vast dat [appellant] het door de rechtbank in navolging van de deskundige redelijk geachte aantal uren (135 uur) voor de montage van het sanitair niet bestrijdt, zodat ook in hoger beroep van dit aantal uren zal worden uitgegaan.

Met betrekking tot de in de desbetreffende factuur betrokken uren voor hakwerk, pomp en ijzernetten (37,5 uur) overweegt het hof het volgende. De deskundige heeft in zijn reactie op het commentaar van (de advocaat van) [appellant] op het concept-deskundigenrapport d.d. 16 oktober 2007 aangegeven dat een beoordeling van de bijkomende werkzaamheden onmogelijk is, aangezien niet vast te stellen is waardoor hak- en breekwerk en herstelwerkzaamheden worden veroorzaakt.

27. In het licht daarvan heeft [appellant] naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat en waarom hij recht heeft op afzonderlijke vergoeding van werkzaamheden naast het te vergoeden aantal van 135 uren. Ook overigens heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat, en zo ja, welke kosten nog meer voor vergoeding in aanmerking komen.

28. Het hof acht dan ook evenals de rechtbank van factuur 05-25-006 ter zake van het sanitair ad in totaal € 9.969,64 slechts een bedrag van € 6.828,04 toewijsbaar.

29. Grief III in het principaal appel faalt derhalve.

Grief III in het incidenteel appel

30. Deze grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte de vordering van [appellant] ten bedrage van € 853,17 voor de noodreparatie van de kapot getrokken leidingen heeft toegewezen. In de toelichting op deze grief voeren [geïntimeerden] het volgende aan. Ten eerste heeft [appellant] zelf de gevaarzettende situatie gecreëerd door de leidingen op een gevaarlijke manier weg te werken, zodat de als gevolg daarvan ontstane situatie voor rekening van [appellant] komt. Dat deze wijze van aanleggen in opdracht van [geïntimeerden] is gebeurd doet daaraan niet af, nu [appellant] [geïntimeerden] niet van het gevaar op de hoogte heeft gesteld.

Ten tweede hebben [geïntimeerden] [appellant] nooit opdracht gegeven voor de noodreparatie.

31. [appellant] betwist dat sprake was van een gevaarzettende situatie. Volgens hem is sprake van grof werk door een derde, die niet alleen de elektriciteit vernield heeft maar ook een stuk van de waterleiding en de riolering. Voorts stelt hij dat aan de noodreparatie wel een opdracht van de zijde van [geïntimeerden] ten grondslag lag.

32. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Naar het oordeel van het hof is de enkele omstandigheid dat de leidingen bij de muur van de garage omhoog liepen zonder nadere toelichting, die echter niet in toereikende mate is gegeven, onvoldoende onderbouwing voor de gestelde tekortkoming. Ook voor de gestelde waarschuwingsplicht is geen grond aanwezig, nu [geïntimeerden] zelf hebben verzocht om deze wijze van aanleggen en aldus op de hoogte waren, althans redelijkerwijs op de hoogte hadden kunnen zijn van het feit dat de leidingen ter plaatse ondiep lagen. [geïntimeerden] hebben dan ook onvoldoende onderbouwd dat [appellant] bij het aanleggen van de leidingen is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, zodat geen verplichting tot het verrichten van de noodreparatie uit hoofde van een tekortkoming kan worden aangenomen.

In het licht van de getuigenverklaring van [echtgenote van appellant], onder meer inhoudende dat mevrouw [geïntimeerde 1] naar aanleiding van de kapot getrokken leiding aan haar geeft gevraagd of haar man onmiddellijk kon komen, hebben [geïntimeerden] naar het oordeel van het hof voorts onvoldoende gemotiveerd betwist dat aan de noodreparatie een opdracht ten grondslag lag.

33. Het hof acht dan ook evenals de rechtbank het bedrag van € 853,17 ter zake van de noodreparatie van de kapot getrokken leidingen toewijsbaar.

34. Grief III in het incidenteel appel faalt derhalve.

Grief IV in het principaal appel

35. Deze grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerden] tot een bedrag van € 15.853,36 een verrekenbare tegenvordering hebben.

Lekkage uit de vloerverwarming in het gastenverblijf

36. Het betreft hier een post van € 10.581,15 exclusief BTW (€ 12.591,57 inclusief BTW) voor het repareren inclusief opnieuw leveren en plaatsen van een marmeren vloer wegens lekkage uit de vloerverwarming in het gastenhuis.

[appellant] betwist dat de vloerverwarming heeft gelekt. [appellant] stelt dat hij de vloerverwarming na het leggen daarvan heeft afgeperst. Daarbij zijn geen lekkages geconstateerd. Ook bleek volgens [appellant] bij de bezichtiging niet dat de druk bij de verwarming was weggevallen. Na de aanleg van de vloerverwarming heeft deze nog een week open gelegen voordat de aannemer de dekvloer heeft aangebracht. Als er toen beschadigingen aan de vloerverwarming zijn opgetreden, kan hem dit niet worden aangerekend, aldus [appellant].

Subsidiair voert [appellant] aan dat het niet nodig is om de volledige vloerverwarming en de volledige vloer te verwijderen en te vervangen.

37. Het hof stelt voorop dat - anders dan [geïntimeerden] betogen - in het deskundigenrapport niet valt te lezen dat de deskundige heeft vastgesteld dat sprake is van lekkage aan de vloerverwarming. Het hof volgt [appellant] in zijn standpunt dat de bewijslast ter zake daarvan ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv rust op [geïntimeerden] Nu [geïntimeerden] ter zake geen bewijs aanbieden, strandt reeds hierop hun onderhavige (tegen)vordering.

Plaatsen inlaatcombinatie cv-ketel (cv-ruimte gastenverblijf)

38. [appellant] betoogt dat de rechtbank in navolging van de deskundige ten onrechte een post ad € 28,90 ter zake van een inlaatcombinatie op de cv-ketel in de cv-ruimte van het gastenverblijf toewijsbaar heeft geacht, nu hij deze zelf reeds had geplaatst.

39. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

In reactie op het commentaar van (de advocaat van) [appellant] d.d. 16 oktober 2007 op het concept-rapport van de deskundige heeft de deskundige aangegeven dat al dergelijke apparatuur door [appellant] was geplaatst, en dat de door de fa. Lukkes geplaatste inlaatcombinatie daarom betrekking heeft op herstelwerkzaamheden. In hun schriftelijke reactie d.d. 19 november 2007 naar aanleiding van genoemde fax d.d. 16 oktober 2007 hebben [geïntimeerden] jegens de deskundige aangegeven dat het gegeven dat Lukkes een inlaatcombinatie CV-ketel heeft aangebracht, verband houdt met het feit dat er door [appellant] een onjuiste inlaatcombinatie was aangebracht. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] hiermee voldoende hebben onderbouwd dat de onderhavige post ziet op herstelwerkzaamheden, en dat [appellant] hiertegen onvoldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd.

40. Het hof acht dan ook evenals de rechtbank deze post ad € 28,90 exclusief BTW (€ 34,39 inclusief BTW) toewijsbaar.

Afwerken elektra gastenverblijf

41. Het gaat hier om een post ad € 185,23 ter zake van materiaal + 8 uur à € 38,50 ofwel in totaal € 493,23 exclusief BTW (€ 586,94 inclusief BTW). Volgens [appellant] betreft dit geen herstelwerk maar werkzaamheden die nog door [appellant] uitgevoerd zouden worden als aan de betalingsverplichtingen was voldaan.

42. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

[appellant] heeft door middel van zijn advocaat hetzelfde aangevoerd in de reactie op het concept-rapport van de deskundige d.d. 16 oktober 2007.

De deskundige heeft dit onderdeel in zijn reactie op dit commentaar als volgt toegelicht:

"De reden dat we dit onderdeel benoemd hebben als herstelwerkzaamheden is omdat het een onderdeel betreft van de werkzaamheden, welke vallen binnen de aanneemsom van Installatiebedrijf [appellant].

We hebben bij de beantwoording van de vragen de term "aanvullend uitgevoerde werkzaamheden" beschouwd als werkzaamheden welke niet, of redelijkerwijze niet in de aanneemsom van de fa. [appellant] zijn begrepen."

Het hof sluit zich aan bij deze interpretatie van de term herstelwerkzaamheden. Nu de desbetreffende werkzaamheden behoorden tot de aangenomen werkzaamheden, hebben [geïntimeerden] recht op vergoeding ter zake van het alsnog laten uitvoeren van deze werkzaamheden door [Installatiebedrijf X].

43. Het hof acht dan ook evenals de rechtbank het bedrag van € 493,23 exclusief BTW (€ 586,94 inclusief BTW) toewijsbaar.

Afwerken meterkast + cv-ruimte niet uitgevoerd

44. [appellant] voert aan dat deze post geen herstelwerkzaamheden betreft, maar werkzaamheden die nog door [appellant] uitgevoerd zouden worden als aan de betalingsverplichtingen was voldaan.

45. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

[appellant] heeft hetzelfde aangevoerd in bovengenoemd schrijven d.d. 16 oktober 2007.

In hun schrijven van 19 november 2007 aan de deskundige hebben [geïntimeerden] in reactie op dit commentaar van [appellant] aangegeven dat de meterkast en de cv-ruimte onder de maat waren afgewerkt door [appellant].

De deskundige is gemotiveerd aan het commentaar van [appellant] voorbijgegaan.

46. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] in het licht van het voorgaande onvoldoende weersproken dat [geïntimeerden] recht hebben op een vergoeding voor het alsnog laten uitvoeren van deze werkzaamheden door een derde.

47. Het hof acht dan ook evenals de rechtbank ter zake een bedrag van € 276,00 exclusief BTW (€ 328,44 inclusief BTW toewijsbaar).

Aansluiten dimschakelaar inloopkast

48. Ook ten aanzien van deze post voert [appellant] aan dat sprake is van nog niet uitgevoerd werk en derhalve niet van een verrekenpost.

49. Dit punt is eveneens naar voren gebracht in meergenoemd schrijven van de advocaat van [appellant] d.d. 16 oktober 2007.

[geïntimeerden] hebben in hun schrijven d.d. 19 november 2007 aangegeven dat de dimschakelaar niet op de juiste wijze door [appellant] was aangebracht.

De deskundige heeft in zijn reactie op dit commentaar verwezen naar zijn hiervoor weergegeven reactie met betrekking tot het afwerken van de meterkast en de cv-ruimte.

50. Het hof is van oordeel dat [appellant] in het licht van het voorgaande onvoldoende heeft weersproken dat de desbetreffende werkzaamheden behoorden tot de aangenomen werkzaamheden, zodat [geïntimeerden] recht hebben op een vergoeding voor het alsnog laten uitvoeren van deze werkzaamheden door een derde.

51. Het hof acht dan ook evenals de rechtbank voor deze werkzaamheden een bedrag van € 80,50 exclusief BTW (€ 95,79 inclusief BTW) toewijsbaar.

Opnieuw monteren kraan kinderkamer t.p.v. douche

52. Met betrekking tot deze post voert [appellant] wederom het verweer dat sprake is van nog niet uitgevoerd werk en niet van een verrekenpost.

53. Dit verweer strandt op dezelfde gronden als de voorgaande verweren.

54. Het hof acht dan ook evenals de rechtbank ter zake een bedrag van € 120,75 exclusief BTW (€ 143,69 inclusief BTW) toewijsbaar.

Herstel van plafond in douche alsmede plafond slaapkamer, verlichting plaatsen + lichtbalk herstellen

55. Ten aanzien van deze werkzaamheden voert [appellant] aan dat deze zijns inziens voor

rekening van de aannemer komen.

56. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

[appellant] voert hetzelfde aan in meergenoemd commentaar d.d. 16 oktober 2007.

In reactie hierop hebben [geïntimeerden] in hun schrijven d.d. 19 november 2007 aangegeven dat de desbetreffende (herstel)werkzaamheden van doen hebben met handelingen door [appellant], en dat er geen enkele reden was om de aannemer hiervoor aansprakelijk te houden.

De deskundige heeft in reactie op het commentaar van [appellant] aangegeven dat de uit te voeren herstelwerkzaamheden voortvloeien uit door [appellant] uitgevoerde werkzaamheden.

57. Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerden] hiermee voldoende onderbouwd dat de noodzaak voor de desbetreffende herstelwerkzaamheden was gelegen in ondeugdelijk uitgevoerde werkzaamheden van [appellant], en heeft [appellant] hiertegen onvoldoende gemotiveerd verweer gevoerd.

58. Het hof acht dan ook evenals de rechtbank ter zake van deze werkzaamheden een bedrag van € 189,75 + € 375,- = € 564,75 exclusief BTW (€ 672,05 inclusief BTW) toewijsbaar.

59. Grief IV in het principaal appel slaagt derhalve voor zover zij betrekking heeft op de post "lekkage uit de vloerverwarming in het gastenverblijf". Voor het overige faalt zij. Dit brengt mee dat [geïntimeerden] jegens [appellant] een verrekenbare tegenvordering hebben van € 15.853,36 - € 12.591,57 (m.b.t. lekkage vloerwarming) = € 3.261,79.

Grief IV in het incidenteel appel (Mechanische ventilatie in de woonkamer)

60. Deze grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte de vordering van [geïntimeerden] van € 2.150,00 (door de deskundige begroot op € 1.472,00 exclusief BTW) voor het alsnog aanbrengen van de mechanische ventilatie in de woonkamer heeft afgewezen.

61. [appellant] stelt dat het aanbrengen van mechanische ventilatie in de woonkamer niet was opgenomen in de offerte.

De deskundige heeft in zijn rapport opgemerkt dat mechanische ventilatie in de woonkamer een hoogste ongebruikelijke oplossing is en dat dit dan ook geen automatisch uitgangspunt van de installateur zal zijn wanneer hij een offerte maakt zonder in het bezit te zijn van bestek en tekeningen. Op deze grond heeft de rechtbank het onderhavige deel van de vordering van [geïntimeerden] afgewezen.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] in het licht van het voorgaande onvoldoende hebben onderbouwd dat de mechanische ventilatie tot de aangenomen werkzaamheden behoorde.

62. Het hof acht dit onderdeel van de vordering dan ook evenals de rechtbank niet toewijsbaar.

63. Grief IV in het incidenteel appel faalt derhalve.

64. Grief V in het principaal appel houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er in totaal € 34.314,33 zou zijn betaald en daaraan de conclusie gekoppeld dat er nog een bedrag van € 3.115,99 open zou staan. In de toelichting op deze grief betoogt [appellant] dat de rechtbank daarbij ten onrechte heeft meegenomen de betaling van een bedrag van in totaal € 8.316,33 op vijf facturen die niet tussen partijen in geschil zijn (zie memorie van grieven sub 6).

65. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof volgt [appellant] in zijn standpunt dat de rechtbank ten onrechte de betaling van een bedrag van in totaal € 8.316,33 op vijf facturen ter zake van separaat gegeven opdrachten (zie hiervoor onder 2.4) als betaling op de aanneemsom heeft aangemerkt.

Op de aanneemsom van € 36.750,00 is € 26.000,00 betaald, zodat een te betalen bedrag van € 10.750,00 resteert. Ter zake van meerwerk is een bedrag van € 24.616,82 (€ 55.616,82 - € 31.000,-; zie r.o. 2.3.1 van het eindvonnis d.d. 13 mei 2009) toewijsbaar, zodat [appellant] jegens [geïntimeerden] een vordering ten bedrage van in totaal € 35.366,82 toekomt. Met deze vordering kunnen [geïntimeerden] een vordering van € 3.261,79 ter zake van nog uit te voeren herstelwerkzaamheden (zie hiervoor onder 59), alsmede een vordering van € 2.332,25 ter zake van door Lukkes uitgevoerde herstelwerkzaamheden verrekenen, zodat een door [geïntimeerden] te betalen bedrag van € 35.366,82 - € 3.261,79 - € 2.332,25 = € 29.772,78 resteert. Het hof zal [geïntimeerden] veroordelen om aan [appellant] genoemd bedrag van € 29.772,78 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2005 tot aan de dag van voldoening, verminderd met het reeds door hen betaalde bedrag van € 3.115,99 plus de wettelijke rente daarover vanaf 12 juli 2005 tot aan de datum waarop dit bedrag is voldaan.

66. Grief V in het principaal appel slaagt derhalve.

67. Grief VI in het principaal appel en grief V in het incidenteel appel houden elk in dat de rechtbank ten onrechte de proceskosten heeft gecompenseerd.

68. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Aangezien [geïntimeerden], gelet op het vorenoverwogene, de meest in het ongelijk gestelde partij zijn, dienen zij te worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg, zowel in conventie als in reconventie.

69. Grief VI in het principaal appel slaagt derhalve, terwijl grief V in het incidenteel appel faalt.

De slotsom in het principaal en incidenteel appel

70. In het principaal appel zal het hof [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep tegen de tussenvonnissen d.d. 31 mei 2006 en 21 maart 2007. Het eindvonnis d.d. 13 mei 2009 waarvan beroep dient te worden vernietigd. Het hof zal [geïntimeerden] veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een bedrag van € 29.772,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2005 tot aan de dag van voldoening, verminderd met het reeds door hen betaalde bedrag van € 3.115,99 plus de wettelijke rente daarover vanaf 12 juli 2005 tot aan de datum waarop dit bedrag is voldaan. Het hof zal het incidenteel appel ongegrond verklaren.

71. [geïntimeerden] zullen als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties (eerste aanleg in conventie: 5 punten in tarief IV; in reconventie: 1 punt in tarief IV; principaal appel: 1 punt in tarief III; incidenteel appel: 1 punt in de helft van tarief III). Ten aanzien van de kosten van het deskundigenbericht, die bij gebreke aan andersluidende stellingen gelijk zijn aan het door de rechtbank bij tussenvonnis van 21 maart 2007 bepaalde voorschot ad € 3.250,- + € 617,50 BTW, zal het hof bepalen dat deze voor rekening van [geïntimeerden] dienen te komen. De door [appellant] gevorderde kosten van beslaglegging zal het hof afwijzen, nu deze niet zijn gespecificeerd.

De beslissing

Het gerechtshof:

In het principaal appel

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn appel tegen de tussenvonnissen d.d. 31 mei 2006 en 21 maart 2007;

vernietigt het eindvonnis d.d. 13 mei 2009 waarvan beroep;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerden] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een bedrag van € 29.772,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2005 tot aan de dag van voldoening, verminderd met het reeds door hen betaalde bedrag van € 3.115,99 plus de wettelijke rente daarover vanaf 12 juli 2005 tot aan de datum waarop dit bedrag is voldaan;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:

in eerste aanleg in conventie op € 1.321,93 aan verschotten en € 4.470,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, bepaalt dat de kosten van het deskundigenonderzoek ad. €3.867,50 voor rekening van [geïntimeerden] komen,

in eerste aanleg in reconventie op nihil aan verschotten en € 894,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat,

in hoger beroep in het principaal appel op € 1.467,25 aan verschotten en € 1.158,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

In het incidenteel appel

verklaart het beroep ongegrond;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het incidenteel appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] op nihil aan verschotten en € 579,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. L. Janse, voorzitter, L. Groefsema en M.M.A. Wind,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 8 februari 2011 in bijzijn van de griffier.