Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0380

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
24-001999-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van mishandeling veroordeeld tot een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001999-10

Parketnummer eerste aanleg: 17-840474-05

Arrest van 5 april 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 18 juli 2006 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1954] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep op 22 maart 2011.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof komt tot een andere beslissing dan de eerste rechter. Daarom zal het vonnis worden vernietigd en opnieuw recht worden gedaan.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 30 mei 2005, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (met kracht) bij een pols, in elk geval bij een arm, heeft vastgepakt en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (met kracht) aan die pols/arm heeft voortgetrokken/voortgesleept, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Opzet

Ter zitting van het hof heeft verdachte verklaard dat het niet zijn intentie was om [slachtoffer] letsel toe te brengen. Als de pols van [slachtoffer] door zijn toedoen is gebroken, dan was dat niet zijn bedoeling, aldus verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de aangifte van [slachtoffer] d.d. 7 juni 2005 en verklaring van verdachte bij de politie d.d. 4 augustus 2005, acht het hof bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op mishandeling van [slachtoffer]. Uit de aangifte, maar ook uit de verklaring van verdachte zelf, leidt het hof af dat hij met kracht aan de pols van [slachtoffer] heeft getrokken en deze heen en weer heeft bewogen, ook terwijl [slachtoffer] viel. Dit samenstel van handelingen draagt op zichzelf de aanmerkelijke kans op een breuk in zich. Immers, het krachtig trekken aan een pols, terwijl aangeefster valt en wordt voortgetrokken, levert een aanmerkelijke kans op dat er een breuk ontstaat. Deze kans heeft verdachte aanvaard door aan [slachtoffer] te (blijven) trekken. Door aan [slachtoffer] te blijven trekken, terwijl zij gilde van de pijn, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat er letsel zou optreden. Aldus heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het ontstane letsel.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij op 30 mei 2005 te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer], met kracht bij een pols heeft vastgepakt en die [slachtoffer] met kracht aan die pols heeft voortgetrokken, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-echtgenote

[slachtoffer]. Door aldus te handelen heeft verdachte [slachtoffer] letsel en pijn bezorgd alsmede inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit.

Verdachte is blijkens een hem betreffend uittreksel justitiƫle documentatie d.d.

26 januari 2011 eerder veroordeeld ter zake van overtredingen, maar niet voor misdrijven.

Het hof heeft voorts in aanmerking genomen hetgeen verdachte ter terechtzitting omtrent zijn persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht.

De ernst van het feit rechtvaardigt een werkstraf. Het hof acht de door de politierechter opgelegde en tevens door de advocaat-generaal gevorderde werkstraf, passend. Gelet op de omstandigheid dat de mishandeling zich heeft afgespeeld binnen de context van een echtscheiding, die kort daarvoor was uitgesproken, het gegeven dat sedertdien bijna zes jaren zijn verstreken en de explosieve situatie tussen de ex-echtelieden voorbij lijkt te zijn, zal de werkstraf evenwel voorwaardelijk opgelegd worden, met een proeftijd van twee jaren.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van veertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P.J.M. van den Bergh, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. J. Dolfing, in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse als griffier, zijnde mr. Van den Bergh niet in staat dit arrest mede te ondertekenen.